zondag 6 december 2009

Op eenzame hoogte



Zomer. Hij kwam terug van een Atlantische vlucht met een grote, stalen vogel. Hij was niet zomaar een reiziger, nee, hij was de bestuurder, de menner van het vliegapparaat, de piloot. Een eenzaam beroep op eenzame hoogte. Arrogant keek hij neer op de werkende stumpers op de grond. Vanuit het kleine hokje voorin het toestel, had hij mooi zicht op de lappendeken van de aarde. Ze zwaaiden wel eens naar hem, maar hij zwaaide nooit terug. “Ben je gek?” Het idee alleen al!
Deze morgen was hij thuis, in Amsterdam. Alleen. Hij kookte een ei en stapte in bad. Hij liet het badkamerraam een stukje open, want hij hield van de geluiden buiten. Kinderstemmen, fietsbellen. Daarboven hoor je slechts het zoemen van de machine. En de wolken lachen wel, maar zeggen doen ze niks. Ze strelen de vleugels.
Terwijl hij weggleed in het weldadige warme water, fladderde ongemerkt een vlinder, wit als sneeuw, de badkamer binnen, door het open raam.
De vlinder landde op het puntje van de neus van de piloot. Die sloeg naar hem met een handbeweging, maar het beestje vloog tijdig op en landde weer op de neus. Zo herhaalde zich dit een paar keer. Toen zei de vlinder: “Heee .. halloo, ik ben Zouave, ik leef maar één dag en die wil ik met jou doorbrengen..”
“Waarom met mij?” brieste de piloot. “Ik heb maar één dag vrij, morgen ga ik naar Nigeria, ik wil vandaag naar het voetballen kijken en naar mijn moeder..”
“Dan ga ik met je mee..” sprak de vlinder.
“Asteblieft niet, ga weg, ik vlieg toch harder dan jij..”
“Wat heeft dat er mee te maken?” De vlinder was beledigd. “En ik. .ik ben.. veel vrijer dan jij ooit zult zijn met je grote vliegtuig. Ik .. ik . heb heus geen verkeersleider nodig..” De vlinder liet een miniscule traan. De piloot was eventjes ontroerd. Hij aaide met zijn vinger over haar voorhoofd, maar het zeepsop prikte in haar oogjes.
“Het spijt me,” zei hij. “Ik ben nogal ruw. Maar eh …wat wil je precies?”
De vlinder was weer een beetje hersteld en sprak: “Ik wil een baby..” “ Van jou..”
De piloot keek haar aan en lachte toen zo oorverdovend hard dat het radio verkeer van de vliegtuigen in problemen kwam.
“Botterik,” snerpte de vlinder en zij probeerde in zijn neus te bijten, wat niet ging, want die neus was te dik. “Lomperd! Denk je eens in: een baby van ons beiden: snel zal het kind zijn, sneller dan het geluid, maar ook vrijer, vrijer dan de wind..”
Ineens vloog zij op. “ Wat ga je doen?” vroeg de piloot. Zij zei niets, maar vloog naar het raam. Daar zat een zwarte vlinder, een man, en hij wenkte met zijn voelspriet naar haar.
“Het is te laat,” zei ze tegen de piloot. “Ik moet nu met hem mee. Jammer, wij zijn beide hoogvliegers, we hadden een dag kunnen fladderen samen. Dag! Het ga je goed!” Hij voelde een vleugel tegen zijn wang strijken en toen verdween ze. Hij stapte uit bad en gleed uit over een los slingerend stukje zeep en brak een been. Zes weken later, toen hij uit het ziekenhuis kwam, hing er een cocon aan een draadje in de sponning van zijn badkamerraam. Een rups! Een zwartwitte! Hij wandelde door zijn huis en keek naar de lucht en voelde zich veranderd. Kwam het door de zes weken hospitaal? Of was het de gedachte aan de vlinder en haar scherpe woorden: “Ik ben veel vrijer dan jij ooit zult zijn met je vliegtuig?” Die woorden vlogen door zijn ziel. Hij zag zijn alleenstaande buurvrouw langs lopen en zwaaide. De zomer. Hij wandelde de tuin in en vond tot zijn verbazing het dode lijfje van de vlinder. Hij hield het in zijn hand. “Nooit zal ik zo vrij zijn..” mompelde hij.
“Riep u mij buurman?” vroeg de buurvrouw.
“Eh..” “U mag wel bij mij effies langskomme. u bent ook maar alleen niet? Mag ik u iets vragen heb u nog geen vriendinnetje of zoiets, ach, een knappe man als u dat moet toch bij veel vrouwen opvallen..”
“Ja, ja,” zei hij en hij knikte wazig.
Toch vloog hij daarna nog vele jaren over de oceanen. Maar op een dag is men hem en zijn toestel kwijtgeraakt. En onder verscheidene Indianenvolken gaan verhalen dat men op een dag een reuze vlinder heeft gezien. Een vlinder, die zo hard vloog, dat de wind tot orkaankracht aanzwol. De vlinder vloog naar de zon en verbrandde.
In het huis van de piloot zocht men naar aanwijzingen voor zijn verdwijning, maar men vond alleen duizenden platen en afbeeldingen van vlinders.
Ze hingen aan de muren en vooral in de badkamer.
“Zie je wel,” zeiden de collega’s. “Het was een eenzame gek .. die dacht dat ie net zo kon vliegen als een vlinder!”
“Toch vond ik het een leuke man,” zei de buurvrouw. “Een echte lieverd..”




maandag 2 november 2009

Stupid Willie




Het was 1 augustus 1965, toen ik in de saloon van het stadje Hangyouupinthemorning in Texas tot mijn verbazing in het ultraslechte gezicht van ultraslechte Johnie keek.
Ik bestelde onmiddellijk driemaal veertig whiskey on the rocks met een emmer ijs en schoof dit alles Johnie toe, want Johnie moet je te vriend houden. Johnie mikte ogenblikkelijk de hele ijsemmer naar binnen. Op een ijzige toon zei hij daarna: “Jij ziet er dom genoeg uit..”
“Dank je,” zei ik. “Jij ziet er dom genoeg uit om mijn maat te worden. “Wat moet ik doen?” riep ik. “Gewoon jezelf blijven,” zei slechte Johnie en als een echte welzijnswerker schoot hij driemaal drie is negen (ieder zingt zijn eigen lied) kogels uit zijn colt 45 in de piano en in de barman die als laatste woorden riep: “Ik krijg nog driehonderd dollar van jou, smerige luis!” Maar daarna zweeg hij voor eeuwig. “Wat vind je van mijn blaffertje?” vroeg slechte Johnie.
“Heb je een hondje dan, slechte Johnie?” vroeg ik.
“Jij bent slim,” zei Johnie. “Jij begrijpt het, nergens over praten.. maar kom mee, want we hebben nog een hoop werk te doen..”
Onderweg kwamen we de sheriff tegen die ons vroeg of we twee bandieten hadden gezien die geschoten zouden hebben in de saloon..
“Welke saloon?” vroegen we. “Hands up?” “Nee,” zei de sheriff. “Saloon de Blauwe Boen..” “Nee,” antwoordden wij. “In saloon de Blauwe Boen komen we nooit..” “Goed,” zei de sheriff. “Dank jullie wel..”
Ondertussen spoedden wij ons naar de County Bank aan de overkant. Ik bond mijn horse goed vast, want ik wist uit Arendsoog dat er veel te veel veedieven zijn in het Wilde Westen. Ik legde er voor de zekerheid drieëndertig knopen in.
Uit de bank kwamen kwamen inmiddels allemaal witte rookwolkjes en daarna zwarte vlammen. Ik wist zeker dat de overval niet gelukt was en ik knielde neer om Johnie te herdenken. “Arme, slechte Johnie,” dacht ik en ik ging naar de bloemist om een krans te bestellen. Toen ik terugkwam stond er een hele troep geteisem voor de bank, die mij wilden pakken, zo te zien. Terwijl ik helemaal niets gestolen had. O, ik probeerde mijn paardje los te maken, maar die verrekte knoop zat in de weg. En zo werd ik toch nog beroemd.
Van de County Bank ging ik naar de County Jail en mijn foto reisde naar de County Press. Ik stond in alle kranten en ik las daarin dat Johnie met de poet door een openstaand toiletraampje was ontsnapt.
Ik heb hem nooit meer teruggezien. Nu ik na 20 jaar vrij ben zoon, vraag ik je, doe niet als je vader. Ik verlang heel erg terug naar die spannende uren met Johnie, maar ik zou het niet graag overdoen.

Je vader, yours,
Stupid Willie

geschreven ergens rond 1992 (tijdje terug toch al)

vrijdag 13 maart 2009

Ochtendnevel. De zon komt op. Rekt zich in het oosten uit. Anja stond ook vroeg op.
We zeiden tegelijk: ‘Ik wil niet, ik wil niet naar mijn werk.’
Maar je moet, tenzij je de Staatsloterij wint. Aan de horizon kerktorens, een zendmast.
De vogels beginnen al te fluiten, ’s morgens. De mannetjes zetten een dikke keel op.
Mijn hoofd zit nog vol ochtendnevel. Het is vrijdag de 13e, maar alles is rustig. De dagen
gaan in ijzeren regelmaat. Mijn ouders zijn in Rome. Als er maar niks gebeurt vandaag.

De paardendans

Ik vroeg aan het paard met de zilveren manen: ‘Kun jij dansen paard?’
Hij lachtte zijn tanden bloot en hinnikte: ‘Ja, ja, ja! Ik kan dansen, wil je het zien?’
Ik zei: ‘Leuk!’
En de wind speelde voor fluit en de konijnen trommelden en een vogel zong.
Het paard huppelde over het gras. Hij draaide rondjes op zijn achterste
benen, schudde met zijn bips en deed een moonwalk, dat is een soort achteruitlopen of er kauwgom onder je zolen plakt.
Toen stopte hij en bleef op zijn bips zitten. Hij strekte zijn voorbenen
en ik applaudiseerde. ‘Je mag dit nooit vertellen aan iemand!’ zei het paard
toen ik hem een appeltje gaf. ‘Doe ik,’ zei ik. Maar nu schrijf ik het toch op.
Ik noem zijn naam niet, nou ja, die weet ik niet eens.

zondag 1 november 2009

De kinderen van onze kinderen van onze kinderen


Ik liep vandaag langs een gracht. Ik vond het mooi. Het water ving het gele herfstlicht en straalde het naar me door. Ja, ik vond het prachtig. Maar er was een tijd, toen vonden
mensen die grachten helemaal niet mooi. Ze werden ziek van het smerige, stinkende water. Dus zeiden ze: weg ermee en dicht gooien met zand! Zo verdwenen heel veel
grachtjes. En onze molens? Vonden onze voorouders ook niet mooi. Lelijke, houten,
plompe dingen, handig om te malen, hout of water, maar meer niet. Dus: weg ermee en
affikken die rare dingen!
Ook boten met een zeiltje niet veel goeds doen. Veel te langzaam en zwaar. Dus: weg ermee! Naar het museum met die gedrochten! Zo verdwenen de grachten, de molens, de bootjes en ook de klompen. Nu vinden wij die dingen weer mooi. Zo veranderen de tijd en de gedachtes van mensen steeds weer. Dus een vraag: wat zullen de kinderen van onze kinderen van onze kinderen straks mooi vinden wat wij nu alleen maar nuttig vinden? Ik noem wat op: een snelweg, een windmolenpark, een staalfabriek met hoge schoorstenen, een winkelcentrum met een Blokker en de HEMA, een metrotunnel, een
kastje voor de electriciteit.
Bewaar dit stukje tot het jaar 2508. Dan praten we verder.

geschreven op 20-10-2008

donderdag 29 oktober 2009

Het bietenmeisje

Linde was aan het eten met haar ouders. Maar ze vond het vreselijk vies. En vader was ook zo
ontzettend streng. Hij zei:‘Je gaat niet eerder van tafel dan dat je dat allemaal hebt opgegeten.
Heel veel kinderen in de wereld krijgen geen eten, die zouden een moord doen voor zo’n heerlijk bord eten..!’ Hij keek moeder aan. Zijn gezicht was rood van woede. Moeder zuchtte.
Ze was verdrietig dat Linde geen bietjes lustte. Maar de laatste tijd lustte Linde bijna helemaal niets meer. Elke avond was het weer een strijd. ‘Ondankbaar kind!’ riep papa en hij stond op
van tafel. ‘Kom moeder!’ zei hij. ‘Wij gaan en zij blijft zitten net zolang tot het op is.. ’ Moeder begon te huilen en ook Linde had dikke tranen. Maar vader deed of het allemaal niets
deed. Hij stapte de deur uit en nam moeder mee. Daar zat Linde dan, helemaal alleen, met voor haar een bord bietjes.
Geertje en Grietje, de kaboutervrouwtjes, waren juist bosbessen wezen plukken toen ze het lawaai in de kamer hoorden. ‘Hoor je dat Geert?’ zei Griet. ‘Wat moet ik horen Griet?’
‘Hoor…een huilend kind!’ Ze hoorden het nu allebei: een hartverscheurend snikken van een
kindje. Snel klommen ze via de regenpijp door het openstaande raam, om eens beter te kunnen kijken wat er aan de hand was. Kabouters zijn echte acrobaten hoor, die zitten daar
niet mee! Dus toen ze binnen waren zagen ze Linde achter haar bord zitten.
Geertje en Grietje klommen verder op de tafel en Geertje vroeg: ‘Waarom wil je dan niet eten Linde?’
Linde riep woedend : ‘Ik hou niet van bietjes, bietjes zijn bah, wil geen bietjes!’
Geertje probeerde: ‘Maar neem dan een hapje liefje! Moet ik je helpen?’
Linde riep: ‘Nee! Bah! Wil niet geholpen worden, wil geen bietjes!’
Grietje streelde haar handjes om haar een beetje te kalmeren en zei: ‘Nou, nou, schatje , hee maar jij wil toch later een grote dame worden?’
‘Nee!’
‘Nee? Hoor je dat Grietje: ze wil klein blijven Geert, nou dan kan ze wel bij ons komen wonen in de paddenstoel! Is wel zo gezellig!’
‘Ik wil bij pappa en mama blijven!’huilde Linde. ‘En ik wil geen bietjes!’
Geertje dacht even na en zei toen: ‘Weet je wat Linde? Neem een kabouterbietje, dat is heel lekker!’
Linde keek verbaasd. Ze had nog nooit gehoord van een kabouterbietje.
Uit haar schortje haalde Geertje een klein snoepje. Het zag er inderdaad uit als een bietje,
maar het was uiteraard veel lekkerder!
Linde stopte even met huilen. Ze pakte het kabouterbietje en rook eraan. Het rook heerlijk
zoet! Zo zoet dat ook Gerrit, hun kat, het rook en op de lucht afkwam.
Plotseling stond hij achter Geert en Grietje en zag twee heerlijke kabouterhapjes. Hij kreeg
alleen met feestdagen een stukje vlees. Voor de rest was hij aangewezen op de muizen in de
tuin , maar die lachten hem altijd uit, omdat hij zo lekker dom was. Maar deze kans kon niet
missen . Voor hem op tafel: twee heerlijks snacks, kant en klaar en hij hoefde er niets voor te
doen !
Geert zag hem het eerst: ‘Griet!’ riep ze. ‘Kijk uit!’
Gerrit deed zijn kaken al open om Griet naar binnen te schuiven.
Geertje schreeuwde en blies tegen de kat en riep de kaboutertje – groot – worden - toverspreuk.
Ze stak haar armpjes in de lucht en zei:’K word groot , ik word groter en ik word bloot en
ik word bloter…. ik word –groter - ram - bam - bom - ram - bam - bom..!’
En Grietje groeide en groeide en ze barstte uit haar kleren. En ook Geertje groeide mee.
en ook zij knapte uit haar kleding en toen stonden ze bloot. Ze waren zo groot als een
volwassen mens.
Linde begon vreselijk te huilen, en Gerrit de kat rende voor zijn leven..
Ja, ze herinnerden zich nu maar al te goed wat ze moesten doen, nu ze zo groot waren geworden, de wijze woorden van de Grote Kabouter, hun toverleraar, galmden door hun hoofd. Als je eenmaal groot bent is er geen toverspreuk om klein te worden. Er is dan maar een manier: je ingraven in de aarde en dan, omdat de aarde je sappen opneemt, kleiner worden, maar heel langzaam, dat kan een heel seizoen duren!
Geertje en Grietje jammerden dat dit hen moest overkomen. O, en wat zonde van die heerlijke
bosbessen! Geertje begon als eerste een gat te graven. Ze ging er in liggen en al spoedig sliep
ze een diepe winterslaap. Ook Grietje ging graven en lag in de grond te zuchten tot ze ook in slaap viel.
En elke dag gingen Linde en haar moeder kijken naar de plek in het bos waar Geertje en Grietje lagen. ‘Wanneer komen ze dan weer boven mama?’ vroeg Linde ongeduldig.
‘Ach, Linde dat weet ik niet ..’
‘Weet papa het misschien?’
‘Papa gelooft niet in kabouters..’
Zo werd het geduld van Linde heel erg op de proef gesteld. Het duurde en het duurde maar.
Er kwam sneeuw en ijs en de Sint kwam en op haar lijstje zette ze: twee kaboutervrouwtjes.
Linde en haar moeder stonden bij de grond er lag een laagje sneeuw. ‘Daaronder liggen ze
Linde zei moeder ‘Als de lente komt dan zien we ze weer terug..’’
De Sint vond wel wat in de speelgoedwinkel, maar Linde leek er niet echt blij mee.
Toch ging de winter voorbij. Toen de zon weer kwam en met voorzichtige stralen leven wekte.
Op een dag in de vroege lente wandelden Linde en haar moeder weer langs de plek in het bos.
Er stonden twee kleine planten op de plaats in de aarde.
Naast de planten stond een mannetje met een schoffel. Hij had een woeste baard en doordringende ogen, hij zag er vies en onaangenaam uit. ‘Wat doet u hier?’ vroeg moeder ongerust. ‘Ik ga hier een bietenveld aanleggen!’ zei de man dreigend.
‘Dat gaat u niet!’ riep moeder. En dat zei ze omdat de man anders de planten kapot zou maken
die van Geert en Griet waren.
‘Dat ga ik wel!’ riep de man.
Zo stonden ze dreigend tegenover elkaar. Ineens kwam Gerrit de kat uit de struiken. Hij had
net een heerlijke muis laten ontsnappen, dus hij was hartstikke chagrijnig.
‘Wat een herrie hier!’mokte hij. ‘Wat is dat allemaal?’
Linde prevelde: “En jij wordt groter en jij wordt bloter van je rom bam bom .. ”
Gerrit werd plots heel groot, hij had het formaat van een paard.  Hij blies naar de bietenveldman die achteruit deinsde en mompelde: ‘Poezie .. mauwww ..rustig maar.. ik ga al…’ en hij schoot weg als een raket. Linde en haar moeder moesten er heel hard om lachen. Ze keken weer naar de planten. Er zaten vruchten aan die leken op een soort rode puntmuts.
‘Kijk eens: Linde,’ zei moeder. ‘Puntmutsvruchten leuk, hè?’ Ze plukte de vruchten en zei: ‘Doe je handje eens open..!’
Linde opende haar hand en mam legde de vruchtjes erin. Door de warmte zetten ze snel uit
en knapten ze open. Op haar hand lagen twee naakte kaboutervrouwtjes. Ze openden hun ogen. Grietje zei: ‘Mmmm…wat heb ik lekker geslapen!’En Geertje zei: ‘Hee, Linde wat ben jij groot geworden? Heb je al je bietjes opgegeten?”
‘Nee,’ zei Linde. ‘Ik eet nooit meer een bietje!’Ze zette de vrouwtjes zachtjes neer bij het paddenstoelen huisje bij de eikenboom.
‘Wat grappig?’ zei moeder. ‘Een paddenstoel in de lente..! Maar lieve dames ik heb wat voor jullie bewaard in mijn vriezer, kijk eens: jullie bosbessen die jullie achter hebben gelaten .. !’
De twee dametjes riepen tegelijk: ‘Dank u wel mevrouw! Wat lief!’ En ze verdwenen in hun
paddenstoeltje.
Linde en mama huppelden naar huis. Daar zat papa alleen achter een bord met bietjes.
Ze schoten allebei in de lach en gingen frietjes bakken.

donderdag 8 oktober 2009

De visser aan de waterkant


Je zag hem niet, maar je wist dat hij er was, die man uit het dodenrijk. Je zag waterdruppels uit zijn hemd. De zee was rondom, de vissen aten tot hun buikje vol was. Nu hoorde je zijn stem terwijl je aan de oever aan het vissen was. Hij sprak: "Beet! Je hebt beet!" En je draaide sneller en sneller aan de molen van de hengel. Maar de vis was groter dan je dacht en je draaide nog harder. Je hield je schepnet er onder en daar zag je een handschoen, een hoed, een jas, om te ontdekken dat er een geraamte naar boven kwam. Het geraamte sprak: "Ik ben een man uit het dodenrijk en wie ben jij?"
En je zei: "Ik ben de visser aan de waterkant en ik ga jou terugwerpen omdat je geen vis bent.."
"Dat doe je niet!" riep het geraamte. "Ik ben je vriend!"
"Dat ben je niet!" roep je terug.
"Help me vriend!" roept het geraamte. En omdat je zo aardig bent takel je de gebleekte botten op en de knekels klapperen het zeewier uit hun ribben. "Ik hou van je!" roept het skelet. "Kom in mijn armen!" "Nee!" roep je angstig. "Laat me gaan!"
"Dan ga ik naast je zitten," zegt het skelet.
"Je doet maar," zeg je.
En het skelet zit naast je en vertelt dat hij een man uit het dodenrijk is en dat het er zo leuk is en dat je beslist eens langs moet komen, want je hebt er elk jaar een lijkrace met lijkwagens op de jaarlijkse kermis...
"Leuk!" zeg je. " Gezellig! Maar kun je even stil zijn, want de vissen bijten niet als je zo praat.."
"Je bent bang voor me ..?"
"Mwaohg.."
"Ja, ha, je bent bang dat ik je meeneem en dat je niet meer terugkunt.."
"Ik ga niet weg, schei uit.."
"Ik was ooit een levende man," begint het skelet. "Ik was geliefd bij iedereen, maar ik was ook misdadig, ik overviel banken .. je kent het wel.. weet je.."
"Nee!" zeg je dwars. "En op een dag ben ik vermoord door een aantal lieve vrienden..
hier een schot, hier een schot en hier een schot.."
"Ik ga verderop zitten," zeg je en dat doe je ook. Je kijkt bedenkelijk naar je hengel en af en toe zie je dat de engerd naar je zwaait. Dan wordt het nacht en de kou omarmt je, maar weggaan vind je laf ten opzichte van de griezel die inmiddels weer naast je zit en zijn knoken om je heen geslagen heeft.
De volgende morgen word je wakker. "U was nogal koud!" zegt de verpleegkundige. "U had de temperatuur van een kikker!"
"Mwaohg," mompel je.
Er wordt een thermometer in je achterste geschoven en twee dokters mompelen over het wonder dat je nog in leven bent.
"Ik heb gewonnen van de dood," mompel je hulpeloos.
"Het komt soms voor dat mensen zo praten na zoiets, "onderwijst de oudste dokter. "Gebrek aan kalium.."
"Ik dacht aan een psychiater," zegt de arts-assistent.
"Nee!" roep je. "Neem me niet mee!"
"John, ik ben het," zegt je moeder. "Kijk eens wat je gevangen hebt!"
Je ogen ontwaren op de foto die ze je laat zien, een vis van zeker vijf meter lang.
Je weet zeker dat jij die niet gevangen hebt en je weet ook wie wel.
En je bent niet blij.