Voor een creatief schrijven project maakte ik iedere dag een deel van een verhaal. Zonder AI uiteraard en zonder AI om raad te vragen. Dat doe ik nog steeds. Ik gebruik AI weleens voor een afbeelding, maar nooit voor een tekst. Het is veel te leuk om zelf te worstelen. Ik adviseer iedereen: gebruik geen AI voor creatief schrijven!
De opdrachten kreeg ik, en vele anderen, van Carola Janssen. Van dit project is ook een boek gemaakt onder de titel: De wegen terug. Je kunt dit allemaal vinden op de website: www.prompt-schrijven.nl/over-ons
Ik heb de werktitel De wegen terug veranderd in:
Een
verstoorde droom
Op
de berg
Ik
ben gevallen. Dat moet wel, hoe kan het anders? Ik lig languit, op mijn buik,
met mijn armen wijd gespreid, alsof ik een zonnegroet doe, maar dan plat op de
aarde. Roodbruine aarde. Het is poederachtig en het zit in mijn neus, in mijn
ogen, in mijn oren en in mijn haar.
Ik
trek mijn armen in en duw me voorzichtig omhoog. Zo kom ik als een slang weer
tot leven. Het kost me veel moeite. Hoe lang heb ik hier gelegen? Een dag, twee
dagen, een week?
Rustig
ademhalen. Ik bekijk mijn armen. Er zitten veel krassen op. Mijn handen zijn
geschaafd. In de linker duim zit een diepe snee. Aan mijn rechter ringvinger
draag ik een ring met een kleine blauwe steen. Heb ik zo’n ring gekocht,
gekregen? Ik kan me daar niets van
herinneren.
Ik
draag een donkere broek, een jeans. In de linker zak zit een briefje, in de
rechter een foto van een onbekend stel. Een man en een vrouw, ik ken ze niet.
Ze zoenen elkaar. Ik heb een groen T-shirt aan, met een palmboom erop. Mijn
schoenen zijn rode sneakers met drie witte strepen.
Mijn
haar is kort, net tot op mijn schouders, het is blond en pluizig. En ik heb
borsten, ze zijn behoorlijk groot.
Wat
een ontwaken. Ik weet mijn naam niet. Wie ben ik? Als ik blijf, komt het
allemaal wel weer naar boven.
Ik
ben boven op een berg. De hoogte neemt mijn adem weg. Zeker honderden meters
beneden me, zie ik een prachtig landschap met hier en daar struiken en bomen.
De bodem heeft een roodbruine kleur. Het zou een savanne kunnen zijn. Ik meen
beweging te zien, dieren die van links naar rechts bewegen, in een traag tempo.
De lucht trilt, stof dwarrelt over het landschap.
Wat
doe ik hier op deze berg, in deze prachtige natuur? En waarom heb ik een bult
op mijn hoofd die erg zeer doet?
Naast
me zie ik een roze rugzak staan. Is die van mij?
Zeven
mannen
Net
als ik de rugzak wil pakken, hoor ik geluid. Stemmen. Stemmen van mannen. Dit
kan goed nieuws zijn maar ook slecht nieuws. Ik kan me niet verstoppen en als
het kon, ik heb geen tijd, ze zijn er al. Ze staan aan mijn voeten. Ik kan me
niet verdedigen. Ik tel er in een flits zeven. Zeven mannen. Daar begin je als
vrouw niets tegen. Ik kan gaan schreeuwen, maar niemand zal me horen. Dit moet
wel mijn einde zijn, al weet ik niet eens wie ik ben. Misschien zitten er
papieren in de rugzak. De mannen kijken
me rustig aan. Ze lijken niet veel van plan te zijn. De langste, een magere
vent met een spijkerjasje en lang donker haar, neemt het woord. ‘Hee, ho,’ zegt
hij.
‘Hoi,’
zeg ik terug.
‘Eh,
wij zijn: Tonnie, Tommie, Teun, Toon, Tylor, Tygo en Tikkel.’
‘O,
dat is fijn, ik ben eh, ik weet niet wie ik ben.’
De
magere man graaft met zijn schoen in het zand. Het valt me op dat de mannen erg
jong zijn en dat ze erg verschillen. Er is een kleine, ronde bij, een die er
wijs uitziet en een die het midden houdt tussen een clown en een gek. Hij
draait raar met zijn ogen. ‘Gadver de gadver!’ vloekt hij. ‘Weg kwijt, weg
kwijt!’
‘Stil,
Tonnie,’ zegt de spreker. ‘Mevrouw, u weet niet wie u bent, wij weten echter
niet waar wij zijn. Onze begeleiders Kees en Joep zijn we kwijtgeraakt, of zij
ons. Wij zijn een jongerenproject. In deze tocht moeten wij ons zelf ontdekken
en terugvinden. De weg terugvinden, zeg maar, ook letterlijk.’
Ik
leun achterover. Denkt hij nu echt dat ik de weg weet?
‘Ik
weet het ook niet,’ zeg ik. ‘Ik weet niet wie ik ben en ik weet de weg ook
niet.’
De
mannen gaan erbij zitten. Als ze een telefoon hebben, kunnen we de begeleiders
bellen.
‘Hebben
jullie telefoons?’ vraag ik.
‘Ja,’
zegt de stoerste. Hij draagt geen hemd, is gespierd en hij kijkt me niet aan.
‘Maar er is hier nergens bereik.’
Dat
is een hopeloze zaak. We moeten water hebben, schiet er door mijn hoofd. Water
en eten. Maar eerst water. Hoe laat is het? De zon staat recht boven ons.
Naar
beneden
‘Wie
heeft er water bij zich?’ vraag ik zonder iemand aan te kijken. Drie mannen
mompelen iets, dit is geen zeker geen praatgroep. Een van de jongens snijdt met
een mes in een stuk hout. Hij heeft norse trekken op zijn gezicht en hij kijkt
me niet aan. Hij draagt een rode zakdoek om zijn nek en hij ziet er bezweet
uit. De rest is ook niet fris.
De
conclusie op mijn vraag is: niemand heeft water. Dat schiet lekker op. De
jongen met het mes wijst op een houten paal waaraan een halfvergaan bord is
getimmerd. Er staat een rode pijl op geschilderd die naar links wijst.
“Montassou” lees ik. ‘Weet iemand van
jullie wat dat is?’ vraag ik. Weer geen antwoord. Ik denk dat ik met deze
mannen geen oorlog ga winnen, maar ze zijn natuurlijk niet voor niets een
jongerenproject.
‘We
gaan die kant,’ wijs ik. Ik neem een
enorm risico deze jongelui mee op sleeptouw te nemen.
Ik
ga voorop. De heren volgen. De magere man als eerste achter me. Als laatste die
bijzondere die maar door blijft vloeken. Daartussen vijf anderen.
De
chagrijnige met het mes en dan nog vier speciale types: een met een hele zachte
dromerige uitstraling, een die heel ziek oogt, met een druipneus, een die stoer
maar niet al te slim lijkt en een die ongelofelijk veel begint te praten. En
ten slotte nog een die zich afzondert van de groep.
We
gaan het pad af en hij houdt niet meer op met kwekken. Over alles heeft hij een
mening.
‘Hee,
ho!’ zingt de magere.
‘Doorlopen!’
roep ik. We stappen over het pad. Om ons heen geen enkele boom, alleen het
stof van de weg dat in je haar, op je
huid en in je oren blijft plakken.
‘Ik
heb hier geen trek meer in, wijffie,’ zegt de chagrijnige.
‘Het
zal allemaal goed komen,’ zegt de dromer.
‘Ik
ben allergisch voor stof!’ jammert de zieke.
‘Ik
wil een bizon vangen,’ zegt de stoere, ‘met m’n blote handen.’
‘Ik
ga hier foto’s maken en die ga ik verkopen,’ zegt de prater.
‘Ik
hoor niet bij,’ zegt de achterblijver. ‘Ik ga de andere kant uit.’
‘Je
blijft hier!’ zeg ik. Hij schrikt, aarzelt, gaat dan weer mee in de paradepas.
Ik
zie een riviertje, of een meertje, het kan een luchtspiegeling zijn. Het is
hier bloedheet en we zijn allemaal uitgedroogd.
De
stoffige weg loopt in kringen rond de kale roodbruine berg. Op die berg is
verder niemand. Behalve een paar grote grijze gieren, met kale koppen, zijn
er geen dieren.
Terwijl
we naar beneden gaan, bedenk ik tegelwijsheden die ik bij thuiskomst op een
tegel laat zetten: “Geen nood, altijd water in de sloot.” En: “Veel stof,
schiet niet uit je slof!” En: “Wilt u op
safari, spreek dan af met een kanarie.”
Ik
roep de wijsheden ook naar achteren, maar ze kunnen er niet om lachen.
Dan
zijn we bijna aan de voet van de berg. Daar stroomt een riviertje.
Het
kan niet waar zijn.
Dit
kan niet waar zijn.
Toch is het zo, links ligt het riviertje.
Rechts staat weer een bordje met een pijl naar “Montassou”, wat het ook mag
zijn. ‘Kom op jongens!’ roep ik.
We
duiken in het water, behalve de achterblijver. Hij blijft als een lantaarnpaal
staan op zijn plek.
Het
water is heerlijk koel en helder. Ik heb
mijn kleren aangehouden. Het zand spoelt weg van mijn lijf.
Ik
kom het water uit met de magere. ‘Ik ben Tommie,’ zegt hij, ‘hier is een
spiegel.’ Hij geeft me een spiegel en ik kijk met grote verbazing naar mezelf.
Ben ik dat? In het glas zie ik een oogverblindende schoonheid. Een prachtige
witte huid, hazelnootbruine ogen, een welgevormde mond. Lang, weelderig,
ravenzwart haar. Het is niet te geloven, ik ben een fotomodel? Tommie kijkt me aan. Ik ga ook een tegel maken met een tekst die gaat over
leiderschap. Iets van: “Ik dacht het niet vaak, maar ik ben een geboren
leiderschaap.”
‘We
moeten water verzamelen!’ roep ik naar de spartelende massa.
In het bos, in het bos
Ik
hoor geluid om me heen. Vogeltjes. Ik
lig in een huis. Op een bed. Een
houten huisje. Het is hier prachtig. Mooie houten vloer. Gordijnen met
een blokjesmotief in wit en rood. Een houten tafel met gele appeltjes erop.
Maar netjes is het niet. Overal slingert kleding. Op de houten wand, naast de
koekoeksklok een Playboy poster. Op de bank een petje met daarop de naam van
Max Verstappen. Op de kussens bierviltjes en aanstekers. En op het aanrecht een
vaat met zeven vuile borden. Het ruikt
hier muf. Ik open een deur. Hee, een grote slaapkamer. Met zeven bedden. En ik
huiver want ik sta op een condoom.
Dat
is gek. Ik was op een berg, ontmoette zeven mannen en nu word ik wakker in een
huis met zeven bedden. Ik ga terug en open een andere deur. Een bos! Ik sta in
een bos! Hoe kan dat? Ik was nog niet lang geleden in een woestijn!
Ik weet zeker dat het een trip is. Misschien
door het gebruik van een paddenstoel, of GHB of LSD. Maar hoe heb ik dat dan
binnengekregen? Ik kan me daar niets van herinneren. Ik kam me sowieso niets
herinneren. Hoe zou ik heten? Wie waren mijn ouders? Ik voel me verdrietig
worden en hulpeloos.
Terwijl een frisse lucht het huisje
binnenwaait, begin ik met afwassen en opruimen. Ineens denk ik aan mijn tas. De
rugzak. Zou daar iets in zitten? Ik open de tas. ‘Hallo!’ hoor ik een stem
achter me zeggen.
De
peuter
Ik
draai me om, maar ik zie niemand. Ik stap het huisje uit, ik ben nieuwsgierig.
Ik moet eerst wat gras over, daarna langs een hek en dan ben ik in het bos. Een
eekhoorn draait om een boomstam. Het regent zacht. Mist tussen de bomen.
Ik
hoor iets. Ik sta stil. Het geluid van kettingzagen. Hakgeluiden. Geroep van
mannen. Het zouden mijn mannen kunnen zijn, maar ook net zo goed niet. Het kan
gevaarlijk voor me zijn. Ik moet terug. Zachtjes.
‘Hu
hu,’ hoor ik links van me.
Ik
sta stil, opnieuw. Ik pak een stok. Ik zal me verdedigen.
Uit
de bosjes, langs varens en brandnetels stapt een kind tevoorschijn. Ik schat
dat het een jaar of vijf oud is. Het heeft een rond gezicht en het kijkt heel
angstig naar me. Het draagt een hoed, een steek, net als Napoleon. Ook het pak
lijkt op dat van de generaal. Een militair uniform, met een lange rode jas. Het
kind houdt een hand onder zijn blauwe vest, op zijn borst, ook als Bonaparte.
‘Hallo!’
zeg ik zo vriendelijk mogelijk.
‘Hu
hu,’ zegt het kind.
‘Wie
ben jij?’ ik klink heel zacht.
‘Hu
hu.’
Ik
streel hem met een vinger over zijn wang en voel medelijden. Wat is nu het
beste?
Ik
kies voor teruggaan naar het huisje, met het kind, ik wil hem hier niet
achterlaten. Ik pak zijn hand en trek hem mee.
Maar
dan begint hij zich te verzetten. Hij probeert me te bijten en ik laat hem los,
ik ben hevig geschrokken.
Ik
ren door het bos naar het huis. En tot mijn ontzetting rent de kleuter achter
me aan. Hij probeert mijn linker kuit te pakken en zijn tanden erin te zetten.
Ik wil hem niet slaan, dus duw ik hem weg. Ik ren steeds harder. Het kind rent
ongelofelijk hard voor een kleuter en werpt dingen naar me, die langs me
vliegen. Misschien zijn het stenen.
Ik
schiet het huis in en werp de deur dicht. Er zitten schuifsloten op. Ik ram ze
dicht. Ik hoor de kleuter op de deur beuken.
Ik
hol naar de slaapkamer en verstop me onder een bed. Ik beleef een angstig uur.
Dan hoor ik iemand roepen: ‘Hee ho! Doe de deur open!’ Ik herken de stem, die
is van de magere jongen. Ik kom tevoorschijn en weet niet of ik dit kan
vertrouwen. Heel voorzichtig ga ik naar de deur. Daar staat de magere jongen.
Achter hem de zes andere jongens. Ze staan schaapachtig naar me te kijken. Twee
van hen houden de “terreurkleuter” vast bij zijn armpje.
Is er nog hoop?
‘Hee,
ho!’ zegt de magere Tommie, ‘alles goed?’
‘Wat
doe jij in ons huis?’ zegt de chagrijnige Tonnie.
‘Wel
leuk, een vrouw in huis,’ zegt Tun de
dromer.
‘Ik
ben allergisch voor vrouwen,’ jammert de zieke Toon.
‘Ik
vind het prima,’ zegt de stoere Tylor, ‘ze
ziet er heerlijk uit.’
‘Ik
ga foto’s van haar maken en die ga ik verkopen,’ zegt Tygo.
‘Ik
hoor hier niet,’ zegt Tikkel, ‘ik wil weg.’
‘Hee,
ho,’ zegt Tommie, ‘we hebben Nappie gevangen. En nu moet hij weg. De eerste
nacht dat we hier waren, probeerde hij ons te vergiftigen met een giftige
banaan. En
hij
heeft onze begeleiders Kees en Joep ook weggemaakt, misschien zijn ze wel
dood.’
‘Heet
hij Nappie?’ Ik wijs naar het kereltje dat, tussen Tylor en Tygo in, tegenspartelt.
‘Nee,’
zegt Tikkel. ‘Maar hij is een eikel. Als hij hier blijft, gaan we eraan.’
‘Zeker,’ zegt
Tommie. ‘Hij is een gevaarlijk ventje. Ik weet niet waar hij vandaan
komt, maar hij is niet goed wijs. Dit huis heet “Montassou”, dat betekent:
“veilige haven,” nou, dat kun je wel vergeten. We moeten hier weg.’
Ik
vind dat wel jammer, want het is een leuk vakantiehuis in het bos. Maar deze
“kleine generaal” is net als de echte pas verslagen als hij op een eiland ver
weg zit.
We
gaan het bos in. Ik stop alles wat ik aan eten en drinken kan vinden, in de
rugzak. Dat zijn appels, broodjes, pinda’s, crackers. En een paar flessen
water. We lopen over het pad. Het plan is om de kleuter op “Verloren Eiland”
achter te laten. Daar zijn volgens Tommie mensen die hem op zullen vangen. Maar
hij kan er niet zomaar af. “Verloren
Eiland” ligt naar het noorden. Ongeveer een halve dag lopen.
Ik
vraag Tommie wat ze eigenlijk hebben uitgevoerd vandaag. Hij zegt dat ze bomen
hebben omgehakt en versleept. Het was moeilijk om de groep bij elkaar te
houden, vanwege het gebrek aan leiding.
We
lopen, het bospad is zwaar, het heeft geregend. Wat doe ik hier? Ik wil niet
meer. Ik kijk op het kompas. We lopen niet goed, veel te westelijk. Ik sta
stil. Ik zeg tegen Tommie dat we zo niet naar het noorden lopen. Hij gelooft me
niet. Hij zegt dat mijn kompas niet goed werkt op het zuidelijk halfrond. De
declinatie is dan te groot. Daarvoor is een speciaal kompas nodig. Lekker dan.
Ik kan nu de keuze maken deze groep alleen te
laten lopen en zelf bij het volgende pad rechtsaf te gaan. Maar ik doe dat
niet. Ik zie het eigenlijk helemaal niet meer zitten en dat zeg ik ook tegen de
mannen. Ik wil zo snel mogelijk naar huis. Ze kijken me schaapachtig aan. ‘Zeg
dan maar hoe we gaan,’ zegt Tygo. De anderen knikken. We kiezen een pad dat
naar rechts kronkelt, ik kies het op het gevoel en ik loop altijd wel goed op
mijn intuïtie. Toch voel ik me moedeloos.
Ik heb ook wat flarden van mijn geheugen terug en ik heb een vermoeden
wat er met me is gebeurd.
De
rivier
We
moeten over een rivier via een smal touwbruggetje. Daarom moet Nappie worden
losgelaten. Ik ga voorop. De brug hangt ongeveer tien meter boven de rivier.
Het is wiebelig, het is doodeng. Als je valt, ben je de sigaar. De rivier is
vol stenen en zal je verzwelgen en je botten breken. Voetje voor voetje
schuifelen we. En na ongeveer tien minuten, als ik verstijfd bijna aan de
overkant ben, zie ik iets voorbijvliegen, het is Nap. Hij is de brug
afgesprongen, ik zie hem in het water ploffen. De stroom neemt hem mee. Maar
dit wezen kan niet verdrinken. Hij
glijdt naar een steen, klimt erop en springt op de oever. Hij verdwijnt in de
struiken.
Wij
zoeken hem daar even later. We vinden hem niet, wel een natte kaart met daarop
de omgeving. En hoewel die kaart verkreukeld is, ben ik erg blij.
‘Het
is de kaart van Joep,’ zegt Tommie.
Hulp
Met
de kaart komen we een aardig eind in het bos. Het is een loofbos, zoals die in
West-Europa. Misschien zijn we in de Ardennen. Maar het wordt donker. We moeten
stoppen, rusten en een vuur maken.
Dat
hoef ik maar een keer te zeggen tegen
deze jongens. Ze weten precies hoe dat moet.
Als
het vuur brandt, eten we de laatste zaken uit mijn rugzak. In de rugzak zit een
trui, een paar slippers en een portemonnee. Daar hebben we hier niks aan. Maar
er zit ook een witte, ronde steen in. Ik wrijf met mijn duim erover en voel
warmte door mijn hand stromen. Ik word slaperig.
Langzaam
zak ik opzij en rust op de ruwe bosgrond.
Als
ik wakker word, zijn de mannen verdwenen. Ik ben alleen, en sta op een toren.
Een witte toren. Het is warm en ik kijk uit over een prachtige, blauwe zee. Ik
draag een paarse, lange jurk en sandalen. Ik heb geen idee waar ik nu ben, maar
dit lijkt op de Middellandse zee. Het is een adembenemend uitzicht. Er varen
zeilschepen tot zover je kunt zien. Wat een geluk hier te mogen staan, met een
zachte wind over mijn schouders.
Ik
hoor iemand naar me roepen. ‘Catherina!’
Heet
ik zo?
Het
is een man. Hij is niet groot, een jaar of dertig, met een klein baardje en
rood haar.
‘Catherina,
eindelijk heb ik je gevonden. Ik ben Cotillo. Ik kom je helpen. Ik zeg dit maar
een keer: ga naar herberg De Zwaan. Daar zullen ze je verder helpen. Zet Nappie
daar af.’
‘Nappie?’
Ik ben oprecht verbaasd. ‘Die is toch verdwenen in het bos.’
‘Hij
staat achter je.’
Ik
kijk achter me en daar staat de ellendeling. Hij kijkt me spottend aan.
‘Het
is maar een klein stukje. Ga eerst naar de Hemelbrug, spring daarvan af en je
zult snel bij de herberg zijn. ‘
‘Ik
wil eerst weten wat dit te betekenen heeft? Ik wil uitleg. Wat is er aan de
hand?’
‘Lastig,
maar om kort te zijn: je bent deelnemer in een slaapexperiment. Weet je dat
nog?’
Ik
knik ontkennend.
‘Goed,
je doet daaraan mee en je bent op dit
moment in slaap. Maar dat weet jij niet. Jij droomt. Echter, wij hebben een
storing in de droommeting app. Dat is de app waarmee we jouw dromen kunnen
zien. Het lijkt erop dat we zijn gehackt en daarom spring je steeds van droom
naar droom.’
‘Maar
me dan wakker!’ roep ik boos.
‘Dat
gaat niet zomaar, de app stuurt ook de duur van de slaap aan. De droommeter en
de slaapduurverzorger zijn gekoppeld. Maar we doen ons best, je zo snel
mogelijk te bevrijden. Ik moet nu gaan. Doe wat ik zeg, we leiden je langs de
laatste dromen.’
Ik
doe wat hij zegt, we gaan de toren af, duizend treden. We rennen de brug op,
een stalen, modernistisch geval en springen ervan af. Nappie is niet een keer
lastig. Het water voert ons met de stroom mee naar lage gelegen gebieden. We
klimmen uit het water en staan op een modern stedelijk zandstrand. Aan de
horizon staan flatgebouwen. Is dit Almere? Daar is een paviljoen. Herberg ‘de
Zwaan’ staat op het hout geverfd.
Licht
In
de herberg krijgen we een eenvoudige kamer, het lijkt meer op een kloostercel.
Vier bedden op een rij, een wc’tje, een wastafel en een hoog raam.
Op
de bedden zitten twee mannen. De een draagt een leren jasje, de ander een hemd
zonder mouwen.
Ze
stellen zich voor: ‘Kees en Joep.’ Dus dit zijn de kerels die verdwaald waren.
Ze zijn al behoorlijk op weg naar een AOW-regeling. Een bierbuik, dun haar,
vermoeide ogen. ‘Hallo,’ zeg ik, ‘ik ben Catherina, al weet ik dat niet zeker.’
‘Wij
weten het ook niet, we springen steeds naar een andere tijd en een andere
plaats. Om gek van te worden. We begeleidden een groep jongeren. Die zijn we
kwijt. Echt een ramp. Ze kunnen dolle dingen doen, er zit een vechtersbaas bij,
een jongen die graag fik steekt en een jongen die… nee, dat ga ik niet zeggen.’
‘Ik
heb die jongens gezien,’ zeg ik.
‘Waar?’
‘Ergens
in een bos.’
‘Waar
zijn ze?’
‘Geen
idee.’
‘Daar
schieten we niet mee op. En hij is er ook?’ Hij wijst op Nap.
‘Ja,
maar hij is rustig.’
‘Echt?
Wat een lastpak. Heeft al onze spullen in het water gegooid.’
Ik
ga op het bed zitten.
‘Ik
wil naar huis!’ En plotseling smijt ik mijn schoen door de logeerkamer.
‘Rustig
maar!’ zeggen de mannen door elkaar.
‘We
moeten een plan maken om hier weg te komen.’
‘Hoe
dan? We worden steeds naar een andere plek gebracht. Maar ik weet dit: heft
heeft allemaal te maken met een slaapexperiment dat niet lekker loopt.’
‘Jij
slaapt?’
‘Jullie
ook.’
‘Echt?’
Ik
loop rond, ik ben zenuwachtig. Ik kijk in mijn jaszak. Daar zit het briefje nog
altijd. Ik pak het, frummel ermee. Er staan letters op dat papier die het
woord: “Schijnogen” vormen.
‘Schijnogen,’
herhaalt de man met het leren jasje.
‘Schijnogen,’
moppert de man met het hemd zonder mouwen.
‘Je
moet schijnen,’ zegt Nappie.
‘Shinen?’
‘Nee,
dat is iets anders. “Schijnen” wil zeggen: “in je ogen schijnen”. Daardoor word
je biologische klok geactiveerd, volgens het circadiaanse ritme.’
‘En
dus?’
‘Je
wordt wakker. Van licht in je ogen word je wakker. We hebben daglicht nodig.’
‘Het
is hier donker.’
‘Briljant
Nap!’ roep ik. ‘Dat is de oplossing!’
Slapen als een roosje
Mijn
man Tom kamt zijn haar en kijkt aandachtig in de spiegel. Zijn haar krijgt
gescheiden rijbanen. ‘Ik ga naar
Turkije,’ zegt hij, ‘haartransplantatie.’
Ik streel zijn schouders. ‘Je bent zo ook wel mooi, hoor,’ zeg ik. In
dezelfde spiegel zie ik dat ik niet meer zo knap ben als in mijn slaap. Ik zie
wallen, rimpels, grijs, dof haar, een slappe mond, een onderkin. Maar mijn ogen
zijn nog wel mooi, donkerblauw.
‘Toch
doe ik het,’ zegt hij, ‘zo’n kale kop is
niks voor mij.’
‘Ik
vind het wel stoer staan.’
Buiten
dwarrelt sneeuw op het grasveld. Een roodborstje hapt naar eten. Ik heb
geslapen, heel lang geslapen. Tijdens het experiment stokte de apparatuur. De
dokters waren me kwijt. Hersenactiviteit was onmeetbaar, leefde ik nog? Er was
een trage hartslag. Dr. Robert heeft zijn excuses aangeboden. Zijn doel was een
alternatief onderzoek naar mijn slapeloosheid te doen. Maar hij heeft te veel
risico, er loopt een klacht van mij tegen het slaaplaboratorium.
Een
onbekende figuur in mijn sprookjeswereld heeft me gered. Een zeer kleine man in
een Napoleonkostuum. Een figurant in een toneelstuk. Maar wel met een goed
idee. Met een zaklamp waaruit daglicht werd geproduceerd, -ik heb zelf thuis
ook een lamp, een daglichtlamp, maar dan veel groter-, scheen hij in mijn ogen
en door dat blauwe licht werd ik wakker. Het licht maakte in mijn lichaam de
juiste stoffen aan, precies zoals dat elke dag gebeurt zonder dat je het in de
gaten hebt.
Zo
ben ik uit de cel en uit de herberg gestapt. Ik was buiten, in een vreemde
stad. Ik pakte mijn telefoon en het apparaat functioneerde zonder enige moeite.
Ik belde Tom. Hij kon mijn locatie zien. Ik bleek ongeveer honderd kilometer
van het slaaplab te zijn.
‘Fuck,
hoe kan dit!’ riep hij.
Ik
voelde me direct genezen. Ok, het was een bad trip, zoals ik weleens had
gehad in mijn studententijd, toen een kamergenoot mij een paar roze pillen had
gegeven.
In
de auto zei ik niet veel. Aan de horizon verscheen een voetbalstadion.
‘Ik
werd gebeld door dokter Robert,’ zei
Tom, ‘hij zei dat de slaapcomputer niet werkte en dat je waarschijnlijk nooit
meer terug zou komen.’
Ik
knikte schaapachtig.
‘Ik
ben er kapot van geweest. Schat, ik ben zo blij dat je terug bent.’
Ik
vertelde hem niet wat ik had meegemaakt. Ik ben nieuwsgierig naar de twee
mannen Joep en Kees. Zij zouden echt kunnen bestaan. Dr. Robert wil hun adres
niet geven. Privacy. De zeven jongens bestaan niet, daar ben ik zeker van.
Ik
lees nu veel over mensen die enige tijd dood zijn geweest. Ik zie
overeenkomsten. Net als veel van deze mensen, zie ik het leven nu niet zo
dwingend meer. Het komt zoals het komt. Veel spanningen die ik had – en
waardoor ik de slaap niet kon vatten- zijn weggevlogen. Opgelost. Kleding,
mode? Het boeit me niet meer. Ik loop het liefst in een joggingbroek, mijn haar
los, zonder make-up.
Naast
Tom slaap ik als een roosje.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten