maandag 21 juni 2021

Tante Sjaan en ome Han 2 (gewijzigde versie) met dank aan premier Rutte

 



Sjaan en Han. Die kennen elkaar helemaal niet. En ze zijn oud, heel oud. Sjaan woont in een oude volkswijk, waar allang gerenoveerd had moeten worden. Haar huis met Willem, haar man, is twee keer zo oud als zij bij elkaar, en er is nooit veel aan gedaan. Het dak lekt en er zitten scheuren in de muur. De voordeur moet je voorzichtig dicht doen. Sjaan heeft er niet veel moeite mee. Ze heeft haar hele leven in de ouderenzorg gewerkt en vier kinderen opgevoed.

Alleen Willem gaat de laatste tijd niet goed. Hij beweegt zich in een rolstoel en hij gaat iedere dag achteruit. Hij roept voortdurend dat het niet lang meer kan duren. Willem heeft zijn laatste werkzame jaren op de taxi doorgebracht tot het niet meer ging, nadat een klant een blaaspijppijltje in zijn oog had geschoten. Een wonderlijk ongeluk en hij wilde daar niet over praten.

En dan Han. Een klein, dikkig mannetje met een krans van haar op zijn schedel. Veel zware problemen met zijn hart. Had een scharrel met Sjaan, in zijn jeugd. Verder kwam er niks van. Toch was Han haar niet vergeten. Soms meende hij haar in de haven te zien, want hij werkte zijn leven lang in de visserij. Han was niet meer getrouwd. Zijn vrouw Truus had hem bedrogen met de behaarde overbuurman. Toen Han erachter kwam, heeft hij die Joop, een schop tussen zijn benen gegeven en toen kwam er een rechtszaak, want Joop beweerde dat Han hem met die rotschop onvruchtbaar had gemaakt. Joop verloor die zaak.

Bij zijn kapper Leonard hoorde Han onlangs dat een klant van Leo een kennis had die Sjaan van de bingo kende. Zo verkreeg hij haar telefoonnummer. Na diep zuchten belde hij haar en ze leek totaal niet te weten wie hij was. Maar hij mocht langskomen hoor. Geen probleem.

En zo trof hij haar vijftig jaar later, samen met haar halfblinde man Willem. Hij vertelde dat iemand hem had gezegd dat ze dood was, maar hij had dat nooit geloofd. Sjaan kon toch niet zomaar doodgaan?

Sjaan zag er goed uit, vond Han. Ze droeg een beige trui met daarop een medaillon boven een geplooide zalmroze rok. Haar haar was donkerblond en was nog net zo lang als toen. Twee grote ronde oorbellen bungelden in haar oren.

Haar handen waren zacht en rond en ze schilde een appeltje voor haar Willem. Sjaan had haar hele leven goed voor hem gezorgd. De televisie stond zacht aan. De premier sprak over Sjaan en Han. ‘Hij heeft het over jullie,’ lachte Willem. ‘Maar jullie mogen niet knuffelen!’ Ze lachten nu alle drie. In Han begon een klein vuurtje te branden. De vele relaties en vriendinnen die hij bemind had, konden niet op tegen Sjaan. Hij hield zijn hoofd schuin en keek voorzichtig naar haar, terwijl ze de appel jaste. Je ogen zijn van blauwe parelmoer, Sjaan, dacht hij. Je lippen als het rood van rijpe kersen. Je neus een beeldhouwwerk dat ze tegenwoordig niet meer zo maken. Toen ze met haar hand haar haar achter haar oor streek, net als vroeger, voelde hij een diepe brand in zijn borstkas uitslaan. Hij begon heftig te zweten en ze zag het.

‘Gaat het goed, Hans?’ vroeg ze. ‘Wil je nog een kopje koffie?’ ‘Ja hoor, het gaat prima,’ knikte hij. Hij begreep niet waarom hij het nooit had durven zeggen. Ook nu niet. Waarom zou hij niet opspringen en het hard door de kamer toeteren?

‘Het is warm,’ zei Willem.

‘Ik kan me jou niet zo goed herinneren Hans,’ zei Sjaan.  Ze vouwde haar handen op haar schoot. ‘Ik ben als kind weleens verliefd geweest op een kleine, beetje dikke jongen, misschien was jij dat.’

‘Verliefd geweest?’ reageerde Willem verbaasd. Hij kon zich niet voorstellen dat er een leven voor hem was geweest. Ze had er nooit over gesproken. ‘Op die augurk naast me?’

‘Ja, heel verliefd,’ zei ze. ‘Elke nacht droomde ik van hem. Maar misschien was het iemand anders, ik weet het niet.’

‘Hoor je dat Henk?’ riep Willem. ‘Ze was verliefd op je. Mooie boel.’ ‘Ach, als kind,’ zei Sjaan, maar ze had plotseling een liefdevolle, zachte glimlach om haar lippen. ‘Het is zo mooi, zo oprecht om als kind verliefd te zijn. Zo puur wordt het nooit meer.’

Melancholie rolde door de kamer. De lapjeskat rekte zich uit en voor de deur, zichtbaar vanuit het linkerraam, werd door twee jongens gevochten. Han zag dat de ene jongeman een groot mes liet zien. Als hij kon, zou hij met Sjaan vertrekken naar een beter deel van de stad. Hij bezat nog wat spaargeld. Maar wilde zij iets, zag zij iets in hem?

Willem rolde met zijn stoel naar een kastje en pakte er papier uit. ‘Ik heb een idee Sjaan,’ zei hij. ‘We regelen het nu effe.’

‘Wat?’ vroeg ze, want ze zat nog met haar gedachten in een teder, roze gekleurd dromenland. Ze liep met Han lang geleden langs de havenkade. Ze waren heel jong en heel verlegen. Ze zagen de zon rood aan de horizon verdwijnen. Het was een prachtige zomeravond. Een opstapper van de loodsboot zwaaide naar hen, terwijl ze voorbij voeren op weg naar het volgende schip.

Ze keek naar Han, die met een doekje zijn voorhoofd afdeed. Hij zag er mooi uit, vond ze. Hij had grappige, spottende bruine ogen en een leuke lach. Ze kon zich wel voorstellen dat hij ooit haar geliefde was.

‘We regelen het,’ zei Willem weer. Hij richtte zich tot Han en het leed geen twijfel dat het Willem totaal niet om romantiek ging. ‘Ik ga binnenkort de pijp uit en jij gaat voor Sjaan zorgen. Dat wil je toch?’

‘Asjeblieft Willem,’ protesteerde Sjaan. Maar Willem druiste verder. ‘Jullie gaan hier wonen en je neemt mijn auto. Ok?’ Han kon wel door de grond zakken. Alle romantiek en mooie dromen werden door deze man door het doucheputje gespoeld.

‘Mijnheer,’ zei Han. ‘Ik ken u niet, ik ken Sjaan van heel vroeger en ik was alleen benieuwd hoe het met haar ging. ‘

Sjaan voelde een traan over haar wang glijden. Ook Han begon te grienen. ‘Ik heb veel aan je gedacht Sjaan,’ zei hij. ‘Heel veel.’

De deur ging open en er kwam een lange, blonde vrouw binnen. Han schatte haar een jaar of veertig. Ze droeg een paardenstaart. Ze keek even naar het emotionele tafereel en riep: ‘Mama, wat gebeurt hier? Wie is dit?’

‘Dit is Hans, of Henk,’ mopperde Willem. ‘Ik probeer ze an elkaar te koppelen, want het zijn tortelduifjes.’

‘Wat?’ brieste de dochter. ‘Dat heb jij gedaan hè, Willem? Dat is jouw schuld. Kijk nou, mijn huilende moedertje. O, jij ploert, jij schurk. Mijn hele leven al heb je van haar als een schurk geprofiteerd. Maar nu ga ik je wurgen.’ Han zag dat ze een touw in haar handen had, dat ze om de nek van de arme Willem legde. Zo direct zou hij getuige zijn van een moord. Maar hij had de moed niet de vrouw tegen te houden. ‘Ik moet maar eens gaan,’ fluisterde hij. ‘Ik moet mijn eten nog opwarmen.’

‘U blijft zitten tot ik deze schoft heb omgebracht,’ zei de dochter. Willem beefde van angst over zijn zieke lijf. ‘Doe het niet!’ riep hij. ‘Ik blijf toch je vader!’

Daarna legde de vrouw het touwtje weg. ‘Ik wurg je niet,’ zei ze. ‘Alleen omdat het sneu is voor mama.’

Han pakte zijn jas. ‘Ik ga, Sjaan,’ zei hij gedwee.

 ‘Ik laat je even uit,’ zei ze.

Hij stapte naar buiten, koude lucht stroomde zijn neus binnen. Het was donker. De politie sleepte ondertussen de twee jongens in een gereedstaand busje.

 ‘Dag Sjaan,’ zei hij en hij wilde haar kussen, maar dat mocht niet, want het was coronatijd.

‘Mama!’ riep een stem vanuit het huis.

‘We gaan,’ zei Sjaan onverwacht. Ze wees op zijn auto,                 maar hij zag dat de wielen er door het tuig af waren gesloopt.              De auto steunde alleen nog een stapeltje bakstenen.                           ‘Dan gaan we lopen,’ zei ze. Ze liepen naar de kop van de haven. Ze wees naar het standbeeld van de zeeman met de lantaarn, op de kade.  ‘Hier was het,’ zei ze. ‘Hier heb ik gestaan, lang geleden. Met jou. Ja, jij was het. Wat was je mooi toen en wat hield ik van je.’ ‘Ja, ja,’ zei hij trots. ‘Ik weet het nog goed, dat restaurant was er nog niet eens.’ Hij wees naar rechts. ‘Daar was een bunkertje. Ik weet het nog. En soms gingen we hier ijs eten, weet je nog. Stond er een mannetje met ijs. En toen kwam er nog een mannetje met ijs. Kregen ze toch een ruzie.’ Ze lachte.    

Sjaan wees naar de rode, gietijzeren vuurtoren aan de overkant van het water. ‘Daar gaan we naar toe,’ zei ze. Ze liep hard voorop. Voor zo’n oude dame kon ze nog goed dribbelen. Bij de toren aangekomen liet ze een sleutel zien. ‘Ik ben een van de twee mensen in deze stad die hier een sleutel van hebben.’

Ze gingen naar binnen en klauterden de paar honderd ijzeren treden omhoog. Han was er nog nooit geweest. Het uitzicht, op veertig meter hoogte, was werkelijk prachtig, adembenemend.  Heel ver weg straalden de lichtjes van de schepen vriendelijk over het water van de zee. Zo nu en dan gleed het rondgaande torenlicht verblindend over hun schouders. Ze zoenden plotseling hartstochtelijk als twee jonge tieners. Han zweefde van geluk. ‘O, Sjaan, wat doe je me aan,’ hijgde hij.  Ze zei: ‘Kom, we gaan. Willem wacht.’

De volgende avond liepen ze hand in hand over de Trawlerkade, langs de vissersschepen. Het was nog warm, na een zinderend hete dag.  Sjaan zei: ‘Ik heb een kaasschotel bij me in de tas.’ En eerst dacht Han nog dat ze bedoelde dat ze die samen op zouden gaan eten. Dus hij zei: ‘Lekker.’ Maar zij zweeg en ging op zo’n bolder zitten, waar ze schepen aan vastleggen met een dik touw. Aan de overkant lag de ferry naar Engeland klaar om weg te varen. Achter hem was een grote winkel met scheepsbenodigdheden. Voor de deur stond een gigantisch grote spoel, waarop de netten worden gedraaid.

Het viel hem op dat ze een vreemde glimlach op haar lippen had. Ze zei:  ‘We wachten even op ze.’ Het verontrustte hem ineens. Had ze het over mensen? Maar nee, ze sprak langzaam en zei: ‘De havenkabouters komen zo, ze zijn gek op kaas.’  Even was het of iemand in zijn buik stompte. Wat een onzin kraamde zij plotseling uit. Hij keek nog eens nauwkeurig naar haar ronde blauwe ogen. Er was een peilloze leegte in, een niet te beschrijven eenzaamheid. Hij werd misselijk. ‘Ze komen niet vandaag,’ zei hij. ‘Ze komen later,’ fluisterde ze. Ze zette de kaas neer bij een groot, verlaten anker. ‘Daar zijn ze! Kijk daar! Daar!’ riep ze. ‘Waar?’ vroeg hij sukkelig. ‘Daar!’ ze rende naar een oude, vergane laars en riep: ‘Hallo lieve jongens!’ Ze wierp de kaas van de schotel. ‘Pak maar hoor schatten, eet maar lekker op!’ En tegen de man schreeuwde ze: ‘O, ze zijn er zo dol op, kaas en kijk toch eens hoe schattig ze zijn met hun rode mutsjes en hun visserspak en hun gele laarsjes!’ Hij knikte schaapachtig. ‘Kom we gaan dansen,’ zei hij. Hij neuriede: Chiquitita tell me the truth… Hij pakte haar handen en ze dansten. Daar werd ze rustig van. Het was heerlijk weer even bij haar te zijn, ook al was ze niet meer zo bekwaam.

Ze wandelden rustig naar haar huis. ‘Doe je voorzichtig,’ zei hij en hij kuste haar op haar wang.  Hij schuifelde door de nacht. Een nachtegaal zong, maar hij wist dat er van romantiek geen sprake meer kon zijn en dat ze ver weg van hem was. Hij rook de zoete geur van jasmijn en begroette een kat die naar hem keek. ‘Ik zal haar begeleiden,’ zei hij tegen de kat die tegen zijn been kronkelde. ‘Dat is het enige wat ik nog voor haar kan doen.’ Hij zag dat de kat op een stukje kaas kauwde. ‘’Een kat die kaas eet,’ zei hij. ‘Dat kan dus ook nog.’

En zo wandelden Han en Sjaan iedere avond naar de haven, waar hetzelfde ritueel zich voltrok. Ze ging op een bolder zitten, wierp de kaas van de schotel, waarna ze dansten en vertrokken. Hij hield van haar en zei nooit veel. Maar thuis huilde hij veel om de liefde die hij terugvond en weer snel verloor.

Op de laatste avond van de zomer ging het onverwacht verkeerd. Hij had een jas aangetrokken, het was fris, ergens in september. Ze schuifelden weer naar de havenkade. Zij droeg een dikke rode winterjas en een zwarte hoed. Toen zij op ongeveer honderd meter van de bekende bolder waren, zag hij op de kade, bij lunchroom Bart, een rond voorwerp liggen, het was van roestig  ijzer en ongeveer een meter hoog. Uit het gebarsten ijzer staken tien, vijftien sprieten van ongeveer vijf centimeter dikte.  

‘Een bom!’ riep hij. ‘Daar ligt een bom!’ Maar zij hoorde het niet. Zij zei: ‘Laten we doorlopen, ze wachten op ons.’

‘Nee, stop!’ riep hij. ‘Daar ligt een zeemijn!’  Hij greep haar vast en duwde haar tegen de kademuur. Zij verzette zich hevig. Ze krabde hem, ze trok aan zijn haar. ‘Laat me los, laat me los!’ krijste ze. ‘Laat me los.’ Ze vielen, hij bezeerde zijn schouder, zijn jas scheurde. Ze wist te ontkomen, verloor een schoen. Hij stond op, wankelde en zag dat ze recht in de armen van de politie liep. De agent was bezig een roodwit lint om de bom te spannen. ‘Stop!’ riep hij. ‘Mevrouw, stop, niet verder.’

Han zag dat ze nu op de agent inhakte met de schotel kaas. Hij bloedde hevig aan zijn hoofd, maar voor ze het wist, lag ze op de grond. Het volgende ogenblik zat ze gearresteerd in de politieauto.

‘Is dat uw vrouw?’ vroeg een lange agent nog nahijgend aan hem. Hij knikte. ‘ Pittig typje, we nemen haar even mee, het is te gevaarlijk hier met dit ding. Iedereen moet hier weg.’ Hij zag mensen haastig uit hun huis komen. Jong en oud haastte zich weg uit het havengebied. Hij zei: ‘U heeft helemaal gelijk, ik heb ook eens zo’n ding in mijn netten gehad.’ De agent keek hem onderzoekend aan. ‘U bent visser?’ ‘Niet meer,’ schudde hij.

‘Wat doet u dan hier zo laat?’  ‘Het was de liefde,’ zei hij. ‘Nou ja, wat er van over is..’

‘Dat snap ik,’ zei de agent. ‘Ik ben ook al heel lang getrouwd.’

‘Goedenavond mijnheer,’ sprak Han. ‘Ik ga naar huis.’

‘Goedenavond,’ zei de agent. ‘Pas goed op u zelf.’

En onderweg kwam hij ze tegen, eerst de kat, die hem smekend vroeg om kaas. En daarna de havenkaboutertjes. Zeven kaboutertjes, ieder in een visserspak met laarzen.

Ze deden of ze hem niet zagen. Hij moest om zichzelf lachen om zijn eigen gekte.

En Sjaan?

Hij zag haar nog een laatste keer toen ze voor het raam van huize Breezicht stond. Ze keek uit over het Noordzeekanaal. Een sleepboot van Wijsmuller tufte voorbij. Ze zag Han. Hij zwaaide, daar stond zijn jeugdliefde. Kwetsbaar, maar pittig, had de agent gezegd. Een zuster voerde haar zachtjes weg bij de arm. Haar mond opende zich en met haar vuist sloeg ze op haar borst. Op haar hart.

Hij ging naar zijn huis aan de Orionweg, kroop in zijn bed en sliep vredig in.

 

 

 

 

zondag 6 juni 2021

Corona vaccinatie mei 2021

 



Het is lente, ik scheur door de straten van onze stad op mijn oude papabike. Ik ben onderweg naar mijn coronaprik, geen tijd te verliezen. De bomen kleuren lichtgroen, het prachtigste, tere groen van de wereld maar ik heb er geen oog voor. Net zoals een zakenman op de snelweg 180 gaat rijden om op tijd te zijn. Ik ga door een tunnel, passeer de Hoeverweg, het wielrenparadijs en het fastfoodrestaurant. Ik heb het warm. Ik voel mijn rug plakken. Ik ben buiten de stad. Daar staat een grote partytent, achter een hamburgerketen. Ironisch genoeg een partytent, want het is geen tijd voor een feestje. Ik prak mijn fiets neer in het rek en wandel naar de fuif. Ik sluit aan in een rijtje zwijgende mannen van mijn leeftijd. Handen in de broekzakken, buikjes, dunner wordend haar. Ze zeggen niet veel. En voor een praatje zijn ze niet goed genoeg gehumeurd. De GGD-medewerkster zegt dat er veel mannen zijn vandaag. Ik laat mijn id zien. Ik ben van het juiste jaar, 1967. Twee dagen na mijn geboorte brachten de Beatles hun album Sergeant Pepper uit. Ik laat een aanmeldformulier zien en krijg een groene sticker. Dat betekent rechts afslaan. Naar de prik van dokter Janssen. Ik moet door de tent lopen en op het stoeltje tegenover nummer 10 plaatsnemen. De mannen naast me zitten op gepaste afstand, op anderhalve meter.

Al anderhalf jaar duurt deze corona-aanval. Anderhalf jaar gijzelt het nanomonster de wereld. Nu gaan we hem terugpakken met zijn eigen stekelige pootjes. Ik werk op een school en hoop straks beschermd te zijn. Want in een klaslokaal vol klevende leerlingen ben ik een gewillig slachtoffer voor het virale beest. Tot nu toe is het hem nog niet gelukt mij te grazen te nemen. Vier keer heb ik me laten testen. Vier keer was het negatief. Was de vierde keer de laatste? Dat stokske in de keel en de andere kant in het neusgat? Prettig was het niet. Laten we hopen. Ik zal me corona ook herinneren van de onlinesessies met leerlingen en van de eenzame tochten begin dit jaar naar een school met een paar examenkandidaten. Overal waren de straten verlaten, de treinen leeg. Het was -hoe noemen ze dat?- unheimisch. Maar ik hoorde bij de vitale beroepers. Het was een vreemde, bizarre tijd, ook gevuld met protesten tegen vaccineren en tegen de lockdowns. Ik denk dat de overheid geen andere keuze had. De vijand was al binnen als het paard van Troje en we stonden met de rug tegen de muur.

Ik kijk bij de twee vrouwen naar binnen. Wanneer was de laatste keer dat ik een prik kreeg? Op de lagere school. Iedereen in een rijtje voor een man die niet aan hygiëne deed en doorrookte tijdens het prikken. Iedereen rookte toen overal. Hij stampte zijn duim in de ontsmettingsvloeistof en rochelde. Een kindje viel flauw. Dat was ook een vraag op het formulier. Valt u flauw van spuiten en prikken? Nee, ik denk het niet.

Ik mag binnenkomen. Twee jonge vrouwen. De een doet de boekhouding en de ander hanteert de spuit. Ze vraagt of ik gespannen ben. Dan is de arm vaak te strak. Nee, ik zeg dat ik geen stress heb. Ik heb alleen stress gehad van de rit hier naar toe. Ik was op de fiets. En toen ging de spoorbrug open. Voor een heel klein scheepje, zonder mast. Het duurde heel lang, de schipper had geen haast. De brugdelen zakten weer langzaam, maar het slagboompje ging niet open. Dat gaf mij de meeste stress. De juffrouw met de spuit moet hierom lachen. Ze zet de naald in de arm. Het duurt net zo lang als de openstaande brug, vind ik. Het is niet even erin en eruit. De vloeistof met de spikejes loopt naar binnen. Dag corona, ze gaan je slopen. Ze gaan je opvreten en vernietigen. Heerlijk.

 

Ik probeer mijn hemd aan te trekken, maar dat zit nog verkeerd om. De vrouw zegt er iets van. Ze zegt ook dat ik buiten mag wachten samen met de andere gelukkigen. Het is best gezellig in de tent. Een GGD medewerker houdt in de gaten of we niet van het plastic stoeltje rollen. Ik zie niemand onderuit gaan. Plotseling staat ereen bekend gezicht voor me. Een kennis van mijn zus. Ze helpt vrijwillig, ondersteunt de GGD-medewerkers in het prikcircus. Ze spreekt me aan en is vriendelijk. Het is wel prettig even te babbelen terwijl je wacht of je misschien out gaat. Maar ik neem aan dat een reactie krijgen op zo’n stof heel snel gaat. Ergens heb ik eens gelezen over een man die op een tennisbaan werd gestoken door een wesp. Hij ging direct neer. Zo’n shock gaat razendsnel, dus ik had al plat kunnen liggen, maar er gebeurt niets. Er snort voor de zekerheid een dokter rond. Ook gewapend met een spuit tegen de anafalactie. Maar de meeste mensen zijn niet allergisch, maar gaan down door de spanning. Een goed gesprek en een kopje koffie is het beste medicijn.

Een kwartier later ben ik nog steeds gezond en wandel naar buiten. De sfeer buiten de tent is beter. De mensen die daar rondlopen, lachen breder dan die in de rij. Maar betekent dit prikken nu het echte einde van de pandemie? Gaan we straks weer verder zoals we altijd deden?  Met drie zoenen op een verjaardag? Met handen schudden? Met stampen op een festival? Juichen bij een wedstrijd? En hoe snel zal corona vergeten zijn? En wat hebben we dan geleerd?

Ik weet het nog niet. Ik kijk wel uit naar het moment dat het mondlapje aan de wilgen kan worden gehangen. Ik vind het een vreselijk ding en ik ben er niet zeker van dat het helpt.

 

Mei 2021

vrijdag 7 mei 2021

Heerlijke appelmoes van Gerrit haring uit Amsterdam

 





Voor sjoerd,  Anja en Thijs

 

Appelmoes à la gerrit

Men neme: Elstar appels,

Bananen

Rozijnen

Mango  in stukjes

Kaneel

Deze ingrediënten bij elkaar

In pan met water

15 min laten koken

Daarna stampen  eet smakelijk

 

Gerrit

 

woensdag 5 mei 2021

Het bosuiltje





Mijn geliefde liet ik achter in onze boom en ik zweefde langs het late rode licht dat over de hoge takken gleed. Mijn oren bleven op de hoge snelheid van de glijvlucht naar de grond speuren naar het geringste geluid in de struiken, diep beneden mij. Ik moet toegeven dat het dit jaar een slecht muizenjaar is en dat het mij bezorgd maakt hoe ik mijn vrouw en takkelingen moet voeden.

Aan de rechterkant, aan de rand van het bos, hoorde ik een geritsel dat mijn bloed in vuur en vlam zette, omdat het zo goed als zeker van een klein knagertje moest zijn. Ik sloeg mijn vleugels naar beneden, alsof ik afzette tegen de lucht en steeg. Nu was ik een moment boven de boomtoppen. Ik gleed een stuk door en draaide naar rechts, om met de zon in de rug, mijn dodelijke stortvlucht te kunnen beginnen. Daar ging ik. Een ervaren jager, vleugels dichtgevouwen, blik op de muis. Hij kon niet ontsnappen.

De muis merkte niet dat mijn klauwen hem bliksemsnel opensneden. Het bloed spoot op mijn veren. De dood was een zucht, zonder enige spijt. Omhoog met het nog warme diertje, naar het ongeduldige, hongerige nest. Zonder zelf er iets van te eten. Een onbaatzuchtige moordenaar ben ik, maar het is zoals het is.

Toen ik weer hoogte had gewonnen en naar het allerlaatste licht vloog, merkte ik de boswezens op. Ze waren kleine, bewegende bomen, twee stuks. De een was denk ik een vrouwtje, want ze was kleiner en ze droeg iets in haar armen. De ander was het mannetje. Hij liep hard en had een tak in zijn hand die aan het uiteinde breed en plat uitliep. Ik maakte een rondje uit nieuwsgierigheid, op de thermiek die er nog was en zag ze stoppen. De man begon met de tak aarde weg te halen en hij was er erg druk mee bezig.

Ik hoorde de schrille roep van mijn vrouwtje. Ik riep terug en bemerkte meteen dat de de twee wandelbomen geschrokken omhoog keken en naar me wezen. De vrouw legde een pakje neer op de grond. Ik fladderde weg naar mijn nest en zag de vrouw en de takkelingen blij naar me kijken. Ze rukten de muis uit mijn klauwen en begonnen hem opgelucht  uit elkaar te trekken.

Ik vloog weer over de bomen, op zoek naar een verse muis. Maar mijn aandacht werd getrokken door een wezen tussen het gras. Het lag op de rug en de vier zachte pootjes spartelden. De twee bomen die het hadden neergelegd, waren weg. Ik streek langs het dier en ging zitten. Ik bekeek het aandachtig. Het had een zachte, naakte, roze huid. Als een pasgeboren muis. Maar dit schepsel hoorde hier niet in het bos. De grote ronde, blauwe ogen waren open en er stroomde water uit. Het maakte een oorverdovend geluid dat door mijn zenuwen knerste. Als ik niets zou doen, zou het sterven en de vossen en de kraaien zouden het opeten.  Maar wat moest ik doen? Ik had honger en ik moest eten halen voor mijn hongerige kroost. Als ik niet at, ging ik vannacht sterven, ik moest eten.

Ik vloog op en sprak mezelf moed in. Als ik eten kon vinden voor mij en mijn nageslacht, dan zou ik ook een oplossing kunnen bedenken voor het hulpeloze boompje. Ik steeg hoger en hoger. Het gekrijs duurde voort. Het galmde tegen de stammen van de bomen. Ik hoorde de eekhoorns en de egels klagen over het lawaai.

Zoals altijd in mijn leven, vond ik een uitweg uit ellende. Eerder in mijn leven werd mijn broedplaats onverwacht gekapt en kwam mijn eerste vrouw om het leven door een blikseminslag. Ik werd daar sterker van. Ik bleef uitkijken naar een nieuwe kans.

          In de struiken zag ik een glinstering. Het waren geen muizenogen. Het was het naakte vel van een wandelboom. Ik scheerde erover heen. Het waren twee wandelbomen in hun eerste huid. Ze maakten hijgende geluiden alsof ze moe waren. Ik kon ze laten schrikken. Dan zouden ze vluchten en de kleine boom snel ontdekken. Ik maakte me gereed voor de aanval.

          Ik vouwde mijn vleugels op en ongeveer een meter boven de grond stak ik ze uit om te remmen. Ik spreidde mijn klauwen en hakte ze in het ronde, dikke vlees van de grootste wandelboom. Ik hoorde hem gillen. De ander gilde ook. Ik vloog op. Ze riepen naar me. Ik steeg op. Draaide naar rechts, naar links. Ik zag ze rennen, zwaaiend met hun armen. Ze waren dicht bij de kleine boom. Ze stopten. Ze ontdekten de kleine. Ze krijsten nog harder. De kleinere boom rende terug naar de struiken. Hij had iets in zijn klauw en hield het tegen zijn oor. 

            Mijn leven was voorbij. Ik gleed dwarrelend naar beneden en kwam hard op de grond terecht. Ik legde mijn kop neer. Mijn ogen namen zeer veel blauwe lichten en bomen waar. De wandelbomen stonden allen in een cirkel om het gevonden diertje. Op mijn vlieghoogte draaide een enorm wezen met ronddraaiende takken en vol klaterend geluid als van een enorme regenbui.

           Was dat mijn vrouw naast me? Droomde ik? Het waren haar poten. Ze miste een klauwtje aan haar rechterpoot. Het moest haar zijn. Ze was het. Ze had een dikke rat in haar snavel. De darmen hingen uit zijn buik. Ze zei dat ik een hap moest nemen. ‘Eet maar mijn liefste,’ kraste ze.

   Ik deed het. Ik opende mijn snavel en ik nam een hap. Het sterkte me. Ik kon weer verder vliegen. Met veel moeite bewoog ik mijn vleugels. Ze plakten aan mijn lijf. Maar ik kon vliegen. Samen stegen we op. We zagen de wandelbomen de kleine boom inpakken. De blauwe lichten verdwenen . De twee naakte bomen zochten hun kleding. ‘Wat is daar aan de hand liefste?’ vroeg mijn vrouw bezorgd. Ik gaf geen antwoord en we landden op ons nest. We hoorden onze pluizenbolletjes hard piepen.

   De kleintjes waren dolblij met de rat, gevangen door hun trotse moeder. We aten en de zon kwam langzaam weer op boven het bos. De eeuwige zon zou ons verwarmen, het water laten verdampen en vallen voor het woud dat zou groeien en voedsel voor ons zou maken in de holen en struiken. Wij zouden de knagers vangen en zo de kringloop van het leven beheersen. Wij zouden onze jonkies nooit achter laten in het duister. We zouden ze leren vliegen en daarna vrijlaten om verderop hun eigen nest te beginnen.

En de wandelbomen zouden naar ons zoeken, maar hun ogen waren niet sterk, ze zouden moeite moeten doen en misschien zouden ze denken dat wij gemene dieren waren die hen aanvielen. Maar kwamen ze te dichtbij, dan zouden we onze roep door het bos jagen en ze zouden snel verdwijnen, want ze vonden ons angstaanjagend.

Gelukkig maar.  

 

 


zaterdag 3 april 2021

Zij (vertaling van het Nederlandse liedje She van Elvis Costello)

 

Zij   


Zij, is het gezicht dat naar me lacht,

geen enkele twijfel, maar vol  kracht,

mijn prijs, de schat, die ik omarm.

Zij zingt een lied in het avonduur,

mijn hart zal gloeien als een vuur,

zij weet  waar ik naar smacht,

en iedere nacht houdt ze me warm.

 

Zij, is de schoonheid en het beest ,

geliefde gast op ieder feest ,

ze tovert een hemel  uit haar mond.

Zij is de spiegel van mijn droom,

haar lach werpt steentjes in een stroom,

zij is niet altijd wat ze lijkt,

het stille water, diepe grond.

 

Zij, danst vrijdags in de kroeg,

van ‘s avonds laat tot ’s morgens vroeg,

maar niemand ziet haar ogen,

als ze huilt.

Zij, neuriet zacht achter het stuur,

het is nacht, bijna twaalf uur,

en ik lift mee

tot de dag dat ik sterf.

 

 

Zij, is de reden dat ik overleef,

en dat ik zonder klagen verder leef,

ik zorg voor haar

door brand en stormen heen.

Ik, ik neem haar lach en pak haar traan

en hou ze in mijn hand

en waar ze gaat daar zal ik staan,

Zij, is mijn oude zon, mijn nieuwe maan,

zij, zij.

 


Naar: She (Elvis Costello)

Vertaling:  Sjoerd van Berkel,  april 2021

 


maandag 22 maart 2021

My home is not always my castle


 

Gisteren schreef ik tijdens de studie over dyslexia (onderdeel masterprogramma) binnen twee minuten een gedicht. Ik zocht afleiding zeker. Vanmorgen stond het tot mijn verbazing op de pagina Alkmaardichtstad.nl. Hartstikke leuk. Ik moet eigenlijk vaker gedichten schrijven in twee minuten. Niet te lang over nadenken, hup, in die computer en verzenden, ha ha. De link naar de pagina is:


https://alkmaardichtstad.nl




Thuiszijn  en de thee alweer koud laten worden 

het badwater over de rand laten lekken  

en teveel  vis gegeten zodat er weinig ruimte is voor de Mexicaanse bonen 

dat zijn grote problemen van thuiszijn 

ook al die vervloekte mail checken en daarop willen reageren, want stel je voor  

dat ze me niet serieus nemen 

wat valt er te lachen?  

Ik droom regelmatig niet thuis te zijn maar in een slappe kroeg aan een bar te hangen 

naast me verwelkte theebloemen zo zacht met de prachtigste verhalen   

en dan zo hard te lachen dat we van de kruk storten 

en de ondernemer vraagt of we nog wat lusten  

maar nu is alles eenzaam   

alles is eenzaamheid 

dat thuiszijn waar je naar verlangt dat 65 plus verlangen  

dat is helemaal niks 

afschaffen dat pensioen ik werk door tot ik opnieuw 

van de kruk val. 

 

Sjoerd  21 maart 2021


zondag 7 februari 2021

Thuis na een nachtdienst: zuster Anja ploegt door de sneeuw

 



Vanmorgen kwam Anja thuis na een nachtdienst. Ze ploegde door de sneeuw met haar fiets, een mountainbike. Ze belde om 7.49 dat ze haar tocht van 4 kilometer ging beginnen. Ze deed er een uur over. Een uur in een sneeuwstorm bij een temperatuur onder nul. Ik maakte me wel enige zorgen. Gelukkig is ze nu thuis, en ik hoop dat haar collega’s van het ziekenhuis ook goed zijn thuisgekomen. Hierboven de foto van haar thuiskomst. Ze zegt dat ze geen kou heeft gevoeld. Maar ik heb me wel wat zorgen gemaakt over haar expeditie.