zaterdag 17 oktober 2026

De wegen terug Prompt Carola Janssen

 

Voor een creatief schrijven project maakte ik iedere dag een deel van een verhaal. Zonder AI uiteraard en zonder AI om raad te vragen. Dat doe ik nog steeds. Ik gebruik AI weleens voor een afbeelding, maar nooit voor een tekst. Het is veel te leuk om zelf te worstelen.  Ik adviseer iedereen: gebruik geen AI voor creatief schrijven!

De opdrachten kreeg ik, en vele anderen, van Carola Janssen. Van dit project is ook een boek gemaakt onder de titel: De wegen terug. Je kunt dit allemaal vinden op de website: www.prompt-schrijven.nl/over-ons

Ik heb de werktitel De wegen terug veranderd in: 


Een verstoorde droom

 

Op de berg

 

Ik ben gevallen. Dat moet wel, hoe kan het anders? Ik lig languit, op mijn buik, met mijn armen wijd gespreid, alsof ik een zonnegroet doe, maar dan plat op de aarde. Roodbruine aarde. Het is poederachtig en het zit in mijn neus, in mijn ogen, in mijn oren en in mijn haar.

Ik trek mijn armen in en duw me voorzichtig omhoog. Zo kom ik als een slang weer tot leven. Het kost me veel moeite. Hoe lang heb ik hier gelegen? Een dag, twee dagen, een week?

Rustig ademhalen. Ik bekijk mijn armen. Er zitten veel krassen op. Mijn handen zijn geschaafd. In de linker duim zit een diepe snee. Aan mijn rechter ringvinger draag ik een ring met een kleine blauwe steen. Heb ik zo’n ring gekocht, gekregen? Ik kan me daar niets van  herinneren.                                                                                                                                                                                                                        

Ik draag een donkere broek, een jeans. In de linker zak zit een briefje, in de rechter een foto van een onbekend stel. Een man en een vrouw, ik ken ze niet. Ze zoenen elkaar. Ik heb een groen T-shirt aan, met een palmboom erop. Mijn schoenen zijn rode sneakers met drie witte strepen.                                                                                                                                                                                    

Mijn haar is kort, net tot op mijn schouders, het is blond en pluizig. En ik heb borsten, ze zijn behoorlijk groot.

Wat een ontwaken. Ik weet mijn naam niet. Wie ben ik? Als ik blijf, komt het allemaal wel weer naar boven.

 

Ik ben boven op een berg. De hoogte neemt mijn adem weg. Zeker honderden meters beneden me, zie ik een prachtig landschap met hier en daar struiken en bomen. De bodem heeft een roodbruine kleur. Het zou een savanne kunnen zijn. Ik meen beweging te zien, dieren die van links naar rechts bewegen, in een traag tempo. De lucht trilt, stof dwarrelt over het landschap.

Wat doe ik hier op deze berg, in deze prachtige natuur? En waarom heb ik een bult op mijn hoofd die erg zeer doet?

Naast me zie ik een roze rugzak staan. Is die van mij?

 

Zeven mannen

 

Net als ik de rugzak wil pakken, hoor ik geluid. Stemmen. Stemmen van mannen. Dit kan goed nieuws zijn maar ook slecht nieuws. Ik kan me niet verstoppen en als het kon, ik heb geen tijd, ze zijn er al. Ze staan aan mijn voeten. Ik kan me niet verdedigen. Ik tel er in een flits zeven. Zeven mannen. Daar begin je als vrouw niets tegen. Ik kan gaan schreeuwen, maar niemand zal me horen. Dit moet wel mijn einde zijn, al weet ik niet eens wie ik ben. Misschien zitten er papieren in de rugzak. De mannen  kijken me rustig aan. Ze lijken niet veel van plan te zijn. De langste, een magere vent met een spijkerjasje en lang donker haar, neemt het woord. ‘Hee, ho,’ zegt hij.

‘Hoi,’ zeg ik terug.

‘Eh, wij zijn: Tonnie, Tommie, Teun, Toon, Tylor, Tygo en Tikkel.’

‘O, dat is fijn, ik ben eh, ik weet niet wie ik ben.’

De magere man graaft met zijn schoen in het zand. Het valt me op dat de mannen erg jong zijn en dat ze erg verschillen. Er is een kleine, ronde bij, een die er wijs uitziet en een die het midden houdt tussen een clown en een gek. Hij draait raar met zijn ogen. ‘Gadver de gadver!’ vloekt hij. ‘Weg kwijt, weg kwijt!’

‘Stil, Tonnie,’ zegt de spreker. ‘Mevrouw, u weet niet wie u bent, wij weten echter niet waar wij zijn. Onze begeleiders Kees en Joep zijn we kwijtgeraakt, of zij ons. Wij zijn een jongerenproject. In deze tocht moeten wij ons zelf ontdekken en terugvinden. De weg terugvinden, zeg maar, ook letterlijk.’

Ik leun achterover. Denkt hij nu echt dat ik de weg weet?

‘Ik weet het ook niet,’ zeg ik. ‘Ik weet niet wie ik ben en ik weet de weg ook niet.’

De mannen gaan erbij zitten. Als ze een telefoon hebben, kunnen we de begeleiders bellen.

‘Hebben jullie telefoons?’ vraag ik.

‘Ja,’ zegt de stoerste. Hij draagt geen hemd, is gespierd en hij kijkt me niet aan. ‘Maar er is hier nergens bereik.’

Dat is een hopeloze zaak. We moeten water hebben, schiet er door mijn hoofd. Water en eten. Maar eerst water. Hoe laat is het? De zon staat recht boven ons.

  

Naar beneden

 

‘Wie heeft er water bij zich?’ vraag ik zonder iemand aan te kijken. Drie mannen mompelen iets, dit is geen zeker geen praatgroep. Een van de jongens snijdt met een mes in een stuk hout. Hij heeft norse trekken op zijn gezicht en hij kijkt me niet aan. Hij draagt een rode zakdoek om zijn nek en hij ziet er bezweet uit. De rest is  ook niet fris.

De conclusie op mijn vraag is: niemand heeft water. Dat schiet lekker op. De jongen met het mes wijst op een houten paal waaraan een halfvergaan bord is getimmerd. Er staat een rode pijl op geschilderd die naar links wijst. “Montassou”  lees ik. ‘Weet iemand van jullie wat dat is?’ vraag ik. Weer geen antwoord. Ik denk dat ik met deze mannen geen oorlog ga winnen, maar ze zijn natuurlijk niet voor niets een jongerenproject.

‘We gaan die kant,’  wijs ik. Ik neem een enorm risico deze jongelui mee op sleeptouw te nemen.

Ik ga voorop. De heren volgen. De magere man als eerste achter me. Als laatste die bijzondere die maar door blijft vloeken. Daartussen vijf anderen.

De chagrijnige met het mes en dan nog vier speciale types: een met een hele zachte dromerige uitstraling, een die heel ziek oogt, met een druipneus, een die stoer maar niet al te slim lijkt en een die ongelofelijk veel begint te praten. En ten slotte nog een die zich afzondert van de groep.

We gaan het pad af en hij houdt niet meer op met kwekken. Over alles heeft hij een mening.

‘Hee, ho!’ zingt de magere.

‘Doorlopen!’ roep ik. We stappen over het pad. Om ons heen geen enkele boom, alleen het stof  van de weg dat in je haar, op je huid en in je oren blijft plakken.

‘Ik heb hier geen trek meer in, wijffie,’ zegt de chagrijnige.

‘Het zal allemaal goed komen,’ zegt de dromer.

‘Ik ben allergisch voor stof!’ jammert de zieke.

‘Ik wil een bizon vangen,’ zegt de stoere, ‘met m’n blote handen.’

‘Ik ga hier foto’s maken en die ga ik verkopen,’ zegt de prater.

‘Ik hoor niet bij,’ zegt de achterblijver. ‘Ik ga de andere kant uit.’

‘Je blijft hier!’ zeg ik. Hij schrikt, aarzelt, gaat dan weer mee in de paradepas.

Ik zie een riviertje, of een meertje, het kan een luchtspiegeling zijn. Het is hier bloedheet en we zijn allemaal uitgedroogd.

De stoffige weg loopt in kringen rond de kale roodbruine berg. Op die berg is verder niemand. Behalve een paar grote grijze gieren, met kale koppen, zijn er  geen dieren.

Terwijl we naar beneden gaan, bedenk ik tegelwijsheden die ik bij thuiskomst op een tegel laat zetten: “Geen nood, altijd water in de sloot.” En: “Veel stof, schiet niet uit je slof!”  En: “Wilt u op safari, spreek dan af  met een kanarie.”

Ik roep de wijsheden ook naar achteren, maar ze kunnen er niet om lachen.

Dan zijn we bijna aan de voet van de berg. Daar stroomt een riviertje.

Het kan niet waar zijn.

Dit kan niet waar zijn.

 Toch is het zo, links ligt het riviertje. Rechts staat weer een bordje met een pijl naar “Montassou”, wat het ook mag zijn. ‘Kom op jongens!’ roep ik.

We duiken in het water, behalve de achterblijver. Hij blijft als een lantaarnpaal staan op zijn plek.

Het water is heerlijk koel en  helder. Ik heb mijn kleren aangehouden. Het zand spoelt weg van mijn lijf.

Ik kom het water uit met de magere. ‘Ik ben Tommie,’ zegt hij, ‘hier is een spiegel.’ Hij geeft me een spiegel en ik kijk met grote verbazing naar mezelf. Ben ik dat? In het glas zie ik een oogverblindende schoonheid. Een prachtige witte huid, hazelnootbruine ogen, een welgevormde mond. Lang, weelderig, ravenzwart haar. Het is niet te geloven, ik ben een fotomodel?  Tommie kijkt me aan. Ik ga ook een tegel  maken met een tekst die gaat over leiderschap. Iets van: “Ik dacht het niet vaak, maar ik ben een geboren leiderschaap.”

 

‘We moeten water verzamelen!’ roep ik naar de spartelende massa.

 

 In het bos, in het bos

 

Ik hoor geluid om me heen. Vogeltjes. Ik  lig in een huis. Op een bed. Een  houten huisje. Het is hier prachtig. Mooie houten vloer. Gordijnen met een blokjesmotief in wit en rood. Een houten tafel met gele appeltjes erop. Maar netjes is het niet. Overal slingert kleding. Op de houten wand, naast de koekoeksklok een Playboy poster. Op de bank een petje met daarop de naam van Max Verstappen. Op de kussens bierviltjes en aanstekers. En op het aanrecht een vaat met  zeven vuile borden. Het ruikt hier muf. Ik open een deur. Hee, een grote slaapkamer. Met zeven bedden. En ik huiver want ik sta op een condoom.

Dat is gek. Ik was op een berg, ontmoette zeven mannen en nu word ik wakker in een huis met zeven bedden. Ik ga terug en open een andere deur. Een bos! Ik sta in een bos! Hoe kan dat? Ik was nog niet lang geleden in een woestijn!

Ik weet zeker dat het een trip is. Misschien door het gebruik van een paddenstoel, of GHB of LSD. Maar hoe heb ik dat dan binnengekregen? Ik kan me daar niets van herinneren. Ik kam me sowieso niets herinneren. Hoe zou ik heten? Wie waren mijn ouders? Ik voel me verdrietig worden en hulpeloos.

Terwijl een frisse lucht het huisje binnenwaait, begin ik met afwassen en opruimen. Ineens denk ik aan mijn tas. De rugzak. Zou daar iets in zitten? Ik open de tas. ‘Hallo!’ hoor ik een stem achter me zeggen.

 

 

De peuter

 

Ik draai me om, maar ik zie niemand. Ik stap het huisje uit, ik ben nieuwsgierig. Ik moet eerst wat gras over, daarna langs een hek en dan ben ik in het bos. Een eekhoorn draait om een boomstam. Het regent zacht. Mist tussen de bomen.

Ik hoor iets. Ik sta stil. Het geluid van kettingzagen. Hakgeluiden. Geroep van mannen. Het zouden mijn mannen kunnen zijn, maar ook net zo goed niet. Het kan gevaarlijk voor me zijn. Ik moet terug. Zachtjes.

‘Hu hu,’ hoor ik links van me.

Ik sta stil, opnieuw. Ik pak een stok. Ik zal me verdedigen.

Uit de bosjes, langs varens en brandnetels stapt een kind tevoorschijn. Ik schat dat het een jaar of vijf oud is. Het heeft een rond gezicht en het kijkt heel angstig naar me. Het draagt een hoed, een steek, net als Napoleon. Ook het pak lijkt op dat van de generaal. Een militair uniform, met een lange rode jas. Het kind houdt een hand onder zijn blauwe vest, op zijn borst, ook als Bonaparte.

‘Hallo!’ zeg ik zo vriendelijk mogelijk.

‘Hu hu,’ zegt het kind.

‘Wie ben jij?’ ik klink heel zacht.

‘Hu hu.’

Ik streel hem met een vinger over zijn wang en voel medelijden. Wat is nu het beste?

Ik kies voor teruggaan naar het huisje, met het kind, ik wil hem hier niet achterlaten. Ik pak zijn hand en trek hem mee.

Maar dan begint hij zich te verzetten. Hij probeert me te bijten en ik laat hem los, ik ben hevig geschrokken.

Ik ren door het bos naar het huis. En tot mijn ontzetting rent de kleuter achter me aan. Hij probeert mijn linker kuit te pakken en zijn tanden erin te zetten. Ik wil hem niet slaan, dus duw ik hem weg. Ik ren steeds harder. Het kind rent ongelofelijk hard voor een kleuter en werpt dingen naar me, die langs me vliegen. Misschien zijn het stenen. 

Ik schiet het huis in en werp de deur dicht. Er zitten schuifsloten op. Ik ram ze dicht. Ik hoor de kleuter op de deur beuken.

Ik hol naar de slaapkamer en verstop me onder een bed. Ik beleef een angstig uur. Dan hoor ik iemand roepen: ‘Hee ho! Doe de deur open!’ Ik herken de stem, die is van de magere jongen. Ik kom tevoorschijn en weet niet of ik dit kan vertrouwen. Heel voorzichtig ga ik naar de deur. Daar staat de magere jongen. Achter hem de zes andere jongens. Ze staan schaapachtig naar me te kijken. Twee van hen houden de “terreurkleuter” vast bij zijn armpje.

 

 

 Is er nog hoop?

 

‘Hee, ho!’ zegt de magere Tommie, ‘alles goed?’                                                                           

‘Wat doe jij in ons huis?’ zegt de chagrijnige Tonnie.

‘Wel leuk, een vrouw in huis,’ zegt  Tun de dromer.                     

‘Ik ben allergisch voor vrouwen,’ jammert de zieke Toon.                   

‘Ik vind  het prima,’ zegt de stoere Tylor, ‘ze ziet er heerlijk uit.’                

‘Ik ga foto’s van haar maken en die ga ik verkopen,’ zegt Tygo.

‘Ik hoor hier niet,’ zegt Tikkel, ‘ik wil weg.’

‘Hee, ho,’ zegt Tommie, ‘we hebben Nappie gevangen. En nu moet hij weg. De eerste nacht dat we hier waren, probeerde hij ons te vergiftigen met een giftige banaan. En

hij heeft onze begeleiders Kees en Joep ook weggemaakt, misschien zijn ze wel dood.’

‘Heet hij Nappie?’ Ik wijs naar het kereltje dat, tussen Tylor en Tygo in, tegenspartelt.

‘Nee,’ zegt Tikkel. ‘Maar hij is een eikel. Als hij hier blijft, gaan we eraan.’

‘Zeker,’  zegt  Tommie. ‘Hij is een gevaarlijk ventje. Ik weet niet waar hij vandaan komt, maar hij is niet goed wijs. Dit huis heet “Montassou”, dat betekent: “veilige haven,” nou, dat kun je wel vergeten. We moeten hier weg.’

Ik vind dat wel jammer, want het is een leuk vakantiehuis in het bos. Maar deze “kleine generaal” is net als de echte pas verslagen als hij op een eiland ver weg zit.

We gaan het bos in. Ik stop alles wat ik aan eten en drinken kan vinden, in de rugzak. Dat zijn appels, broodjes, pinda’s, crackers. En een paar flessen water. We lopen over het pad. Het plan is om de kleuter op “Verloren Eiland” achter te laten. Daar zijn volgens Tommie mensen die hem op zullen vangen. Maar hij kan er niet zomaar af.  “Verloren Eiland” ligt naar het noorden. Ongeveer een halve dag lopen.

Ik vraag Tommie wat ze eigenlijk hebben uitgevoerd vandaag. Hij zegt dat ze bomen hebben omgehakt en versleept. Het was moeilijk om de groep bij elkaar te houden, vanwege het gebrek aan leiding.

We lopen, het bospad is zwaar, het heeft geregend. Wat doe ik hier? Ik wil niet meer. Ik kijk op het kompas. We lopen niet goed, veel te westelijk. Ik sta stil. Ik zeg tegen Tommie dat we zo niet naar het noorden lopen. Hij gelooft me niet. Hij zegt dat mijn kompas niet goed werkt op het zuidelijk halfrond. De declinatie is dan te groot. Daarvoor is een speciaal kompas nodig. Lekker dan.

 Ik kan nu de keuze maken deze groep alleen te laten lopen en zelf bij het volgende pad rechtsaf te gaan. Maar ik doe dat niet. Ik zie het eigenlijk helemaal niet meer zitten en dat zeg ik ook tegen de mannen. Ik wil zo snel mogelijk naar huis. Ze kijken me schaapachtig aan. ‘Zeg dan maar hoe we gaan,’ zegt Tygo. De anderen knikken. We kiezen een pad dat naar rechts kronkelt, ik kies het op het gevoel en ik loop altijd wel goed op mijn intuïtie. Toch voel ik me moedeloos.  Ik heb ook wat flarden van mijn geheugen terug en ik heb een vermoeden wat er met me is gebeurd.

 

 

 

 

De rivier

 

We moeten over een rivier via een smal touwbruggetje. Daarom moet Nappie worden losgelaten. Ik ga voorop. De brug hangt ongeveer tien meter boven de rivier. Het is wiebelig, het is doodeng. Als je valt, ben je de sigaar. De rivier is vol stenen en zal je verzwelgen en je botten breken. Voetje voor voetje schuifelen we. En na ongeveer tien minuten, als ik verstijfd bijna aan de overkant ben, zie ik iets voorbijvliegen, het is Nap. Hij is de brug afgesprongen, ik zie hem in het water ploffen. De stroom neemt hem mee. Maar dit wezen kan  niet verdrinken. Hij glijdt naar een steen, klimt erop en springt op de oever. Hij verdwijnt in de struiken.

Wij zoeken hem daar even later. We vinden hem niet, wel een natte kaart met daarop de omgeving. En hoewel die kaart verkreukeld is, ben ik erg blij.

‘Het is de kaart van Joep,’ zegt Tommie.

 

Hulp

Met de kaart komen we een aardig eind in het bos. Het is een loofbos, zoals die in West-Europa. Misschien zijn we in de Ardennen. Maar het wordt donker. We moeten stoppen, rusten en een vuur maken.

Dat hoef ik maar een keer te zeggen tegen  deze jongens. Ze weten precies hoe dat moet.

Als het vuur brandt, eten we de laatste zaken uit mijn rugzak. In de rugzak zit een trui, een paar slippers en een portemonnee. Daar hebben we hier niks aan. Maar er zit ook een witte, ronde steen in. Ik wrijf met mijn duim erover en voel warmte door mijn hand stromen. Ik word slaperig.

Langzaam zak ik opzij en rust op de ruwe bosgrond.

Als ik wakker word, zijn de mannen verdwenen. Ik ben alleen, en sta op een toren. Een witte toren. Het is warm en ik kijk uit over een prachtige, blauwe zee. Ik draag een paarse, lange jurk en sandalen. Ik heb geen idee waar ik nu ben, maar dit lijkt op de Middellandse zee. Het is een adembenemend uitzicht. Er varen zeilschepen tot zover je kunt zien. Wat een geluk hier te mogen staan, met een zachte wind over mijn schouders.

Ik hoor iemand naar me roepen. ‘Catherina!’

Heet ik zo?

Het is een man. Hij is niet groot, een jaar of dertig, met een klein baardje en rood haar.

‘Catherina, eindelijk heb ik je gevonden. Ik ben Cotillo. Ik kom je helpen. Ik zeg dit maar een keer: ga naar herberg De Zwaan. Daar zullen ze je verder helpen. Zet Nappie daar af.’

‘Nappie?’ Ik ben oprecht verbaasd. ‘Die is toch verdwenen in het bos.’

‘Hij staat achter je.’

Ik kijk achter me en daar staat de ellendeling. Hij kijkt me spottend aan.

‘Het is maar een klein stukje. Ga eerst naar de Hemelbrug, spring daarvan af en je zult snel bij de herberg zijn. ‘

‘Ik wil eerst weten wat dit te betekenen heeft? Ik wil uitleg. Wat is er aan de hand?’

‘Lastig, maar om kort te zijn: je bent deelnemer in een slaapexperiment. Weet je dat nog?’

Ik knik ontkennend.

‘Goed, je  doet daaraan mee en je bent op dit moment in slaap. Maar dat weet jij niet. Jij droomt. Echter, wij hebben een storing in de droommeting app. Dat is de app waarmee we jouw dromen kunnen zien. Het lijkt erop dat we zijn gehackt en daarom spring je steeds van droom naar droom.’

‘Maar me dan wakker!’ roep ik boos.

‘Dat gaat niet zomaar, de app stuurt ook de duur van de slaap aan. De droommeter en de slaapduurverzorger zijn gekoppeld. Maar we doen ons best, je zo snel mogelijk te bevrijden. Ik moet nu gaan. Doe wat ik zeg, we leiden je langs de laatste dromen.’

Ik doe wat hij zegt, we gaan de toren af, duizend treden. We rennen de brug op, een stalen, modernistisch geval en springen ervan af. Nappie is niet een keer lastig. Het water voert ons met de stroom mee naar lage gelegen gebieden. We klimmen uit het water en staan op een modern stedelijk zandstrand. Aan de horizon staan flatgebouwen. Is dit Almere? Daar is een paviljoen. Herberg ‘de Zwaan’  staat op het hout geverfd.  

 

 

 

 

 

Licht

In de herberg krijgen we een eenvoudige kamer, het lijkt meer op een kloostercel. Vier bedden op een rij, een wc’tje, een wastafel en een hoog raam.

Op de bedden zitten twee mannen. De een draagt een leren jasje, de ander een hemd zonder mouwen.

Ze stellen zich voor: ‘Kees en Joep.’ Dus dit zijn de kerels die verdwaald waren. Ze zijn al behoorlijk op weg naar een AOW-regeling. Een bierbuik, dun haar, vermoeide ogen. ‘Hallo,’ zeg ik, ‘ik ben Catherina, al weet ik dat niet zeker.’

‘Wij weten het ook niet, we springen steeds naar een andere tijd en een andere plaats. Om gek van te worden. We begeleidden een groep jongeren. Die zijn we kwijt. Echt een ramp. Ze kunnen dolle dingen doen, er zit een vechtersbaas bij, een jongen die graag fik steekt en een jongen die… nee, dat ga ik niet zeggen.’

‘Ik heb die jongens gezien,’ zeg ik.

‘Waar?’

‘Ergens in een bos.’

‘Waar zijn ze?’

‘Geen idee.’

‘Daar schieten we niet mee op. En hij is er ook?’ Hij wijst op Nap.

‘Ja, maar hij is rustig.’

‘Echt? Wat een lastpak. Heeft al onze spullen in het water gegooid.’

Ik ga op het bed zitten.

‘Ik wil naar huis!’ En plotseling smijt ik mijn schoen door de logeerkamer.

‘Rustig maar!’ zeggen de mannen door elkaar.

‘We moeten een plan maken om hier weg te komen.’

‘Hoe dan? We worden steeds naar een andere plek gebracht. Maar ik weet dit: heft heeft allemaal te maken met een slaapexperiment dat niet lekker loopt.’

‘Jij slaapt?’

‘Jullie ook.’

‘Echt?’

Ik loop rond, ik ben zenuwachtig. Ik kijk in mijn jaszak. Daar zit het briefje nog altijd. Ik pak het, frummel ermee. Er staan letters op dat papier die het woord: “Schijnogen”  vormen.

‘Schijnogen,’ herhaalt de man met het leren jasje.

‘Schijnogen,’ moppert de man met het hemd zonder mouwen.

‘Je moet schijnen,’ zegt Nappie.

‘Shinen?’

‘Nee, dat is iets anders. “Schijnen” wil zeggen: “in je ogen schijnen”. Daardoor word je biologische klok geactiveerd, volgens het circadiaanse ritme.’

‘En dus?’

‘Je wordt wakker. Van licht in je ogen word je wakker. We hebben daglicht nodig.’

‘Het is hier donker.’

‘Briljant Nap!’ roep ik. ‘Dat is de oplossing!’

 

  

Slapen als een roosje

Mijn man Tom kamt zijn haar en kijkt aandachtig in de spiegel. Zijn haar krijgt gescheiden rijbanen.  ‘Ik ga naar Turkije,’ zegt hij, ‘haartransplantatie.’  Ik streel zijn schouders. ‘Je bent zo ook wel mooi, hoor,’ zeg ik. In dezelfde spiegel zie ik dat ik niet meer zo knap ben als in mijn slaap. Ik zie wallen, rimpels, grijs, dof haar, een slappe mond, een onderkin. Maar mijn ogen zijn nog wel mooi, donkerblauw.

‘Toch doe ik het,’ zegt  hij, ‘zo’n kale kop is niks voor mij.’

‘Ik vind het wel stoer staan.’

Buiten dwarrelt sneeuw op het grasveld. Een roodborstje hapt naar eten. Ik heb geslapen, heel lang geslapen. Tijdens het experiment stokte de apparatuur. De dokters waren me kwijt. Hersenactiviteit was onmeetbaar, leefde ik nog? Er was een trage hartslag. Dr. Robert heeft zijn excuses aangeboden. Zijn doel was een alternatief onderzoek naar mijn slapeloosheid te doen. Maar hij heeft te veel risico, er loopt een klacht van mij tegen het slaaplaboratorium.

Een onbekende figuur in mijn sprookjeswereld heeft me gered. Een zeer kleine man in een Napoleonkostuum. Een figurant in een toneelstuk. Maar wel met een goed idee. Met een zaklamp waaruit daglicht werd geproduceerd, -ik heb zelf thuis ook een lamp, een daglichtlamp, maar dan veel groter-, scheen hij in mijn ogen en door dat blauwe licht werd ik wakker. Het licht maakte in mijn lichaam de juiste stoffen aan, precies zoals dat elke dag gebeurt zonder dat je het in de gaten hebt.

Zo ben ik uit de cel en uit de herberg gestapt. Ik was buiten, in een vreemde stad. Ik pakte mijn telefoon en het apparaat functioneerde zonder enige moeite. Ik belde Tom. Hij kon mijn locatie zien. Ik bleek ongeveer honderd kilometer van het slaaplab te zijn.

‘Fuck, hoe kan dit!’ riep hij.

Ik voelde me direct genezen. Ok, het was een bad trip, zoals ik weleens had gehad in mijn studententijd, toen een kamergenoot mij een paar roze pillen had gegeven.

In de auto zei ik niet veel. Aan de horizon verscheen een voetbalstadion.

‘Ik werd gebeld door  dokter Robert,’ zei Tom, ‘hij zei dat de slaapcomputer niet werkte en dat je waarschijnlijk nooit meer terug zou komen.’

Ik knikte schaapachtig.

‘Ik ben er kapot van geweest. Schat, ik ben zo blij dat je terug bent.’

Ik vertelde hem niet wat ik had meegemaakt. Ik ben nieuwsgierig naar de twee mannen Joep en Kees. Zij zouden echt kunnen bestaan. Dr. Robert wil hun adres niet geven. Privacy. De zeven jongens bestaan niet, daar ben ik zeker van.

Ik lees nu veel over mensen die enige tijd dood zijn geweest. Ik zie overeenkomsten. Net als veel van deze mensen, zie ik het leven nu niet zo dwingend meer. Het komt zoals het komt. Veel spanningen die ik had – en waardoor ik de slaap niet kon vatten- zijn weggevlogen. Opgelost. Kleding, mode? Het boeit me niet meer. Ik loop het liefst in een joggingbroek, mijn haar los, zonder make-up.

Naast Tom slaap ik als een roosje.  

 

 

 


donderdag 15 oktober 2026

Verder bloggen


Vandaag was ik in de Albert Heijn en keek naar de gevolgen van de cybercrisis. Ik zag wel wat lege schappen. Wat er nu precies is gebeurd, blijft een raadsel. Maar ik vraag me af, zouden mensen nu iets bewuster nadenken over het voedselsysteem? Dat er een kwetsbare plek is? Dat het tijd is voor een eigen moestuin en een vriezer?







 

    

Boek De danser en de Ui gepubliceerd

 



Op 2 oktober is het boek De danser en de Ui  gepubliceerd. Maar ik heb al lang begrepen dat een boek niet zichzelf verkoopt. Dus ben ik naar de lokale Readshop gegaan en heb gevraagd of een aantal boeken in consignatie mogen worden gegeven. Dat mocht. Verder ben ik bezig een boekpresentatie te organiseren. Dat wordt vast gezellig.  

maandag 28 september 2026

De danser en de ui


                   Binnenkort komt dit boek boven water!

zaterdag 5 september 2026

Vanaf 18 september is mijn boek De Danser en de Ui verkrijgbaar via uitgeverij Boekscout

 


       Vanaf 18 september is mijn boek De Danser en de Ui verkrijgbaar via uitgeverij Boekscout