Vanaf 18 september is mijn boek De Danser en de Ui verkrijgbaar via uitgeverij Boekscout
Op twee oktober zal mijn nieuwe boek, De Danser en de Ui, uitgebracht worden door uitgeverij Boekscout. Het wordt een prachtige verzameling korte en langere verhalen die je met plezier kunt lezen in de herfst.
De schrijfster Leontine Wagter verwoordt het als volgt:
'Sjoerd van Berkel voert ons in zijn verhalen op sprankelende wijze mee naar een woud van sprookjes.
Zijn stijl is die van het oude volksverhaal,
gevuld met levenswijsheid. Hierbij spelen dieren soms een rol maar vaak ook
mensen. Er wordt regelmatig maatschappelijk onrecht en persoonlijk leed aan de
kaak gesteld. Soms krijgen we een kijkje in een ontroerende herinnering, een
andere keer verdienen feest – en herdenkingsdagen de aandacht, of een bekend
figuur uit een regio of een land uit vroeger tijden.
Met verfijnde humor en op speelse en soepele
wijze leidt hij de lezer door bergen en dalen en langs grillige – soms ook
grimmige- bochten, waarbij het verhaal tot verrassende wendingen komt. Het
verveelt geen moment.
De verhalen van Sjoerd van Berkel zijn geschreven in heldere stijl en zijn voor iedere lezer toegankelijk. Veelal worden ze begeleid met fraaie schilderkunst en foto’s.
Heerlijk om te lezen voor ’s avonds op de bank
of voor in bed. En leest u vooral hoe door de lucht van de ui er buitengewone
prestaties worden verricht!'
Speciaal voor de omslag van deze uitgave heeft de bekende tekenaar J.G. Bouwhuis een tekening gemaakt die werkelijk prachtig is maar nog even geheim moet blijven.
Nog 78 dagen en dan gaat deze danser uitgebracht worden!
Ik speelde eens met mijn absurde theatergroep Fruit, in een villa, ergens in het Gooi. De ceo's wilden weleens iets anders. In een kamer als een kathedraal zongen wij onze rare komische liederen. Het gezelschap hoorde het in stilte aan. Soms hoorde je een grinnik.
Maar na ons laatste nummer, dat over een zwaan ging, verschoof er iets. Een keurige dame pakte een accordeon en begon te zingen. Er was iets losgemaakt. Er werd gezongen, volksliedjes, door mensen die stof en spinrag in hun keel hadden. De noblesse gedroeg zich of ze in café Nol stonden. Ik keek er naar, pakte de envelop, ging naar boven om de gitaar in te pakken en toen ik beneden kwam was iedereen weer even ijzig en lijzig als voorheen.
'Normaal doen we elke maand een strijkje,' grijnsde de voorzitter.
Mijnheer Oplawaai en de paniekaanvalclown
Op het veld zag hij een kleurige clown. Grote
flapschoenen, rode neus. Mijnheer Oplawaai was bang voor clowns. Dat had hij
opgelopen in zijn jeugd. Een clown had hem toen achternagezeten met een mes.
Door in een steeg te duiken, ontkwam hij aan de kinderkiller.
Mijnheer Oplawaai wist wel dat hij een rare angst had,
maar het overviel hem toch. Hij bleef verstijfd staan. En dat deed de clown
ook. De clown stond als een lantaarnpaal op het veld met de handen tegen zijn
oren.
Plotseling rende de artiest een rondje over het gras en
verdween via een trapje in een moderne camper. Mijnheer Oplawaai aarzelde. Hij
had een nieuwsgierigheid die hem voortdreef. Hij zag de deur openstaan. Hij
naderde voorzichtig en kon de clown zien liggen.
‘Kan ik u helpen?’ riep mijnheer Oplawaai. De clown gaf
geen antwoord. Mijnheer Oplawaai kwam dichterbij.
‘Het gaat niet meer,’ jammerde de clown. ‘Ik kan het niet
meer.’
Mijnheer Oplawaai zei niets. Dat had hij geleerd in zijn
lange leven. Het is beter te luisteren naar de klachten.
‘Ik wil de piste in, maar ik heb paniekaanvallen.’ Hij smeet zijn rode neus door de wagen en
stampte op de vloer. ‘Ik tril, ik zweet, ik val flauw als ik aan publiek denk.’
Mijnheer Oplawaai pakte de rode neus en keek rond in de
ruimte. Het was eenvoudig ingericht. Niets aan het interieur deed denken aan
het circusleven.
‘Misschien moet u een glaasje water nemen,’ zei hij. Hij
wist dat dat nergens op sloeg, maar kon geen betere woorden bedenken. Wat zeg
je tegen een clown die in een crisis verkeert?
‘De voorstelling begint over vijftien minuten,’ zei de
radeloze man. Hij pauzeerde en keek toen mijnheer Oplawaai lang aan. Met een
bevende arm wees hij naar hem en zei: ‘U moet gaan, u moet die piste in, doe
het voor mij!’
Mijnheer Oplawaai schudde zijn hoofd. ‘Ik ben
boekhouder,’ zei hij. ‘Om mij wordt nooit gelachen. Ik lever bestanden en
daarna hoor ik nooit iets van iemand. Maar dat is mijn werk. Het is
onzichtbaar.’
‘Dat wil ik ook!’ schreeuwde de clown. ‘Dat wil ik ook!
Hoe word je dat, dat eh, boekhouwer?’
‘Wel,’ zei mijnheer Oplawaai. ‘Je moet allereerst goed
kunnen rekenen, kunt u dat?”
‘Met de computer kan het,’ zei de man en hij wreef over
zijn voorhoofd. ‘En sjetsjiepietie.’
Daar had mijnheer Oplawaai van gehoord. Hij staarde
weemoedig naar buiten door de kleine ramen. Hij zag een man bij de grenzen van
het terrein staan, met een grote, bruine zak in zijn hand. De zak bobbelde
raar, zag hij. Even aarzelde de man. Hij was een jongeman met glimmende rode
sportschoenen en een paarse campingsmoking. Zijn haar was lang, blond en
vlassig. In zijn rechteroor droeg hij een grote zilveren ring. ‘Dat zal je
schoonzoon zijn,’ dacht mijnheer Oplawaai en hij besefte dat hij in hokjes
dacht. Misschien was de man wel aardig. In ieder geval wierp hij de zak in de
sloot en rende weg. Dat wegrennen maakte mijnheer Oplawaai argwanend. Hij zei:
‘Ogenblikje,’ tegen
de clown en daalde het trappetje af. De zak dreef nog in
het water. Er kwam geluid uit. Een scherp piepen, als van een remmende auto. Tien
seconden later was hij bij de sloot.
Nu bekroop hem de angst dat er misschien een hoofd in zou
zitten, of ledematen. Zoiets had hij weleens gezien in een misdaadprogramma.
Daarom opende hij met trillende handen de zak, door het touw dat eraan vastzat,
los te maken.
Tot zijn verrassing zat er iets heel anders in.
‘Wat bent u aan het doen?’ de clown stond achter hem.
Mijnheer Oplawaai toonde de diertjes. Twee cyperse katjes.
Drijfnat en hysterisch maaiend met hun pootjes.
‘Wat is dat?’ wees de clown.
‘Kat,’ zei de boekhouder. ‘U heeft weleens een kat
gezien?’
De clown nam de poesjes over die zich heftig verzetten.
‘Wie doet nu zoiets?’
Mijnheer Oplawaai
en de clown zaten in de woonwagen. De directeur van het circus was er
bijgekomen. Hij gaf droge kleren aan Oplawaai. De broek was veel te groot. ‘Nu
lijk ik ook een clown,’ lachte hij. ‘U bent een held,’ zei de manager.
‘Ja,’ zuchtte Oplawaai, want hij wist dat zijn vrouw zou
gaan zeuren over de doorweekte kleding.
‘Maar om het even over een andere zaak te hebben: ik heb
deze mijnheer gesproken en hij heeft last van plankenkoorts. Een heftige vorm. Ik
denk daarom dat het goed zou zijn als hij
deze katten mag houden. Katten helpen tegen stress. Dat is bewezen. En
ze zijn goedkoper dan een coach.’
‘Hoe weet u dat ik dat wilde voorstellen? Ik heb prima
ervaringen met coachtrajecten.’
‘Niet bij deze clown. Hij is te gevoelig. Laat hem deze
katten houden.’
‘Het is tegen de regels.’
Toch mocht de man de katten houden.
‘Ik dien mijn ontslag in,’ sprak hij plechtig. Hij leek
opgelucht na het uitspreken van de woorden.
Mijnheer Oplawaai arriveerde bij zijn zieke vrouw. Ze
moest heel hard om hem lachen.
‘Wat een clownsbroek heb je aan,’ zei ze. ‘Wat heb je
gedaan? Je hoefde toch alleen een paar koekjes te halen?’
‘Ja,’ zuchtte hij en zette de rode dop op zijn neus. ‘Ik
heb een clown geholpen en twee katten gered.’
‘Goed van je.’
‘Ja, we hebben ze een naam gegeven: Nervo en Depri.
‘Wat een rare namen.’
‘Ik ga een andere broek pakken,’ zei mijnheer Oplawaai en
hij dacht aan de laatste woorden van de clown. Een aanbod om de camper te
kopen. Hij zou er over nadenken, had hij geantwoord.