zondag 3 april 2016

Nachtzuster




Nachtzuster, ik was vanmorgen in gang 040. Eerst verbaasde ik me over de enorme hijskraan die over het ziekenhuis gebogen hing. Jij vertelde me dat de patiënten niet bij het raam mochten liggen. Mooie boel.
Nachtzuster, ik pakte de schilderijen in, in de plastic bubbeltjes en de tassen. Een pleeg passeerde me met buisjes bloed voor het Citolab. Nu de werken weg zijn kun je pas goed zien hoe leeg en eng gang 040 is.
Het was rustig vanmorgen om negen uur. Ik sleepte de werken langs de Harddraverslaan naar de auto want vanwege die hijskraan kon ik niet met jouw pasje op het parkeerterrein.
Oma vroeg of ik wat verkocht had. Ik antwoordde ontkennend terwijl ik naar de rails keek die opa toch redelijk goed in elkaar had weten te zetten. Niet helemaal symmetrisch, maar de trein kan er goed op rijden.
Nachtzuster, ik bakte de pannenkoeken toen je lag te slapen. Oordoppen in. Oma kwam langs met de kleine man. We probeerden samen het geheim van de inklapbare wandelwagen te ontcijferen. Dat lukte, maar ik weet niet hoe.
Daarna heb ik een stuk uit het examen Tweede Taalverwerving tot mij genomen. In het hoofdstuk over spreken las ik hoe moeilijk Nederlands is om te spreken en te verstaan. Wij, de Nederlanders, spreken veel met melodie. Eigenlijk net zo melodieus als Italianen. De melodie maakt de toon. Ga je naar beneden klinkt het als een bevel. Ga je omhoog dan is het vriendelijk. Wil je het boek pakken kun je op die manier een heel andere lading geven. Wie denkt dat Nederlands een eenvoudige taal is die vergist is. En die rare gorgelkeelklanken zijn ook buitenaards.
Nachtzuster, je dribbelt nu over de gangen. Het is donker, gesnurk, een rochel. Je pakt je zaklampje en schijnt. Gelukkig, ze leven nog. Vandaag zag ik dat je wat kleinere ogen had. Vermoeid en versuft, van de wereld.
Dit is voorlopig weer je laatste nacht. Sterkte met de uren tot het morgenlicht. Morgen liggen we weer naast elkaar. Ik slaap ook niet goed, zonder jou.  Gelukkig is Sissie bij me, als ze niet zo vreselijk niest en spettert of haar pootjes tussen mijn ribben plant. Oudje.
Nachtzuster, ik ben zo ongelofelijk trots op je bijdrage aan de mensheid. Er moet meer waardering komen voor je werk dat je bij nacht en ontij, weer of geen weer, uitvoert. Pleeg, ik hou van je. Tot morgen.
  

woensdag 3 februari 2016

Op zee in september september 1997 dagboekaantekening


De Noordzee bij nacht. Het stuurwiel in je handen. Moeite om te blijven staan en het kompas op 250 graden voor, te houden. Schuim smakt over de boeg. Zo nu en dan kilt het zeil als het uit de wind valt. Het zicht is slecht, een meter of honderd. Vanuit de mist doemen monsters met containers op en je vraagt je af of ze het toplicht dat in de mast heen en weer zwaait zullen waarnemen. De voorkant van het licht is groen en de achterkant is wit, maar we zijn klein, heel klein op deze grote plas. Aan stuurboord een nog iets kleinere zeilboot, voor anker.
Met de kop rustend in de zuidwesten wind. De stilte is groot op zee, alleen het klapperen van het zeil en de dreunen van de golven tegen de polyester wanden veroorzaken afwisseling in de geluidloosheid. Zo nu en dan komen uit de boordruimte geluiden van de communicatie-apparatuur: piepjes en stemmen, maar ik heb geen tijd om te luisteren, want het schip, Freedom,
hangt schuin, zo ongeveer 15 graden, dus kost het veel moeite te blijven staan. En zelfs een plasje plegen is bij deze helling niet aan te bevelen. De schipper ligt op de bank in de kajuitruimte en slaapt, maar staat bij de geringste afwijking naast je. Hij slaapt met de oren gespitst. De mannen om mij heen turen zonder iets te zeggen over de golven. Iedereen is onder de indruk van de eenzaamheid op het water. Af en toe wijst er iemand naar een lichtje in de verte. Wat kan dat zijn ? Een vroege visser misschien ? Wij zijn allemaal een beetje huiverig voor vissersboten, omdat hun koers vaker wisselt dan die van andere schepen.
De P&O ferrie passeert. Reusachtige gedaante, met misschien een enkele slapeloze of dronkaard op het dek. De maan schittert prachtig op het wateroppervlak en even wordt het zicht daardoor beter. Gelukkig maar dat het kompas verlicht is. Nu begint het te regenen. Het schip wordt een moment opgetild door een grote golf, ik stuiter omhoog, klamp me vast aan het wiel, besluit even te gaan zitten om de verkrampte benen enige rust te geven. Het is drie uur in de morgen. Er is geen land te zien, er is geen spoor van de bewoonde wereld met al zijn problemen.
Uitgeput klim ik na de aflossing van de wacht in de piepkleine kooi van het vooronder.Ik pel alle kledingstukken van het lijf en stort mijn hoofd vlak naast het kleine raam, dat gelijk is
aan de waterspiegel. Ik word nat van een luik boven mij dat niet goed dicht is, maar ik kan het bij deze stand van het schip onmogelijk dichtdoen. Dan maar nat. Ik val in slaap en herinner mij niets meer. Als ik wakker schrik schrik ik nogmaals van een golf die recht op mij afkomt en tegen het boordvenster beukt. Waar ben ik ? Godzijdank binnen. De morgen is grijs en de horizon niet te zien. Geklots is vredig. Ik stoot mijn hoofd bij het opstaan, ik val om en tracht mijn regenbroek te vinden. Die ligt in het wc tje naast het potje, waaruit zeewater gutst omdat iemand vergeten heeft de handels naar beneden te drukken. Terwijl ik me aan de deurknop vastgrijp vraag ik me af waarom mensen gaan zeezeilen en of parachute springen en of bergbeklimmen. Het is de strijd tegen de elementen die mensen in gang zet. Het is een test in overle¬ven, die ons van de veilige huis en haard verdrijft. Naar de zee. Dat monster dat schudt en trekt aan het schip om het te kunnen verzwelgen en waarvoor geen enkele oceaanstomer veilig is. Ook het land is niet veilig voor het water dat achter de pieren loert om toe te kunnen slaan.
Eindelijk weer een spoor van land. Duinenrijen. Een pier. Dit moet Scheveningen zijn. Dat is het ook. Rechts Den Haag, met een aantal veel te hoge gebouwen. Links Katwijk en hele¬maal rechts, bijna uit beeld, de maasvlakte. Een deining door het schip van Rijkswaterstaat. Aan de horizon, over de rech¬terschouder, het nieuwste schip van de marine, de Rotterdam, varende badkuip, van 125 meter, geschikt om mariniers en landingsvaartuigen uit de buik te persen.
De haven, de zeilen strijken. Het mag rusten, en wij ook. De fles wordt geopend. Als ik op de wal sta, schommelt alles en kan ik nauwelijks nog normaal lopen. Ik voel me ook niet helemaal lekker: walziek, denk ik.
september 1997

zondag 24 januari 2016

Zon over Alkmaar

Expositie Sjoerd van Berkel  Zon over Alkmaar 
Sjoerd van Berkel
locatie: Medisch Centrum Alkmaar  Lange gang 040
Datum: 30 januari tot en met 2 april 2016


Sjoerd begon met schilderen nadat een vriend hem een aantal rollen achterbehang en een paar oude potten verf had gegeven. Het leek hem interessant om iets anders te doen dan het schrijven van gedichten, want dat was zijn eerste passie. Vol enthousiasme ontstond het ene schilderij na het andere en de dichter was blij als een kind met zijn ontdekking. Eindelijk geen woorden, maar beelden. Opmerkelijk was dat de schilderijen vol vrolijkheid en leven zaten terwijl de gedichten toch behoorlijk zwaar van gewicht waren. Een bevriende Iraanse dichter, en inmiddels bekend schrijver, zei toen hij het werk zag: ‘ik zie een kind.’  De werken zijn gemaakt van acryl en olieverf.
Ook Alkmaar heeft hij een speciale gloed gegeven die de stad verdient. Voor hem is Alkmaar geen stad met bruine of grijze teinten, maar een stad in het licht van de zon. Altijd levend en opgewekt op weg naar morgen. Voor meer informatie: www. sjoerdvanberkel.nl 


woensdag 6 januari 2016

Nergens ligt er ijs, een treurig en jaloers treurlied om een zomerse winterdag in Alkmaar


 

 
 

Voor Lida uit Groningen 

 

 

De lucht is warm, de lucht is grijs,

ik heb een zak met strooizout staan,

maar nergens ligt er ijs.

 

Ik zou zo graag eens strooien,

met zout flink op de stoep,

want zonder, vallen dooien,

als door de gladde troep.

 

De lucht is warm, de lucht is grijs,

ik heb een zak met strooizout staan,

maar nergens ligt er ijs.

 

Ik zou zo graag eens skaatsen,

kraskras naar ’t station zo fijn,

om daar met rode wangen,

te springen in de sprintertrein.

 

maar:

 

de lucht is warm, de lucht is grijs,

alleen nog in mijn eigen vriezer,

daar ligt het Unilever ijs.

 

 

 

 

 

donderdag 31 december 2015

De laatste seconden van 2015

Waar gaat dat vliegtuig nu nog naar toe? Ik kan hem zien vanuit het slaapkamerraam. Iemand steekt alvast zijn maandsalaris de lucht in met werkelijk prachtige artistieke vuurpijlen. Dankuwelmijnheer. Vanavond wel een prosecco genoten, geschonken door de dokters van de interne. Drank en interne geneeskunde, dat gaat toch niet samen? Hoe dan ook, mijn pleeg heeft geen stem meer en is licht versleten en ik denk dat ik haar om twaalven wakker zal moeten maken. Onze troetel Sissie, die we op de kerstkaart hadden gezet, waardoor velen nu denken dat we er een kind bij hebben, ligt te snorren onder de deken naast het vrouwtje. Ze is de hele dag al gestrest geweest van de knallen. En er waren ook explosies bij hoor, dat het leek of het huis trilde. Afgelopen nacht is ook een schuurtje van de peuterspeelzaal in de brand gezet. Er loopt iemand rond met een emmer benzine. Iemand die wellicht zich opgewonden voelt worden van vlammen. Ik maak me daar wel wat zorgen over. Wij grenzen aan een groot, donker scholencomplex, ideaal voor een hete fik. Als dat gebeurt, en god verhoede het, dan kan de brandweer daar alleen bij, door over ons dak heen te spuiten. Zo is de situatie, is mij eens uitgelegd. Dus asjeblieft geen brand, brandjes of vlammen. En zo tikken de seconden weg vrienden. Wat zijn uw goede voornemens? Ik heb er wel honderd, denk ik. In mijn top tien staat dat ik mij minder bang zal laten maken door de grote boze wereld. Want angst is een slechte raadgever en angst toont ook minder mooi. Als je lacht, maak je vrienden en glij je gemakkelijker naar de top. Want ik wil natuurlijk volgend jaar wel directeur worden en mijn zakken vullen met een spetterend salaris. Ja, ik heb veel nobele motieven en voornemens. Ondanks dat ik derhalve keihard voor mezelf ga, wens ik jullie toch ook veel succes. Je overdrijft weer, zucht mijn geliefde. Goed, laat ik iedereen dan een vrolijk en gezond leven toewensen. Wish you a very happy new year! Vanonder de deken toegewenst door uw verslaggever Sjoerd.

zondag 27 december 2015

reactie Huis van Hilde

Mijn verhaal over Hilde, zie bericht juli 2015, naar de plaats gestuurd waar het hoort: in het huis van Hilde, Castricum. Gelukkig dat het huis deze eigen invulling van de geschiedenis kan waarderen en een plaats heeft gegeven, getuige het antwoord van vandaag:


Geachte heer Van Berkel, Beste Sjoerd,
Wat een leuke verrassing om uw verhaal te ontvangen!
Wij waarderen het zeer dat u uw fantasie de vrije loop heeft laten gaan en een mooi verhaal (en bijpassende tekeningen) hebt gemaakt.
We leggen uw verhaal op onze vrijwilligers(lees)tafel, uiteraard met naamsvermelding.
Nogmaals hartelijk bedankt en hopelijk nogmaals tot ziens in Huis van Hilde.


Met vriendelijke groet,
O.K, medewerker Huis van Hilde Castricum

woensdag 2 december 2015

Vanavond zeven uur



Papa, komt mama kusje geven?
Nee, Thijs, mama is in het ziekenhuis bij de zieke mensjes.
Hij begint te snikken.
Maar ze komt vanavond als ze thuiskomt bij je kijken.
Maar ik wil nu een kusje! Waar is mama?
Hij begint harder te snikken.
(Ik zoek naar iets om de pijn te verlichten, een foto.. dat is misschien een idee… ik pak de foto van Anja en mij op Elba.. misschien helpt het..)
Kijk Thijs, een foto van mama, geef daar maar een kusje op.
Hij kust de foto.
Zal ik hem naast je bedje leggen, ik haal hem wel even uit het glas, hier… (ik leg de foto naast zijn knuffels).
Komt mama vanavond?
Ja, mama komt vanavond als ze klaar is bij de zieke mensjes.
(We lezen Jip en Janneke)
Deur niet dicht papa en lichtje aan.
(Zijn tranen zijn verdwenen, de foto ligt naast Woezel ik sluit de deur en hij slaapt binnen 5 minuten)  

En eerlijk gezegd: ik mis haar ook hoor, Thijs. Als ze thuiskomt maken we het gezellig, en zingen we bij je schoen zo hard dat alle Sints en Pieten het aan de andere kant van het land horen.

dinsdag 1 december 2015

Rijbewijs verlengen

Rijbewijs verlengen


Het woei of het waaide. Ok, het woei hard. Ik ging mijn rijbewijs verlengen. Het is 10 jaar geleden dat ik  na een zware strijd toch nog bij de 4e poging  slaagde. De docent kreeg bij het horen van het ‘gefeliciteerd’ grote ogen. Ik ging op de fiets mijn rijbewijs verlengen. Fietsen tegen de wind. Wat is heerlijker dan tegen een storm intrappen?  Met een bezwete rug kom ik aan bij het veels te grote stadskantoor. Bij de ingang naar de wanstaltig overdreven lange  roltrap  staat een bord: geen toegang. Ik zoek een ander eingang. Daar gaat een poort open. Iemand stapt binnen. Ik stap ook binnen. Ik ga een trap op en nog een trap op als een ridder die de vijand zoekt in een toren van een kasteel.  Alle deuren zijn op slot. Misschien een geheime deur?  Terug naar beneden. Ik zie vooral lege gangen, werken hier ambtenaren? Er zijn forse bezuinigingen geweest, dus misschien zijn ze er niet meer. Wordt alles door de computer gedaan. Ik kom terug bij de poort. Dicht. Ik zit gevangen in de gemeenteburcht. Ik zwaai naar een bouwvakker buiten. Hij rookt rustig door. Plotseling valt het kwartje in zijn brein. Hij drukt op een knop. Ik sta weer buten. Nu pas zie ik de pijl naar de juiste ingang. Daarachter is een kleine ruimte met een beveiliger en een dame achter een balie. Het is er overvol. Mensen uit den vreemde vullen de weinige vierkante meters omdat ze met z’n allen gezellig documenten gaan opvragen. Voor me staat een Nederlandse man te mopperen over een bekeuring. De beveiliger zegt dat ik een bonnetje moet vragen aan de baliemevrouw. Terug naar het communisme. De automaat is in de ban gedaan en daarvoor hebben we nu een lieve dame die het bonnetje overhandigt. De code op het bonnetje is duister, je kunt daar echt niet uit afleiden wanneer je aan de beurt bent. Ik neem plaats naast een man met een jongetje en plotseling valt me iets in: ik ben de pasfoto’s vergeten! Ik neem mijn portemonnee en zoek daarin of ik nog aanwezig ben. Wel zijn er foto’s van mijn kleine man en eentje van mijn liefste, lang geleden genomen vlak na een nachtdienst.  De pasfoto’s vergeten... en ze lagen naast de ID- kaart. Hoe dom, ik zucht diep en loop terug naar de aardige mevrouw. Ik zeg dat ze de afspraak kan cancelen. Ik sta weer buiten. Met de gemeente moet je geduld hebben, maar soms ook vooral met jezelf.     



zondag 22 november 2015

Het enige wat de vis hoeft te doen, is zich verliezen in het water

Onlangs (2014) verscheen de debuutroman van Niña Weijers: de Consequenties. Hierin wordt het leven van de kunstenares Minnie Panis beschreven, in verschillende fases. Het boek bevat een fascinerende gelaagdheid, waarin wordt geput uit de Tao, en uit het conceptualisme. Boeiend is het feit dat we moeilijk een vinger kunnen leggen op de motieven van de auteur, van de verteller en van het personage. Wie zijn zij en wat willen zij ons vertellen? Het blijft omgeven met een mysterieuze waas. Op zoek naar de antwoorden stuit ik op nog  veel meer vragen en het lijkt dan ook of het gezegde: ‘het enige wat de vis hoeft te doen, is zich verliezen in het water’ in deze context zou kunnen betekenen: jij bent de vis en waarom zou je al die vragen stellen over het water, de bodem en de algen? Meer vragen leiden tot meer vragen, zei Popper, de Duitse wetenschapsfilosoof, al in zijn werk: De groei van kennis (1963).          




Niña Weijers heeft een zeer intrigerend boek geschreven dat eindigt in de provincie Sinkiang in China. Toevallig is dat niet. Het verhaal put voortdurend uit de Chinese filosofie, de Tao. De wereld is oneindig en je kunt erin verdwijnen. De hoofdpersoon Minnie, een kunstenares, staat op het punt de westerse wereld te verlaten, haar roem en haar geschiedenis achter te laten. Minnie’s concept van het leven vinden we terug in de Taoïstische wijsheid: het enige wat de vis hoeft te doen, is zich verliezen in het water. Een visie die met zich meebrengt dat leven op een natuurlijke manier kunst voortbrengt. Leven en kunst zijn onafscheidelijk en zo kan het leven van de kunstenaar op zich al een kunstwerk zijn. We lezen bijvoorbeeld dat Minnie zich stiekem laat fotograferen. Minnie ontleent haar inspiratie onder andere aan Abramovic, een performance kunstenares die zich laat kwellen omdat ze gefascineerd is door pijn. Dat fysieke aspect is een sterke rode draad in de Consequenties. Maar Weijers besteedt ook ruime aandacht aan Bas Jan Ader. In een ander lettertype wordt het leven van Bas Jan beschreven en het lijkt me dat dit ook de oorspronkelijke inspiratiebron voor de schrijfster was. In haar column in de Groene Amsterdammer van 10 september 2015  schrijft ze dat Bas Jan Ader haar niet loslaat. Hij is haar held. Hij maakte gevaarlijke kunst. ‘Dat is wat kunst nu eenmaal vereist, wil ze althans meer zijn dan decoratie aan de wanden van villa’s die anders zouden verzuipen in hun eigen omvang. ‘ (de Consequenties p, 158)   Die Bas Jan dus en Ger van Elk. Toevallig of niet, maar ze verschenen weer in de kranten, omdat er een tentoonstelling over hun werk werd ingericht in Galerie Grimm in de Frans Halsstraat in Amsterdam. Ik toog daarheen, voor verdieping en begrip van de conceptuele kunst.

Expositie in Galerie Grimm

Ik moest een keer aanbellen toen ik binnen mocht in galerie Grimm, die tijdelijk het karakter had van een museum. Het was een witte, lage ruimte, met verspreid langs de muren de foto’s, films en beelden van de gestorven vrienden. Bij het kijken ervaar je een aangename vrijheid en avontuur. De vrijheid om je eigen gedachten over iets  te hebben, maar ook een vrijheid om volledig op te gaan in de natuur, om je nergens door af te laten leiden. De gevoelens die je ervaart zijn jouw eigen emoties, nergens spelen de kunstenaars op jouw gevoel, of het moet zijn dat je in de lach schiet vanwege die rookworst, of omdat Bas Jan in de gracht rijdt met zijn fiets. Uitzondering op mijn gedachte is de groot geschreven tekst op de muur: ‘please don’t leave me’ . En hoe beoordelen we de film waarin Bas Jan aan het huilen is? Is dat echt? In het Parool (17 september 2015) beoordeelt de journalist, Kees Keijer, de expositie als ‘serieuze kunst met een vleugje slapstick.’ Je weet niet of je moet lachen of moet huilen.  Het stuk van Keijer gaat verder niet in op conceptualisme, maar over ditjes en datjes, de vrouw van Bas Jan, Mary Sue Andersen, die zijn films terug wil hebben.  Derhalve  niet een  stuk waardoor we verheldering krijgen over Bas Jan, Minnie uit het boek en de schrijfster Weijers. Om terug te komen op de conceptualisten Bas Jan Ader en Ger van Elk: twee vrienden en tegelijk Sjors en Sjimmie in de kunstwereld van de vroege jaren zeventig. Ze zoeken vrijheid om overal kunst in te zien, hun kunst in het leven te plaatsen. Ze vallen direct op. Bas Jan laat zich filmen tijdens een val van een dak en noemt dat kunst. De schoonheid van de valbeweging. Daar zit iets in. Ik heb het filmpje - het is erg kort- ook al vele malen gezien en het blijft adembenemend. We zien hem zitten op een stoel, op het dak. Hij valt, hij rolt, zijn schoen vliegt door de lucht, hij strekt zich nog uit om zich aan de dakgoot vast te houden. Het is knettergek. Zeker als je bedenkt dat zijn vrouw dit heeft gefilmd. Maar is het ook kunst? Want kunst was toch altijd een beeld scheppen van de werkelijkheid of je eigen brandende gevoelens vormgeven. Maar dat is dit niet. En dan Ger van Elk. Zocht het meer in de humor. Hij laat zich fotograferen met een rookworst op zijn schouder. Kunst?





De consequenties

Mijn zoektocht naar de antwoorden brachten me verwarring en een  verlangen naar meer te weten, te herkennen . In de tram terug zag ik de mensen op straat, het regende. Ze droegen paraplu’s, maar ze leken niet te willen verdwijnen. Integendeel: ze droegen kleding met schreeuwende kleuren en tatoeages om hun bestaan te rechtvaardigen. Niemand wil zomaar oplossen in het niets, tenzij je kunstenaar bent kennelijk en op zoek gaat naar de consequenties van je gedrag. Als je van het dak springt val je je een buil en als je op het ijs gaat staan zak je er door.

Een zijspoor

Ik probeerde me te realiseren waarom ik me bezig houd met dergelijke vragen, een zijspoor in mijn onderzoek. Waarom lees ik eigenlijk nog altijd en kies ik voor dergelijke thematisch moeilijke werken? Al spittend in mijn omvangrijke boekenkast kwam ik een deeltje tegen van Dik Trom, het allereerste boek dat ik me kan herinneren. Ik koester daar warme gevoelens voor. Mijn vader gaf het me – misschien omdat hij hetzelfde ervoer- en las me eruit voor. Samen lachten we om de duivelse streken van het dikke mannetje. Het is bij nader lezen een eenvoudig geschreven werk, recht uit het hart en je hoort de vriendelijke doch strenge stem van een hoofdonderwijzer uit een klein dorp. Zo zijn in mijn geheugen de liefdevolle gevoelens voor het lezen en de kunst gevormd en zo ben ik uiteindelijk terechtgekomen bij Mulisch en bij Weijers, maar is dat wat ik wil lezen? Of wil ik stiekem terug naar de evasorische rodewangentijd van vroeger? Ik heb de consequenties toch ook verslonden, maar met toch meer afstand dan toen. Een intellectuele distantie, ergens wel jammer.
Het boek past eveneens in de gedachtewereld van Aiden Chambers, de Engelse leesfilosoof die stelde dat een werk in de eerste plaats aan het denken moet zetten en daarna de fantasie moet prikkelen. Maar wat nu als de vragen die je hebt niet beantwoord kunnen worden. Ook tijdens de presentatie die ik gaf over de Consequenties, braken de studenten hun hoofd over de vele mogelijkheden tot interpretaties. Zoveel onbegrip zou ook kunnen leiden tot frustraties en tot afwijzing van een werk. Dat kan een consequentie zijn van op een mystieke manier willen schrijven.
  
De auteur

Ik weet uit ervaring dat het kan helpen om wat meer over de auteur te weten, maar dat helpt in dit geval maar heel beperkt. Zij is nog erg jong en is te zien op diverse video’s op het internet. Maar daarin hoor ik haar niet diep ingaan op de motieven van de tekst of de personages. Haar mogelijke leermeesters Mulisch en Zwagerman hadden daar aanzienlijk minder moeite mee. De columns die ze schrijft in de Groene Amsterdammer zijn intelligente, puntige beschouwingen over  de kunst en het leven. Maar niet over de consequenties. Ze wil haar lezers niet beïnvloeden, die hun eigen avontuur laten beleven, hun eigen dingen laten ontdekken, zoals een goede schoolmeester speelt met de ontdekkingsreis van zijn eigen leerlingen.
Vergelijk eens met Bas Jan: van hem zijn ook geen teksten over zijn gedachtes overgeleverd. Behalve dan dat: ‘please don’t leave me.’

 Uiteindelijk  

Verdwijnen en gezien worden, daar gaat het boek over. Minnie verdwijnt drie keer, Bas Jan verdwijnt. Verdwijnen als kunstvorm. De schoonheid van het zomaar oplossen in het niets. Het zit in heel veel kunst, in heel veel literatuur. Bijvoorbeeld in het einde van M. M. Schoenmakers’ roman: de wolkenridder, waarin de zwerver Gerlof Verdegaal mogelijk wordt vermoord, of verdwijnt.
En is er misschien een koppeling met religieuze ervaringen? Is dat de bron van het verdwijnmotief in de kunst? De Christus die uit het graf verdween terwijl ereen steen voor lag. Die daarna opstijgt en dan nog een keer verschijnt aan een stel ongelovigen.

Misschien eens luisteren naar wat Zwagerman zegt over de Consequenties in het VPRO radioprogramma Nooit meer slapen. Hieronder plaats ik de link naar dat programma:



Zwagerman beschouwt de scène met Abramovic als een sleutelscène, maar hij onthult niet waarom. Hij wil de luisteraar prikkelen het te gaan lezen. Alle reden voor mij om het bezoek van de hoofdpersoon Minnie Panis aan de MOMA in New York, nog eens goed na te  lezen. Als Minnie eenmaal tegenover de performancekunstenares Abramovic zit, dan is de conclusie: ‘Twee mensen staarden naar elkaar, maar alleen om zich los te maken van de ander, van zichzelf, op te lossen in de tienduizend dingen.’ (p.203)  Dit is de conclusie van de verteller. Het wil zoveel zeggen als het verlangen om te verdwijnen. Een motief dat voortdurend terugkomt, weg willen gaan, oplossen, net als Bas Jan verdwijnen in de oceaan. Een tweede motief wordt ook genoemd op dezelfde bladzijde: ‘ging het om de kans om door haar gezien te worden..’  Minnie wil alsmaar bevestigd worden in haar bestaan. Ze zoekt de bevestiging dat ze echt leeft en echte kunst maakt. Kunst moet niet verzonnen worden, maar ontstaan. Kunst en leven als broeders. Kunst die echt is en waarmee je ook gezien wordt als mens. Om daarna voorgoed te verdwijnen. Ik vind de twee hoofdthema’s wel bij elkaar passen want de kunstenaar sluit zich aan bij de natuur. De natuur brengt de kunst en de mens voort en de mens verdwijnt daarna weer in de kosmos.
Maar zoals Zwagerman  in het radiofragment zegt, je hoeft je niet in te graven in de thema’s, want als je die niet begrijpt, is het geen ramp. Al blijf je met een mysterieus gevoel achter, je hebt in ieder geval een prachtig verhaal gelezen en over kunstenaars gelezen die in een zeker perspectief worden gezet. En je hebt ook nog eens een expositie bezocht van twee conceptualisten. Daarnaast is Zwagermans werk dichterbij gekomen. Hij is een fantastische essayist geweest, een die juist verdween, op 8 september, in de periode van het schrijven van dit essay. En ook weer een mysterieuze verdwijning. Eerst, aan het begin van 2015, zijn collectie brieven wegschenken aan het letterkundig museum,( zie: http://www.npo.nl/de-wereld-draait-door/10-02-2015/VARA_101372612/POMS_VARA_786758,) dan een boek over stilte publiceren en twee dagen voor de publicatie, voor eeuwig oplossen. Net zo mysterieus als Bas Jan Ader die smeekt om niet vergeten te worden, maar zelf nooit een spoor achter laat.  
Nu laat ik de consequenties achter me lezer, als een vis die zich verliest in het water, als een zwemmer in open zee. Met nog een mooi laatste fragment, Abramovic oog in oog met haar grote liefde:


Abramovic en Weijers leren ons te kijken, te voelen en ons te verliezen. In liefde en in kunst, in kunst en in liefde. Ik hoef niet verder meer te zoeken, of te onderzoeken. Ik weet genoeg en ik heb genoten, het is goed zo. Ik leg mijn pen neer en neem een oogdruppel van dokter Vogel omdat ik zo wazig zie vandaag. Daarna ga ik slapen en wens u een goede nacht en dat u zich mag verliezen in een heerlijke droom. Een droom om in te verdwijnen. 


Sjoerd van Berkel,
22 november 2015




  






     

dinsdag 17 november 2015

Ogentroost

En toen werd ik wakker en zaten mijn ogen dichtgeplakt. Voorzichtig uitgespoeld en daarna toonde de  spiegel mij twee rode ogen, als een albinokonijntje. Ik had nu ook letterlijk een waas voor ogen zoals je door een beslagen douchecabine kunt kijken. Gelukkig heb ik dokter Vogel in huis die met een flesje ogentroost aankwam. Volgens medici niet- werkende druppels, maar bij mij werken ze wle hoor, beste mannen en dames van de wetenschap. Ze bieden troost voor schrale ogen. Ogen die ook niet meer willen lezen en dat is soms wel prettig, als je de krant van heden openslaat. Maar vooral het beeldscherm, daar hebben ze helemaal geen zin meer in. Hoor, buiten de storm eens langs de kust blazen, daar heb je geen ogen voor nodig. Het raam rammelt, hier in huis zelfs waait de wind. De goede Sint wordt nog van het dak geblazen. Omdat ik toch de man in huis ben moest ik er nog even uit om de vuilnisbak buiten te zetten. In mijn schoen bleek een chocoladebankbiljet te zitten.
Mijn liefste was vandaag jarig. Ik haalde een familiezak met frietjes bij de plaatselijke frietenboer. Het was daar erg donker voor de deur. En de wind poogde de patatten weg te waaien. Ik wilde ze in mijn rugzak proppen, maar die zat vol rugbrekende geleerde wijsheidboeken. Dan maar die zak onder je arm. Wind, duister, regen, en ik zag toch al weinig.
En toen gleed ik onder de deken en prikte met twee vingers een laatste woord.
'Doe jij je bouwlampje  nog even uit?' merkte mijn jarige job op.
Gaan we het raam sluiten of laten we het lekker doortochten?            

maandag 16 november 2015

Maandag 16 november 2015, in Amsterdam: sorry terroristen, ik ben niet bang!

Vandaag was ik in Amsterdam.
Wat vlaggen halfstok.
Politieagenten op het station.
Iemand trok aan de noodrem. Ik dacht eerst aan een zelfmoordenaar.
Dat was niet zo. Gewoon een oude dame in de war.
Verder gebeurde er niet veel.
De mensen bewegen net als altijd.
En dat is goed.
Dat is precies wat de terrorist niet wil.
Die hoopt op angst in het hart en in het brein.
Ik voelde me nergens bang.
En de anderen ook niet.
Ze eten, ze drinke, lachen en ze spelen op de piano in de hal.
Ik hoorde:  'Yesterday when I was young..'
Amsterdam, I love you.

maandag 5 oktober 2015

Souvenirs (tell me)




Toen ik bij mijn lang- geleden collega’s liet ontvallen dat ik muziek zocht van all over the world,  niet de reguliere, maar de volslagen onbekende, kwamen zij aan met souvenirs van hun reizen. Ze staan naast me op het nachtkastje: een toren van Pisa, een schaap uit Schotland en een vulkaantje uit Lanzarote. Prachtige kitsch en zo aardig dat zij aan mij dachten, in den vreemde. Mocht je ergens zijn en een prullerig aandenken voor me mee willen nemen, dan is dat goed. Muziek is natuurlijk helemaal mooi. Een vals zingende straatzanger, een onderwaterkoor, neem het mee. Ze zijn het musicerende bewijs van hartstocht, van zuiver amateurisme zonder PR bureau. Ik ben iemand die er geen moeite heeft met of iets kunst of kitsch is. Hier in de slaapkamer hangen diverse schilderijen. Een gezicht op Parijs, geen kunst, maar gewoon productie, daaronder een prent van een jongetje in een blauw autootje, gekocht bij Jacques de Friemel in de Haarlemmerstraat. Een winkeltje vol jaren 60 bagger. Aan de muur tegenover me een slecht olieverfje van een of andere onbekende grootheid, toch, ik zou hem niet kwijt willen. Want we leven en we hebben onze herinneringen aan die keer dat we iets kochten. Aan de lach op het gezicht van de verkoper die probeerde de maker van het schilderij te ontcijferen. Lanzarote, staat er op het nepvulkaantje. Ik heb dia’s gezien van dat eiland, woest en ledig is het. Breng me je rommel uit verre landen of dichtbij, maar vertel me vooral je verhaal bij het object. Waar was je toen je het kocht en hoe was de reis? Of het dagtripje? Tell me. 

zaterdag 26 september 2015

De loodgieter, het mysterie van de toiletpot


Ik leg het de loodgieter nog eens uit. De man, een sympathieke grote vent, zit op zijn knieën en schijnt met zijn telefoon in het toiletreservoir. ‘Dus hij loopt door,’ zegt hij. ‘Dat klopt,’ zeg ik. ‘Maar het gekke is dat als je beneden doortrekt, of een kraan opendraait, dat het hierboven dan gaat lopen.’  Hij denkt even na, en zegt: ‘Dat kan niet.’  Anja komt erbij, zij vertelt hetzelfde. Het reservoir leegt zich soms ook weleens vanzelf. ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt,’ zeg hij. ‘En nogmaals: het kan niet.’  Nou, hij ging het bij zijn collega’s navragen. Ik heb het al over het spook van de toiletpot.  Toch voel ik hier nooit een koude tocht langstrijken. Slechts een keer heb ik iets vreemds meegemaakt en dat was met de sleutels van de brievenbus. Ik heb er twee en ze waren plotseling allebei weg. En plotseling lag de ene weer op zijn plek en de ander vond ik bij de deur van de schuur, een paar meter van de brievenbus. Vooral die laatste vindplaats vond ik heel vreemd. Mijn zoon kan niet bij die sleutels. En verder vreemde dingen? Ja, ik ben eens bij iemand geweest waar de plafondlamp plotseling heen en weer ging. En ik heb ook wel rare lichtverschijnselen gezien. Daarover een andere keer. Nee, ik hecht alleen waarde aan de wetten van de fysica. Al het andere is niet bewezen, al is het wel leuk om erover te filosoferen. Misschien komt de loodgieter binnenkort met een verklaring.