maandag 2 november 2009

Stupid Willie




Het was 1 augustus 1965, toen ik in de saloon van het stadje Hangyouupinthemorning in Texas tot mijn verbazing in het ultraslechte gezicht van ultraslechte Johnie keek.
Ik bestelde onmiddellijk driemaal veertig whiskey on the rocks met een emmer ijs en schoof dit alles Johnie toe, want Johnie moet je te vriend houden. Johnie mikte ogenblikkelijk de hele ijsemmer naar binnen. Op een ijzige toon zei hij daarna: “Jij ziet er dom genoeg uit..”
“Dank je,” zei ik. “Jij ziet er dom genoeg uit om mijn maat te worden. “Wat moet ik doen?” riep ik. “Gewoon jezelf blijven,” zei slechte Johnie en als een echte welzijnswerker schoot hij driemaal drie is negen (ieder zingt zijn eigen lied) kogels uit zijn colt 45 in de piano en in de barman die als laatste woorden riep: “Ik krijg nog driehonderd dollar van jou, smerige luis!” Maar daarna zweeg hij voor eeuwig. “Wat vind je van mijn blaffertje?” vroeg slechte Johnie.
“Heb je een hondje dan, slechte Johnie?” vroeg ik.
“Jij bent slim,” zei Johnie. “Jij begrijpt het, nergens over praten.. maar kom mee, want we hebben nog een hoop werk te doen..”
Onderweg kwamen we de sheriff tegen die ons vroeg of we twee bandieten hadden gezien die geschoten zouden hebben in de saloon..
“Welke saloon?” vroegen we. “Hands up?” “Nee,” zei de sheriff. “Saloon de Blauwe Boen..” “Nee,” antwoordden wij. “In saloon de Blauwe Boen komen we nooit..” “Goed,” zei de sheriff. “Dank jullie wel..”
Ondertussen spoedden wij ons naar de County Bank aan de overkant. Ik bond mijn horse goed vast, want ik wist uit Arendsoog dat er veel te veel veedieven zijn in het Wilde Westen. Ik legde er voor de zekerheid drieëndertig knopen in.
Uit de bank kwamen kwamen inmiddels allemaal witte rookwolkjes en daarna zwarte vlammen. Ik wist zeker dat de overval niet gelukt was en ik knielde neer om Johnie te herdenken. “Arme, slechte Johnie,” dacht ik en ik ging naar de bloemist om een krans te bestellen. Toen ik terugkwam stond er een hele troep geteisem voor de bank, die mij wilden pakken, zo te zien. Terwijl ik helemaal niets gestolen had. O, ik probeerde mijn paardje los te maken, maar die verrekte knoop zat in de weg. En zo werd ik toch nog beroemd.
Van de County Bank ging ik naar de County Jail en mijn foto reisde naar de County Press. Ik stond in alle kranten en ik las daarin dat Johnie met de poet door een openstaand toiletraampje was ontsnapt.
Ik heb hem nooit meer teruggezien. Nu ik na 20 jaar vrij ben zoon, vraag ik je, doe niet als je vader. Ik verlang heel erg terug naar die spannende uren met Johnie, maar ik zou het niet graag overdoen.

Je vader, yours,
Stupid Willie

geschreven ergens rond 1992 (tijdje terug toch al)

vrijdag 13 maart 2009

Ochtendnevel. De zon komt op. Rekt zich in het oosten uit. Anja stond ook vroeg op.
We zeiden tegelijk: ‘Ik wil niet, ik wil niet naar mijn werk.’
Maar je moet, tenzij je de Staatsloterij wint. Aan de horizon kerktorens, een zendmast.
De vogels beginnen al te fluiten, ’s morgens. De mannetjes zetten een dikke keel op.
Mijn hoofd zit nog vol ochtendnevel. Het is vrijdag de 13e, maar alles is rustig. De dagen
gaan in ijzeren regelmaat. Mijn ouders zijn in Rome. Als er maar niks gebeurt vandaag.

De paardendans

Ik vroeg aan het paard met de zilveren manen: ‘Kun jij dansen paard?’
Hij lachtte zijn tanden bloot en hinnikte: ‘Ja, ja, ja! Ik kan dansen, wil je het zien?’
Ik zei: ‘Leuk!’
En de wind speelde voor fluit en de konijnen trommelden en een vogel zong.
Het paard huppelde over het gras. Hij draaide rondjes op zijn achterste
benen, schudde met zijn bips en deed een moonwalk, dat is een soort achteruitlopen of er kauwgom onder je zolen plakt.
Toen stopte hij en bleef op zijn bips zitten. Hij strekte zijn voorbenen
en ik applaudiseerde. ‘Je mag dit nooit vertellen aan iemand!’ zei het paard
toen ik hem een appeltje gaf. ‘Doe ik,’ zei ik. Maar nu schrijf ik het toch op.
Ik noem zijn naam niet, nou ja, die weet ik niet eens.

zondag 1 november 2009

De kinderen van onze kinderen van onze kinderen


Ik liep vandaag langs een gracht. Ik vond het mooi. Het water ving het gele herfstlicht en straalde het naar me door. Ja, ik vond het prachtig. Maar er was een tijd, toen vonden
mensen die grachten helemaal niet mooi. Ze werden ziek van het smerige, stinkende water. Dus zeiden ze: weg ermee en dicht gooien met zand! Zo verdwenen heel veel
grachtjes. En onze molens? Vonden onze voorouders ook niet mooi. Lelijke, houten,
plompe dingen, handig om te malen, hout of water, maar meer niet. Dus: weg ermee en
affikken die rare dingen!
Ook boten met een zeiltje niet veel goeds doen. Veel te langzaam en zwaar. Dus: weg ermee! Naar het museum met die gedrochten! Zo verdwenen de grachten, de molens, de bootjes en ook de klompen. Nu vinden wij die dingen weer mooi. Zo veranderen de tijd en de gedachtes van mensen steeds weer. Dus een vraag: wat zullen de kinderen van onze kinderen van onze kinderen straks mooi vinden wat wij nu alleen maar nuttig vinden? Ik noem wat op: een snelweg, een windmolenpark, een staalfabriek met hoge schoorstenen, een winkelcentrum met een Blokker en de HEMA, een metrotunnel, een
kastje voor de electriciteit.
Bewaar dit stukje tot het jaar 2508. Dan praten we verder.

geschreven op 20-10-2008