woensdag 16 september 2020

Perron 1 (het gesloopte station)

 




Perron 1 (het gesloopte station)

 

Hier nam ik afscheid

van jou op het perron,

het was een zachte avond,

in de late zomerzon.

 

Een laatste zoen,

langs je wang een traan,

een: schrijf je wel,

je zei: ‘Hij komt eraan.’

 

De intercity nam je mee

en ik zag je nooit meer

de fluit klonk om half twee,

dat was hier ongeveer.

 

Dit station is nu gesloopt,

maar niet mijn hoop, Desirée,

stap uit en kus me

in het puin van perron 2.

 

    En het sluitsein van de trein,

    het rode licht, wordt langzaam vaag

    ik ben gelukkig zonder jou

    ik ben heel dom gelukkig

    op een ingestorte halte, 

    vandaag.

              

maandag 14 september 2020

Bedenk een luxeprobleem waar je eens iemand over hebt horen klagen. Schrijf nu een recht voor zijn raap adviescolumn aan degene met dat probleem.



Beste Julia,

Jij hebt een probleem, zeg je. Je klaagt er de hele dag over op ons advocatenkantoor. Ik word er groen en geel van, van jouw probleem. Het is namelijk geen probleem, het is een luxeprobleem, dus geen echt probleem. Het is misschien een probleem voor jou, maar niet voor mij, niet voor de collegae en de rest van de juridische wereld.
Jouw probleem is het volgende: welke tas zal ik volgende week meenemen op mijn vakantie naar Ibiza? Zal ik mijn rode tas op wieltjes meenemen of mijn roze weekendtas met het opschrift: ‘I love lesbian.’ Je bent niet eens lesbisch. Jouw probleem is dat jij aandacht wil, Julia, want niemand van onze afdeling wil weten dat jouw rode tas op wieltjes zo handig is op het vliegveld om mee naar de incheck te rollen. Weet jij wel hoeveel tenen jij daarmee beschadigt, Julia?

En besef jij wel dat zo’n wieltje af kan breken? Julia, onder ons: jij hebt geen 30 liter koffer nodig en geen 30 liter tas. Ik reken je voor wat je nodig hebt: een miniscuul bikini’tje, een pakje condomen, je aansteker, een toilettas met je tandenborstel en pasta en meer niet. Je haarborstel laat je thuis. Krijg je zo’n lekkere wilde Ibiza haardos van.
En doe deze spullen in een Dirk van den Broek tas. Morgen ga ik deze brief hardop voorlezen als jij weer over je tassenprobleem begint. Zo hard mogelijk, want jij hebt recht op de waarheid.

Je collega Bianca
Nb: stop met kijken naar Patrick, want hij is van mij (al weet hij dat nog niet) 

Uit: 333 dingen om over te schrijven  

donderdag 10 september 2020

Ze heeft het dagboek gesloten

 


Ze heeft het dagboek gesloten. Er zit een mooi slot op het roze boekje. Maar tevreden is ze niet, want ze wil stoppen met haar gezwijmel over Patrick. Want Patrick ziet haar helemaal niet staan. Als hij voorbij loopt, wil hij nog net naar haar zwaaien, maar meer niet. Ze begrijpt niet wat ze in het joch ziet. Een lange, dunne jongen met een schaterlach, rood haar en groene ogen.

Maar toch, ze houdt van hem. Ze is 10 jaar en ze heeft al een heel dagboek over hem geschreven. Ze heeft heel wat tranen gehuild in haar kussen dat hij haar niet leuk vindt, maar ze weet nu zeker dat ze geen verkering gaan krijgen. Ze zullen nooit samen zijn en stiekem zoenen in de duintjes.

En daarom moet het dagboek weg, vandaag nog. En hij moet uit haar hoofd, de ellendeling. Weg met Patrick. Weg met jongens die alleen naar zichzelf kijken en niet naar haar. Is zij soms niet knap genoeg?

Ze zal hem krijgen. Maar eerst moet het boekje weg. Verscheuren is te lastig en het zou mama misschien op kunnen vallen in de prullenbak. Verbranden dan? Dat zou kunnen, maar dan buiten. Dan zou ze vies kunnen worden en ook vragen krijgen.

Er is een betere oplossing: de bunker in het duin. Een prima ding voor alles waar je meteen van af wil. Jammer dat Patrick er niet in past.

Ze loopt de flat uit en loopt naar buiten.  ‘Hallo Monica,’ hoort ze achter haar. Het is de buurman, die aardige man die weleens een pepermuntje geeft. Ze weet wel dat mama zegt dat ze geen snoepjes van vreemde mannen mag aannemen, maar van deze man durft ze het wel. Ze vindt het wel jammer dat hij altijd ’s avonds zijn toonladders gaat oefenen, zodat ze TOPPOP harder moet zetten. De man houdt heel erg van zingen. Dat kun je hem niet kwalijk nemen.

‘Wat kijk je verdrietig,’ zegt hij. ‘Is er iets gebeurd?’

Monica schudt haar blonde hoofd. ‘Nee hoor,’ zucht ze. ‘Er is niks.’ En ze denkt aan haar liefdesverdriet. Hebben andere kinderen dat ook weleens? vraagt ze zich af. Ben ik normaal? ‘Nou dag hoor,’zegt de man. ‘Doe je de groeten aan je moeder?’ Ze knikt. Dat vraagt hij altijd. Volgens mij is hij verliefd op mijn moeder, denkt ze.

Ze rent door de duinen vol met zijn kromgebogen eikjes naar de bunker, een betonnen ding onder het zand. Het ligt vlak achter de school, verscholen onder een heuvel. Het is gemaakt door de Duitsers uit de laatste oorlog. Zij verschuilden zich daar in. Tegen bommen, denkt ze. Maar het gat aan de bovenkant is open. Er kan een man doorheen. Aan de binnenkant ziet ze een stalen ladder, die naar beneden loopt. Snel dat boekje erin. Het duurt lang eer ze de klap hoort, zo diep is het. Ze hoort iemand roepen: ‘Hee!’ Het zal toch geen verdwaalde Duitser zijn? Snel klopt ze het zand van haar kleren en rent weg. 

Op het schoolplein is haar vriendin Erica misschien. Ze loopt er naar toe. De school ligt omgeven door de duinen, te bakken in de zon.

Ze ziet Erica niet. Wel Jonas, een jongen die bij haar in de flat woont, maar dan een verdieping lager. ‘’Hallo Monica,’ zegt hij grijnzend en hij toont een roze boekje. Haar mond valt open voor ze gedag kan zeggen. Het is haar boekje,  haar dagboek vol met alles over Patrick!

‘Ik heb wat gevonden van je in de bunker,’ grijnst Jonas. ‘Leuk hoor al die tekeningen over Patrick.’ Hij laat een pagina zien met een groot rood hart met een pijl erin.

Monica voelt de grond onder haar wegzakken. Jonas heeft het boek met al haar geheimen in handen. De rotzak, de gemene rotzak. De schoft, de ellendeling. Hij zat verstopt in de bunker.

 Ze rent op hem af. Hij houdt het boekje in de lucht. ‘Pak hem dan!’ roept hij plagerig en hij rent weg.

Het wordt nog erger. Hij roept: ‘Ik ga alles aan hem vertellen, alles, alles!’

‘Nee,’ roept ze, ‘dat doe je niet!’

En toen kwam ik op het schoolplein. Monica was mijn buurmeisje. Ik vond haar leuk en sportief. Als zij zich verveelde tijdens haar huiswerk maken, begon ze klopgeluiden te maken. Ik klopte dan terug.

‘Geef mijn boekje terug!’ riep ze.

Jonas had niet in de gaten dat ik achter hem stond. Ik begreep wat er was gebeurd en het was vrij eenvoudig het boekje uit zijn kolenschoppen te grissen. Ik wierp het naar Monica. Daarna was het minder eenvoudig: Jonas kreeg mij bij mijn bloemige t-shirt te pakken en gooide me op de grond. Daarna ging hij bovenop me zitten en sloeg op mijn neus. Hij had me zeker vermoord als er niet een oude meester naar buiten was gekomen.

‘Hee, laat dat!’ riep hij. ‘Ophouden!’ Jonas liet snel los en ging er van door. Ik voelde aan mijn neus. Hij zat er nog aan. Maar het bloedde.

We gingen naar huis. Mijn moeder schrok een beetje en waste mijn gezicht. Daarna keek ze naar het boekje. ‘Wat er is met je poezieboekje gebeurd?’ vroeg ze. ‘Ik maak het wel even schoon.’

‘Maar u mag er niet in kijken,’ zei Monica.

‘Beloof ik,’ zei mijn ma. Ze ging naar de keuken.

‘Wat staat daar in?’ vroeg ik, toen we in mijn kamertje stonden.

‘O,’ zei Monica. ‘Van alles over Patrick.’

‘Patrick?’ Ik kende hem niet.

‘Ja,’ zuchtte ze verdrietig. Ik zag een traan.

Ik pakte mijn roodbruine cavia uit zijn kooitje en gaf hem haar. Ze

aaide hem.

‘Weet je,’ zei ik. ‘Ik heb ook zoiets. Een meisje uit mijn klas. Ze heet

Bregje.’ De cavia begon te knorren.

‘Ze kwam bij ons in de klas vorig jaar en ze viel me niet op. Maar toen

merkte ik dat ze vaak bij me stond, dichtbij. Als we speelden.’

Monica knikte.

‘En een keertje stond ik per ongeluk dichtbij haar. Ze zette haar

fietsje in het fietsenhok. Ze keek me aan en lachte en toen..’

Monica stond op. ‘Het gaat regenen,’ zei ze.

‘Toen keek ik van heel dichtbij in haar ogen.’

Monica zette de cavia terug. ‘En toen?’

‘Toen zweefde ik door het fietsenhok. Het was heel vreemd. Haar

ogen waren de mooiste die ik ooit gezien heb. Kristalblauw. Zo prachtig.’

‘Alsof je zo oud bent, gekkie,’ lachte Monica. ‘Maar ga door:

gingen jullie zoenen?’

‘Nee,’ zuchtte ik. ‘Het bleef bij kijken. Ik weet niet wat ik tegen haar  moet zeggen.’

‘En ik weet het wel,’ zei mijn moeder. ‘Hier is je boekje Monica. Wees

maar zuinig op die mooie gedichten.’  

Monica pakte het boekje en drukte het tegen haar borst.

‘Nou, bedankt!’ zei ze verlegen.

‘Ik ga, ik moet nog huiswerk maken.’

‘Dag,’ zei ik. ‘Morgen bramen zoeken?’ In het duin groeiden heel veel bramen. Meer dan onze moeders jam van konden maken.

Ze knikte. Ze lachte nog even naar me en hipte de deur uit.

Ik ging terug naar mijn kamer. Natuurlijk dacht ik weer aan die

mysterieuze blauwe ogen. Ik schreef Bregje op mijn schoolbord en

zag toen pas een stuk papier op de grond liggen. Het was een losse

bladzijde uit het dagboek van Monica. Op iedere regel stond tien keer

mijn naam. Daaronder een groot hart met een pijl, ook weer met

mijn naam. Ik was Patrick!

Ik klopte op de muur met signalen het alfabet: ik- hou- van- jou. Het

duurde even, toen hoorde ik: dikke - zoen.

En de zon ging rood onder boven de haven en van het schoolplein en

uit de duintjes klonken nog kinderstemmen, gegil en vrolijk getetter.

Ik vond dat ik best gelukkig mocht zijn met mijn twee vriendinnen.

           

  


Bezoek op de plek van de ramp met El-Al Boeing 747 4 oktober 1992 'De boom die alles zag'

Vandaag was ik met de school op de plek waar op zondagavond 4 oktober 1992 een Boeing 747 neerstortte. Beklemmend idee. Op de foto zie je 'de boom die alles zag'. Het is een mooi monument voor de slachtoffers en de mensen die later alsnog ziek werden.

Afbeelding kan het volgende bevatten: een of meer mensen, boom, lucht, plant, bloem, buiten en natuur



Anja van Berkel, Sarah van den Berg en 7 anderen

donderdag 3 september 2020

De Noordzee bij nacht, eerste reis op zee

De Noordzee bij nacht. Het stuurwiel in je handen. Moeite om te blijven staan en het kompas op 250 graden voor te houden. Schuim smakt over de boeg. Zo nu en dan kilt het zeil als het uit de wind valt. Het zicht is slecht, een meter of honderd. Vanuit de mist doemen monsters met containers op en je vraagt je af of ze het toplicht dat in de mast heen en weer zwaait zullen waarnemen.
De voorkant van het licht is groen en de achterkant is wit, maar we zijn klein, heel klein op deze grote plas.

Aan stuurboord een nog iets kleinere zeilboot, voor anker. Met de kop rustend in de zuidwestenwind.
De stilte is groot op zee, alleen het klapperen van het zeil en de dreunen van de golven tegen de polyesterwanden veroorzaken afwisseling in de geluidloosheid.
Zo nu en dan komen uit de boordruimte geluiden van de communicatie-apparatuur: piepjes en stemmen, maar ik heb geen tijd om te luisteren, want het schip, Freedom, hangt schuin, zo ongeveer 15 graden, dus kost het veel moeite te blijven staan. En zelfs een plasje plegen is bij deze helling niet aan te bevelen.

De schipper, Maarten, ligt op de bank in de kajuitruimte en slaapt, maar staat bij de geringste afwijking naast je. Hij slaapt met de oren gespitst.
De mannen om mij heen turen zonder iets te zeggen over de golven. Iedereen is onder de indruk van de eenzaamheid op het water. Af en toe wijst er iemand naar een lichtje in de verte. Wat kan dat zijn ? Een vroege visser misschien ? De mannen zijn aan de wal politieagent in IJmuiden.
Wij zijn allemaal een beetje huiverig voor vissersboten, omdat hun koers vaker wisselt dan die van andere schepen.

De P&O ferry passeert. Reusachtige gedaante, met misschien een enkele slapeloze of dronkaard op het dek. De maan schittert prachtig op het wateroppervlak en even wordt het zicht daardoor beter. Gelukkig maar dat het kompas verlicht is. Nu begint het te regenen. Het schip wordt een moment opgetild door een grote golf, ik stuiter omhoog, klamp me vast aan het wiel, besluit even te gaan zitten om de verkrampte benen enige rust te geven. Het is drie uur in de morgen. Er is geen land te zien, er is geen spoor van de bewoonde wereld met al zijn problemen.

Uitgeput klim ik na de aflossing van de wacht in de piepkleine kooi van het vooronder.Ik pel alle kledingstukken van het lijf en stort mijn hoofd vlak naast het kleine raam, dat gelijk is
aan de waterspiegel. Ik word nat van een luik boven mij dat niet goed dicht is, maar ik kan het bij deze stand van het schip onmogelijk dichtdoen. Dan maar nat. Ik val in slaap en herinner mij niets meer.

Als ik wakker word, schrik ik nogmaals van een golf die recht op mij afkomt en tegen het
boordvenster beukt. Waar ben ik ? Lig ik in zee? Godzijdank binnen. De morgen is grijs en de horizon niet te zien. Geklots is vredig.

Ik stoot mijn hoofd bij het opstaan, ik val om en tracht mijn regenbroek te vinden. Die ligt in het wc-tje naast het potje, waaruit zeewater gutst omdat iemand vergeten heeft de handels naar beneden te drukken. Terwijl ik me aan de deurknop vastgrijp vraag ik me af waarom mensen gaan zeezeilen en of parachute springen en of bergbeklimmen.
Het is de strijd tegen de elementen die mensen in gang zet. Het is een test in overleven, die ons van de veilige huis en haard verdrijft. Naar de zee. Dat monster dat schudt en trekt aan het schip om het te kunnen verzwelgen en waarvoor geen enkele oceaanstomer veilig is. Ook het land is niet veilig voor het water dat achter de pieren loert om toe te kunnen slaan.

Eindelijk weer een spoor van land. Duinenrijen. Een pier. Dit moet Scheveningen zijn. Dat is het ook. Rechts Den Haag, met een aantal veel te hoge gebouwen. Links Katwijk en helemaal rechts, bijna uit beeld, de Maasvlakte.

Een deining veroorzaakt door het schip van Rijkswaterstaat. Aan de horizon, over de rechterschouder, het nieuwste schip van de marine, de Rotterdam, varende badkuip, van 125 meter, geschikt om mariniers en -landingsvaartuigen uit de buik te persen. De haven, de zeilen strijken. Het schip mag rusten, en wij ook.

De fles wordt geopend. Als ik op de wal sta, schommelt alles en kan ik nauwelijks
nog normaal lopen. Ik voel me ook niet helemaal lekker: walziek, denk ik.

September 1998

zaterdag 29 augustus 2020

Onsterfelijk



Gene reed weer eens met teveel drank achter zijn kiezen door de eindeloze hoogvlaktes van Colorado. Het was een koude nacht en dat maakte het ook niet gezelliger in zijn oude, donkerrode Dodge Charger 500.

Naast hem op de bijrijdersplaats lag Larry met zijn hoofd achterover en zijn mond wijd open, The Star- Spangled Banner te snurken. Af en toe werden zij door een truckdriver ingehaald. Dan gleed even wat licht over het doffe gezicht van Gene, de artiest die maar niet wilde slagen op het podium.
Ook vanavond was het in Villegreen, in het Parc Theatre, weer een brute ellende geworden, omdat zij de toon niet konden vinden voor een publiek van veteranenvechters dat misschien liever naar blonde, vals zingende meisjes was komen kijken. In de pauze van de act hadden zij dan ook veel te veel gedronken en in het tweede deel waren zij na drie nummers met elkaar op de vuist gegaan. 

Larry had daarnaast ook nog eens: ‘Stomme boeren, ik fuck liever met jullie koeien, dan met jullie wijven!’ geroepen en toen waren de luisteraars het podium opgeklommen en werden de gitaren gevierendeeld. Ook het gordijn werd van de wand gerukt. Het werd net zo’n bende als in de Amerikaanse vrijheidsoorlog en de sheriff moest er aan te pas komen. Op voorwaarde dat zij nooit meer terugkwamen, mochten zij het dorp verlaten.

Nu  gromde hun wagen over highway 287, naar Denver, waar zij hoopten hun roes uit te kunnen slapen. Gene wilde rust aan zijn kop. Hij had een appje gekregen van Nancy dat zij het uitmaakte, omdat hij alweer zijn belofte niet na was gekomen. Die belofte hield in dat hij met haar naar een huis in de staat New York zou gaan kijken en een fatsoenlijke baan zou gaan zoeken. Dat waren dus twee beloftes in plaats van één.


De radio speelde het nummer cocaine blues van Johnny Cash. In de verte waren de donkere schaduwen van de Rocky Mountains te zien. De weg was eenzaam, donker en gevaarlijk door het saaie karakter. Gene was ervan overtuigd dat hij en Larry met hun laatste opnames een absoluut prachtig album hadden geproduceerd, - de kenners waren daar ook van overtuigd-, maar hun karakters waren zo grillig en zo koppig. Kon het leven toch gemakkelijker zijn. Kon hij maar toegeeflijker zijn en de drank laten staan. Vooral dat laatste. En dan Larry, die bij vlagen briljante musicus, die verleden week nog met zijn Ford dwars door het tuinhek van de buren was gereden.

Toen hij zo in gedachten verzonken over de weg reed, werd hij plotseling ingehaald door een misdadig hard rijdende auto, die slipte, tegen een boom reed en in de brand vloog. Waarschijnlijk was het een Pontiac GTO. Gene remde uit alle macht en wist de auto veilig aan de rechterkant van de weg tot stilstand te brengen. Zelfs Larry werd wakker.
Hij pakte een verouderd blusapparaat uit de achterbak en probeerde de verongelukte Pontiac te blussen. Daarin slaagde hij redelijk, hoewel hij zoiets nog nooit gedaan had. Het vuur doofde en Larry riep: ‘Er zit een man in, haal hem eruit!’ Gene deed het linker portier open en trok de vent eruit. In de rest van de auto zaten geen mensen meer. Larry wees hem op de lichamen die naast de wagen lagen. Hij bekeek ze en constateerde dat ze verkoold en dood waren. ‘Ze leven niet meer Larry,’ zei hij teleurgesteld.
‘En wat nu Gene?’ vroeg Larry. ‘De politie bellen?’
Gene dacht even na. ‘Dan denken ze dat wij het hebben gedaan,’ zei hij somber. Larry knikte stom. Wat was Gene toch een intelligent man. En ze hadden ook nog stevig gedronken, dat maakte hun zaak er niet beter op. 

Ze besloten de enige overlevende in hun Dodge te hijsen en hem ergens achter te laten. Man, wat was die kerel zwaar en behaard. Het leek wel een aap. Maar ze waren te dronken en te aangeslagen om er goed over na te denken.
Zo reden ze door de nacht, al piekerend en pratend wat ze nu moesten doen. Gene wilde de vent bij zijn moeder onderbrengen.
Hij parkeerde de auto voor het huis van mama, waar hij tijdelijk weer was gaan wonen en keek naar het slachtoffer op de achterbank.
Zijn ogen en die van Larry werden groot als schoteltjes, want op de bank lag iets te slapen. Het was harig, het was groot, maar het was beslist geen mens: het was een aap, een reusachtige aap. ‘Het lijkt wel een aap,’ slikte Larry. ‘Sukkel,’ siste Gene. ‘Het is een aap.’  De aap leek niet veel zin te hebben in wakker worden.
‘Wat doen we nu Gene?’ beefde Larry. ‘Ik denk dat het een gorilla is. Het beest gaat ons vermoorden.’
Larry pakte zijn Winchester rifle 22, om op het dier te schieten, maar het schot dat hij loste, ging wel door de auto, maar miste de aap. Het dier werd reusachtig boos en angstig en ging achter Larry aan. Hij pakte hem beet en smeet hem tegen de aanpandige garagedeur. Larry bleef roerloos liggen. Gene wist zeker dat hij morsdood was. En dat als hij niet weg zou rennen, hij het volgende slachtoffer zou worden. Daarom rende hij weg, maar hij hoorde het beest achter hem aankomen en daarom liet hij zich dood neer vallen. Dat hielp, de aap snuffelde aan hem en trok hem bij zich. De aap begon hem te strelen. ‘Good guy,’ zei Gene en hij probeerde vriendschap te sluiten. ‘Kom mee,’ zei hij. Hij liep naar de auto en de aap liep gedwee mee. Stapte zelf in de wagen, alsof hij dat zag als zijn nest, als een schuilplaats.

Gene reed met hem weg en bedacht dat hij misschien in een zoo thuishoorde. Hij reed naar de dichtstbijzijnde stad en volgde de borden: Denver zoo. Maar bij een kruispunt werd hij aangehouden door een motoragent. De man scheen in de auto en keek wantrouwig. ‘Wat doet u hier in the middle of the night met een aap in uw auto?’
‘Wij zijn artiesten sir,’ verzon Gene. ‘Die werken altijd ’s avonds en ’s nachts. Het zijn echte nightbirds. Ook Elvis, een goede kennis van me, zag je nooit voor elven ’s morgens.’ Gelukkig was de man een fan van Elvis. ‘Maar wie is hij dan?’ Hij wees op de aap. ‘’Dat is Larry, we hebben een act met een aap. Ik bedoel: Larry is verkleed als aap. In het nummer danst hij.’
De agent vertrouwde het nog steeds niet en hees zich naar binnen. Hij stompte de aap hard op de ribben met de achterkant van zijn pistool. De aap legde zijn enorme armen om hem heen en knuffelde hem dood. Letterlijk. Gene trok de dode agent uit de auto en legde hem naast de motorfiets. Dat was dode nummer twee. Hij wist niet meer wat te doen. Het dier vermoordde de halve provincie. Hij moest hem dumpen bij de zoo, al wist hij niet hoe hem uit de auto moest krijgen. Hij ging linksaf. De aap sliep verder. Daar zag hij in de verte de dierentuin.

Maar eerst werd hij klemgereden door een bende van vier mannen met machinepistolen. Gene draaide het raampje open.
‘Waar is de shit?’ hijgde de oudste van het stel. ‘Maak de kofferbak open.’ Daarin lagen alleen gesloopte gitaren. De mannen braken de gitaren open. Er zat geen stuff in. Ze zeiden dat ze Gene dood zouden gaan maken. Gene zei dat hij de shit verstopt had bij de zoo. Ze geloofden hem niet. Reden achter hem aan. Bij de zoo stapte hij uit. Daar was de politie aan het zoeken naar een ontsnapte aap. De criminelen schoten het eerst op de agenten. Het werd een vuurgevecht. Hij reed hard achteruit en smeerde hem. Met de aap achterin. Het dier was doodsbang en deed zijn armen voor zijn ogen.

Zo  scheurde hij over de hoogvlaktes van Colorado. Voortdurend keek hij in zijn spiegel. Hij maakte veel omwegen. Ging wegen in die hij nog nooit genomen had. Uiteindelijk stopte hij bij zijn moeder. Kensingtonroad 44. Hij hoorde niets achter zich. Msschien was hij veilig.
Mama kwam op hem af. ‘Er was een motoragent hier,’ zei ze, ‘die zei dat jij een verklede man in de auto had. Dat zou Larry zijn, maar dat kan niet, want die zit nu bij me aan de thee. Hij is heel erg geschrokken. Gene gaat het wel goed met je? En wie is die man in de auto?’ ‘Dat is een aap, mama,’ zei hij.
‘Gene, je gaat naar binnen en je gaat je schamen.’ Hij was moe van het fucking gedoe en wilde slapen. Hij liet de aap achter in de auto.

Die nacht sloop hij het huis uit. Hij was bang dat zijn moeder het zou horen. Larry lag weer hard te snurken op de bank in de voorkamer. Hij liep op de koelkast af en haalde er tomaten,een struik selderij en een biefstuk uit. Zou een aap dat lusten? Het beest moest toch wel honger hebben. Voorzichtig liep hij op de auto af en keek naar de aap. Die keek naar hem. Hij was vriendelijk. Het dier stak zijn enorme poot uit en streelde Gene’s hand. Gene voelde zich warm worden door zijn geste. Hij pakte de tomaten, de selderij en de biefstuk en legde ze voor het dier neer. De gorilla pakte alleen de selderij en begon uitgebreid te knagen.
‘En nu dan?’ vroeg Gene hardop. ‘Wat moet ik nu doen? Ik wil niet dat ze je doodschieten. Je moet toch ergens vandaan komen en bij iemand horen.’ De aap keek hem aan, het leek wel of hij huilde. Hij knorde zachtjes. ‘Dus, wat moet ik met je?’        

Hij stapte in en reed weg. Misschien kwam hij zo op een idee. Hij reed kilometers en kilometers door. Het werd ochtend. Hij kwam in een klein dorpje, Wascontin, en kocht bij een vroege groentenboer een kilo selderij. 
Hij reed verder. Stopte in de woestijn. Langs de kant van de weg zag hij een oude hut, waarschijnlijk van een goudzoeker geweest.


Hij bekeek de hut, zocht in de auto naar gereedschap en  begon te timmeren tot het tegen de middag weer op een goede schuilplaats leek. Hij legde de lekkernij in de deuropening en de aap volgde gedwee. Dat verbaasde Gene wel. Dat de gorilla nog zo mak was. Hij vermoedde dat er iets gebeurd was met het dier. Dat ze – wie dat ook waren geweest- hem verdoofd hadden.
In de hut was geen slaapplaats. Met wat jute zakken maakte Gene een plek voor hem en zijn nieuwe vriend. Hij verbeeldde zich dat deze vriendschap hem eindelijk de genegenheid zou geven waar hij al zo lang op had gewacht.

Hij wist nog steeds niet wat hij moest. Ze zouden hem arresteren vanwege het molesteren van een agent en het kidnappen van een aap. Was dat strafbaar? En wat wilde hij eigenlijk in zijn leven? Die vraag kwam bij hem boven. Nu hij hier zo alleen was met zijn vriend, begon hij daar aan te denken.
Hij zat naast de aap. ‘Ik noem je George,’ zei hij. ‘Wat vind je daarvan?’
George krabde aan zijn kont en knorde zachtjes. Zo zaten ze naast elkaar. Gene voelde geen angst meer. ‘Zal ik voor je zingen?’ zei hij. Hij pakte zijn gitaar en zong: 

So, if you see me walking all alone
Don't look back, I'm just on my way back home
And there's a train leaves here this morning
And I don't know, one I might be on

De aap leek het een leuk liedje te vinden. Gene glimlachte. ‘Ik zie dat je het mooi vindt. Doet me goed, vriend. Er zijn veel mensen die vinden dat ik dikke shit maak. Maar dat is niet zo. Het zijn echte liedjes. Ik schrijf uit mijn ziel. Dat snap jij wel, hè?’

Plotseling stak George langzaam zijn enorme klauw uit. Gene legde zijn hand erop en liet hem erin rusten. Het duurde zeker wel vijf minuten. Maar nu wist hij zeker dat hij er een echte vriend bij had. Mensen, dat was poep. Maar bij zo’n dier, die kon niet liegen, dat was puur en echt. Het gaf hem een gloedvol gevoel in zijn borst om eindelijk een echte vriend te hebben, die hem niet zou bedriegen. 

Omdat hij zo dacht, had hij niet in de gaten dat George met de minuut ongelukkiger werd. Het dier leefde in een veel te kleine ruimte, zonder zijn soortgenoten en voelde zich eenzaam en in de steek gelaten. Hij trok zich terug in een hoekje en sloeg zijn armen om zijn enorme lijf. Ook raakte de verdoving die hij voor zijn ontvoering had gehad, langzaam uitgewerkt en werd hij weer zijn oude zelf.   
Hij zag Gene als de aanstichter van zijn ellende en die had dat, verblind als hij was door zijn nieuwe geluksgevoel, niet in de gaten.

De muzikant stapte in zijn Dodge en reed naar een dorpje. Daar sloeg hij in de lokale supermarkt 5 kilo andijvie, 3 kilo selderij en een kilo blauwe bessen in. Ook vergat hij zijn eigen bier niet. Twee liter, dat moest genoeg zijn om de hete dag door te komen.

Omdat hij vermoedde de nacht door te moeten brengen in de hut, kocht hij in een verdacht zaakje van een sjacheraar twee grote  gebloemde dekens en twee kussens. Hij aarzelde even bij de wapenshop, maar hij besloot geen pistool te kopen, omdat de politie hem dan op het spoor zou kunnen komen. Misschien moest hij zijn auto ook verkopen of inruilen voor een ander exemplaar. 
Hij reed tevreden terug naar de hut. Af en toe stopte hij aan de kant van de weg om te zien of hij niet gevolgd werd.
Uiteindelijk parkeerde hij voor de hut. Hij zette de boodschappen neer en riep: ‘Hallo, ik ben thuis!’  Alsof daarachter zijn nieuwe verloofde zat. Hij duwde tegen de deur, maar die ging niet open. Hij duwde nogmaals. Hij keek door het kleine, smerige raam wat er aan de hand kon zijn en zag toen dat George tegen de achterkant duwde. Het dier was angstig, gefrustreerd en wilde niemand meer zien.
Gene sprak hem aan: ‘George doe je de deur open?‘  De aap gaf geen krimp. Gene trapte tegen de deur. ‘George, doe open!’ schreeuwde hij. De aap liet een geluid horen. Het leek wel op huilen en het was de eerste waarschuwing van een enorme woedeaanval. Gene schopte nogmaals tegen de deur en toen had het dier er genoeg van.
Hij hees zich omhoog, smeet de deur opzij, of het een papiertje was, en brulde en krijste tegen Gene. Gene schrok en gaf hem een klap.
George beukte terug en brak de arm van Gene. Gene begreep dat het nu echt verkeerd was en rende terug naar zijn auto. Gelukkig maar dat George besloot eerst de hut volledig plat te gaan  stampen. Dat gaf Gene de gelegenheid in zijn auto te ontkomen.  
. 
Onderweg, in de woestijn, werd de pijn aan zijn arm onverdraaglijk. Hij kon niet meer verder. Stapte uit. Liep rond. Het werd donker.
Hij dacht steeds aan zijn vriend. Het dier zou kunnen verhongeren zonder zijn groentes. En hij, de geniale musicus, zou hier bezwijken en opgegeten worden door de gieren en de restjes waren voor de coyotes. Hij hoorde een auto stoppen. Hij rende kermend weg en probeerde zich achter een rotsblok te verstoppen, want het was of de politie, of het waren de misdadigers. In beide gevallen zou hij het niet na kunnen vertellen. Hij hoorde voetstappen op hem afkomen.
‘Dit zijn mijn laatste ogenblikken,’dacht hij. Hij zag zijn leven aan hem voorbijtrekken. Hij zag zijn vader, de dronken dominee die hem altijd sloeg, ook al had hij niets gedaan. Hij zag zijn lieve tante, die hem een gitaar gaf voor zijn tiende verjaardag. 

Maar toevallig was het een dierenarts. Een jonge vent met een gebruind gezicht en een rode snor. Gene legde hem kermend uit dat hij een aap verborgen hield. Hij zei erbij dat hij het eerst niet wilde vertellen, maar nu kon hij het niet meer tegenhouden. Hij zei er ook bij dat hij bang was om straf te krijgen voor het beschadigen van de agent. De dierenarts zweeg lange tijd. Hij zei: ‘Ik ga proberen het dier te verdoven. Dan kan hij daarna eventueel in een groep geplaatst worden.’  
Hij bracht eerst Gene naar een mensendokter in Wasconsin en reed daarna naar de plek waar de aap zou moeten zijn. Het viel niet mee het dier te verdoven. Het maakte veel spektakel tussen de hutresten. Een bevriende sheriff leidde hem voorzichtig af door met zijn armen te zwaaien en Jeffrey Wild, de dierenarts, blies. Langzaam zakte arme


George in elkaar. Andere politieagenten hielpen hem in de wagen te sjouwen. Hij was sterk vermagerd en er slecht aan toe.
De dierenarts bezocht daarna Gene in het lokale hospital. Diens arm was op drie plaatsen gebroken en onder narcose weer in elkaar gezet. Gene had angstig aan de dokter gevraagd of het weer goed zou komen en hij nog gitaar zou kunnen spelen. De dokter had hem gerustgesteld. ‘Het komt goed,’ zei de man, die uit Nigeria kwam en nog tropenarts was geweest.
Maar Jeffrey Wild keek Gene nog een keer serieus aan.
 ‘Ik adviseer je niet bij je vriendje te gaan kijken,’ waarschuwde hij, ‘want hij ziet jou niet meer als vriend.’ 
Gene geloofde dit niet. Hij was van het beest gaan houden en geloofde nog steeds dat het ook andersom zo was.

De maanden vergleden. Gene kon door een goede, bevriende advocaat met moeite worden vrijgepleit voor het geweld tegen de agent. Larry was ook weer helemaal hersteld en ze maakten weer plannen om een nieuwe plaat te gaan maken. Ze hadden zelfs een optreden vlak bij de dierentuin in Denver waar George naar toe was gebracht.
Toen ze daar reden zei Gene tegen Larry dat hij nog even wilde kijken bij zijn vriend. Larry vond dat geen goed idee. ‘We hebben een afspraak met de fanclub, Gene,’protesteerde hij.’Wees blij dat we nog fans hebben. ‘Ach wat, jij altijd,’ zuchtte Gene. ‘Ik blijf even tien minuten weg, ok. Wacht hier even.’   

Het was een doodgewone dinsdagmorgen, het had licht geregend. Gene stapte door de dierentuin. Het was net na half tien toen hij het apenverblijf binnen ging. Hij hoefde niet lang te zoeken naar zijn beste vriend. Die zat op het gras met zijn rug naar hem toe. Er waren nog een aantal apen die nieuwsgierig toekeken naar de drentelende buren: een leeuw en twee leeuwinnen. Zij zouden zo eten krijgen. Hun magen rommelden.

Een aantal getuigen, waaronder een ouder echtpaar uit New York zagen Gene over de omheining stappen, door de gracht zwemmen en eenmaal op het eiland, rustig naar de enorme aap slenteren. Hij maakte volgens deze getuigen zachte geluiden om het dier niet aan het schrikken te maken.
De aap schrok ook niet, volgens hen, maar hief zich wel op. Zijn zilveren rug klom in het ochtendlicht. Gene stapte dichterbij en nu zou, weer volgens deze getuigen, de aap zijn twee armen hebben uitgestrekt, Gene hebben beetgepakt en hem hoog hebben opgetild. Bezoekers zouden dit hebben gefilmd. Sommigen besloten de bewakers te gaan waarschuwen.

Men hoorde krakende geluiden, mogelijk brak de aap de net genezen arm van de man. Helemaal niemand had verwacht dat het dier daarna de man naar de omheining zou dragen om hem boven het terrein van de leeuwen te hangen. Gene gilde. ‘Laat me los, laat me los, George!’ gilde hij. De bek van de grootste leeuw hing tien centimeter onder zijn linkerschoen. Met zijn klauw sloeg hij de schoen van de voet. Bezoekers zagen hem even kauwen op het leer. Hij vond het zo vies, dat hij wegrende.
Ook de andere leeuwen renden weg. De aap tilde Gene weer omhoog en zette hem naast zich neer. Camera’s flitsten. ‘Dank je George,’ fluisterde Gene. ‘Dank je, het ga je goed.’

Langzaam liep hij achteruit en zwom terug. ‘Ik hou van je!’ riep hij nog, maar George verdween achter een struik zonder gedag te hebben gezegd. .
Gene was na de gebeurtenissen, lang depressief en angstig. Het werd zo erg dat hij een tijd in een mental hospital moest worden behandeld. In de kliniek schreef hij nog een aantal meesterlijke nummers. Hij verbrak de werkrelatie met Larry en weigerde om op te treden.

Maar Jeffrey bleef hij wel zien. Hij werkte vrijwillig bij hem in de dierenkliniek. Maakte de spreekkamer en de hokken schoon en nam de telefoon aan. Ze werden echte vrienden. Gene was trots  dat hij tenminste een goede vriend had, een vent met een hart van goud.

Op een avond  keken ze samen in de keuken televisie. Er was een luchtig programma over bijzondere zaken uit het land. ‘Deze keer nemen wij u mee naar de dierentuin van Denver, want daar  is iets bijzonders.’ Er stond een verslaggever naast een oppasser. ‘We staan hier bij de apen,’ zei hij. ‘Kunt u vertellen wat er is gebeurd?’
‘Wel,’ zei de man. ‘Ik was hier bezig met het voer te verdelen toen onze grootste zilverrug, de gorilla, plotseling geluiden begon te maken. Het leek wel of hij begon te zingen of zoiets. Ik heb snel mijn telefoon gepakt en het opgenomen. Hier luister: ‘so if you see me walking all alone, don’t look back, I am just walking on my own..’  Je zag de lippen van het dier duidelijk bewegen.
‘Juist,’zei de verslaggever.’Ik hoor het nu ook.Ongelofelijk.Dat moet wel een wonder zijn. Hoe is dat mogelijk?’
‘Daarna hield het op,’ zei de oppasser en ik heb hem ook niet meer horen zingen.
Gene en Jeffrey keken ademloos.
‘Hij wil laten weten dat het goed met hem gaat,’ zei Jeffrey.
Gene knikte. ‘Eens. Hij is geweldig.’
‘Biertje?’
“Een sapje, ik drink niet meer Jeff.’
En ze gingen naar buiten, sloegen elkaar op de schouder en keken gemoedereerd naar de sterren, die fonkelden boven hun levens en de mysterieuze Rocky Mountains.
 

donderdag 20 augustus 2020

Tante Sjaan en ome Han (met dank aan premier Rutte)


Tante Sjaan en ome Han (met dank aan premier Rutte)
In zijn toespraak van maandag 18 augustus sprak premier Rutte over tante Sjaan en ome Han. Wie bedoelde hij daarmee?

Sjaan en Han. Die kennen elkaar helemaal niet. En ze zijn oud, heel oud. Sjaan woont in een oude volkswijk, waar allang gerenoveerd had moeten worden. Haar huis met Willem, haar man, is twee keer zo oud als zij bij elkaar, en er is nooit veel aan gedaan. Het dak lekt en er zitten scheuren in de muur. De voordeur moet je voorzichtig dicht doen. Sjaan heeft er niet veel moeite mee. Ze heeft haar hele leven in de ouderenzorg gewerkt en vier kinderen opgevoed.
Alleen Willem gaat de laatste tijd niet goed. Hij beweegt zich in een rolstoel en hij gaat iedere dag achteruit. Hij roept voortdurend dat het niet lang meer kan duren. Willem heeft zijn laatste werkzame jaren op de taxi doorgebracht tot het niet meer ging, nadat een klant een pijltje uit een blaaspijp in zijn oog had geschoten. Een wonderlijk ongeluk en hij wilde daar niet over praten.
En dan Han. Een klein, dikkig mannetje met een krans van haar op zijn schedel. Ook hij woont in een volkswijk, maar dan in een andere stad. Een hele grote stad vol intellectuelen, kunstenaars en grachten. Timmermannen en loodgieters zijn er niet welkom, behalve dan om de leidingen van je penthouse te repareren.
Han zag ook dat zijn volkswijk in de loop van de jaren veranderde. De bevolking bleef arm, maar kwam uit landen vol knoflook en minaretten. Hij vond het prima, Han was een man die zich altijd aanpaste en zijn opa van moeders kant was van Turkse komaf.
Han werkte zijn leven lang op de tram van de vervoerder van de grote stad vol intellectuelen, kunstenaars en grachten. Maar dat intellect en die kunst, dat werd steeds minder op de rails. Die gingen liever met de bakfiets. Daarom zag hij vanaf zijn bestuurdersplaats dezelfde lui als in zijn prachtwijk. En voor de wielen vaak ook teveel toeristen.
Maar om terug te komen op Sjaan en Han. Ze kenden elkaar niet goed, maar een heel klein beetje uit hun jeugd. Zij hadden een scharrel. Verder kwam er niks van. Toch was Han haar niet vergeten. Soms meende hij haar vanaf zijn bestuurderstoel in de massa te zien. Han was niet meer getrouwd. Zijn vrouw Truus had hem bedrogen met de behaarde overbuurman. Toen Han erachter kwam, heeft hij die Joop, een schop tussen zijn benen gegeven en toen kwam er een rechtszaak, want Joop beweerde dat Han hem met die rotschop onvruchtbaar had gemaakt. Joop verloor die zaak.
Bij zijn kapper Leonard hoorde Han onlangs dat een klant van Leo een kennis had die Sjaan van de bingo kende. Zo verkreeg hij haar telefoonnummer. Na diep zuchten belde hij haar en ze leek totaal niet te weten wie hij was. Maar hij mocht langskomen hoor. Geen probleem.
En zo trof hij haar 50 jaar later, samen met haar halfblinde man Willem. Hij vertelde dat iemand hem had gezegd dat ze dood was, maar hij had dat nooit geloofd. Sjaan kon toch niet zomaar doodgaan?
Sjaan zag er goed uit, vond Han. Ze droeg een beige trui met daarop een medaillon boven een geplooide zalmroze rok. Haar haar was donkerblond en was nog net zo lang als toen. Twee grote ronde oorbellen bungelden in haar oren.
Haar handen waren zacht en rond en ze schilde een appeltje voor Willem. Sjaan had haar hele leven goed voor hem gezorgd. De televisie stond zacht aan. De premier sprak over Sjaan en Han. ‘Hij heeft het over jullie,’ lachte Willem. ‘Maar jullie mogen niet knuffelen!’ Ze lachten nu alle drie. In Han begon een klein vuurtje te branden. De vele relaties en vriendinnen die hij bemind had, konden niet op tegen Sjaan. Hij hield zijn hoofd schuin en keek voorzichtig naar haar, terwijl ze de appel jaste. Je ogen zijn van blauwe parelmoer, Sjaan, dacht hij. Je lippen als het rood van rijpe kersen. Je neus een beeldhouwwerk dat ze tegenwoordig niet meer zo maken. Toen ze met haar hand haar haar achter haar oor streek, net als vroeger, voelde hij een diepe brand in zijn borstkas uitslaan. Hij begon heftig te zweten en ze zag het.
‘Gaat het goed, Hans?’ vroeg ze. ‘Wil je nog een kopje koffie?’ ‘Ja hoor, het gaat prima,’ knikte hij. Hij begreep niet waarom hij het nooit had durven zeggen. Ook nu niet. Waarom zou hij niet opspringen en het hard door de kamer toeteren?
‘Het is warm,’ zei Willem.
‘Ik kan me jou niet zo goed herinneren Hans,’ zei Sjaan.  Ze vouwde haar handen op haar schoot. ‘Ik ben als kind weleens verliefd geweest op een kleine, beetje dikke jongen, misschien was jij dat.’
‘Verliefd geweest?’ reageerde Willem verbaasd. Hij kon zich niet voorstellen dat er een leven voor hem was geweest. Ze had er nooit over gesproken. ‘Op die augurk naast me?’
‘Ja, heel verliefd,’ zei ze. ‘Elke nacht droomde ik van hem. Maar misschien was het iemand anders, ik weet het niet.’
‘Hoor je dat Henk?’ riep Willem. ‘Ze was verliefd op je. Mooie boel.’   
‘Ach, als kind,’ zei Sjaan, maar ze had plotseling een liefdevolle,
zachte glimlach om haar lippen. ‘Het is zo mooi, zo oprecht om als
kind verliefd te zijn. Zo puur wordt het nooit meer.’
Een melancholieke sfeer vulde de kamer. De lapjeskat rekte zich uit en voor de deur, zichtbaar vanuit het linkerraam, werd door twee
jongens gevochten. Han zag dat de ene jongeman een groot mes liet zien. Als hij kon, zou hij met Sjaan vertrekken naar een beter deel van de stad. Hij bezat nog wat spaargeld. Maar wilde zij iets, zag zij iets in hem?
Willem rolde met zijn stoel naar een kastje en pakte er papier uit. ‘Ik heb een idee Sjaan,’ zei hij. ‘We regelen het nu effe.’
‘Wat?’ vroeg ze, want ze zat nog met haar gedachten in een teder, roze gekleurd dromenland. Ze liep met Han lang geleden langs de havenkade. Ze waren heel jong en heel verlegen. Ze zagen de zon rood aan de horizon verdwijnen. Het was een prachtige zomeravond. Een opstapper van de loodsboot zwaaide naar hen, terwijl ze voorbij voeren op weg naar het volgende schip.
Ze keek naar Han, die met een doekje zijn voorhoofd afdeed. Hij zag er mooi uit, vond ze. Hij had grappige, spottende bruine ogen en een leuke lach. Ze kon zich wel voorstellen dat hij ooit haar geliefde was.
‘We regelen het,’ zei Willem weer. Hij richtte zich tot Han en het leed geen twijfel dat het Willem totaal niet om romantiek ging. ‘Ik ga binnenkort de pijp uit en jij gaat voor Sjaan zorgen. Dat wil je toch?’
‘Asjeblieft Willem,’ protesteerde Sjaan. Maar Willem druiste verder. ‘Jullie gaan hier wonen en je neemt mijn auto. Ok?’ Han kon wel door de grond zakken. Alle romantiek en mooie dromen werden door deze man door het doucheputje gespoeld.
‘Mijnheer,’ zei Han. ‘Ik ken u niet, ik ken Sjaan van heel vroeger en ik was alleen benieuwd hoe het met haar ging. ‘
Sjaan voelde een traan over haar wang glijden. Ook Han begon te grienen. ‘Ik heb veel aan je gedacht Sjaan,’ zei hij. ‘Heel veel.’
De deur ging open en er kwam een lange blonde vrouw binnen van een jaar of veertig. Ze droeg een paardenstaart. Ze keek even naar het emotionele tafereel en riep: ‘Mama, wat gebeurt hier? Wie is dit?’
‘Dit is Hans, of Henk,’ mopperde Willem. ‘Ik probeer ze an elkaar te koppelen, want het zijn tortelduifjes.’
‘Wat?’ brieste de dochter. ‘Dat heb jij gedaan hè, Willem? Dat is jouw schuld. Kijk nou, mijn huilende moedertje. O, jij ploert, jij schurk. Mijn hele leven al heb je van haar als een schurk geprofiteerd. Maar nu ga  ik je wurgen.’ Han zag dat ze een touw in haar handen had, dat ze om de nek van de arme Willem legde. Zo direct zou hij getuige zijn van een moord. Maar hij had de moed niet de vrouw tegen te houden. ‘Ik moet maar eens gaan,’ fluisterde hij. ‘Ik moet mijn eten nog opwarmen.’
‘U blijft zitten tot ik deze schoft heb omgebracht,’ zei de dochter. Willem beefde van angst over zijn zieke lijf. ‘Doe het niet!’ riep hij. ‘Ik blijf toch je vader!’
Daarna legde de vrouw het touwtje weg. ‘Ik wurg je niet,’ zei ze. ‘Alleen omdat het sneu is voor mama.’
Han pakte zijn jas. ‘Ik ga, Sjaan,’ zei hij gedwee.
 ‘Ik laat je even uit,’ zei ze.
Hij stapte naar buiten, koude lucht stroomde zijn neus binnen. Het was donker. De politie sleepte ondertussen de twee jongens in een gereedstaand busje.
 ‘Dag Sjaan,’ zei hij en hij wilde haar kussen, maar dat mocht niet, want het was coronatijd.
‘Mama!’ riep een stem vanuit het huis.
‘We gaan,’ zei Sjaan onverwacht. Ze wees op zijn auto, 
maar hij zag dat de wielen er door het tuig af waren gesloopt.                   De auto steunde alleen nog een stapeltje bakstenen. ‘Dan gaan we lopen,’ zei ze. Ze liepen naar de haven.  Ze wees naar het standbeeld van de zeeman met de lantaarn, op de kade.
 ‘Hier was het,’ zei ze. ‘Hier heb ik gestaan, lang geleden. Met jou. Ja, jij was het. Wat was je mooi toen en wat hield ik van je.’
Ze wees naar de rode gietijzeren vuurtoren aan de overkant van het water. ‘Daar gaan we naar toe,’ zei ze. Ze liep hard voorop. Voor zo’n oude dame kon ze nog goed dribbelen. Bij de toren aangekomen liet ze een sleutel zien. ‘Ik ben een van de twee mensen in deze stad die hier een sleutel van hebben.’
Ze gingen naar binnen en klauterden de paar honderd ijzeren treden omhoog. Han was er nog nooit geweest. Het uitzicht was fascinerend. De lichtjes van de schepen straalden vriendelijk in de haven. Zo nu en dan gleed het rondgaande licht verblindend over hun schouders. Ze zoenden plotseling hartstochtelijk. Han zweefde van geluk. ‘O, Sjaan, wat doe je me aan,’ hijgde hij.  
Maar toen liet ze even los. ‘Kijk, daar zijn ze!’ riep ze.’ Ze komen me halen.’ Rond het gebouw van de visafslag cirkelde een helikopter, er was geblaf van honden. Het blauw van de zwaailichten verstoorde de idylle. ‘Ik ga naar ze toe,’ zei ze rustig. ‘Jij gaat als eerste naar huis.’ Hij daalde af en verdween in de nacht.
En dit was het geheim van tante Sjaan en ome Han. Ze hadden elkaar iedere week, op vrijdag  lief, op hoog niveau, tot ze beiden onverwacht stierven.
Niemand weet hoe het kwam, maar de andere sleutelbeheerder vond ze op een morgen levenloos, boven in de toren, in elkaars armen verstrengeld. Er waren geen sporen van een misdrijf of zelfmoord.    
‘Verdomme, nou zijn ze dood,’ mopperde Willem en heb ik niks kunnen regelen. ‘Wie moet er nou voor mijn zorgen als ik straks een kasplantje ben?’
‘Maak je geen zorgen,’ zei de dochter streng. ‘Ik ga je straks van het balkon sodemieteren, oude proleet.’