donderdag 15 februari 2018

Warme douche






   

Elke week, op de vrijdagavond,  breng ik mijn piraat naar de zwemles, want ook piraten moeten leren zwemmen. Ik leg  het zwembadwaterfestijnpasje op de steen  en de poorten openen zich. Ik schiet een paar blauwe badmutsen aan over mijn schoenen en lever de zeerover af aan juf Dafne, een stoer daar-was-laatst-een meisje loos- meisje in een badjas.
Ik neem plaats in het restaurant en bestel een kop thee. Een enigszins langzame medewerker schenkt wat onhandig heet water in en knikt naar een standaard met zakjes thee. Nu is het de tijd doorkomen door ondertussen naar een tv- scherm te turen waarop met enige moeite de kinderen te onderscheiden zijn. Het lijken wel geheime, Noord-Koreaanse undercoveropnames, maar het is beter dan helemaal geen beelden. En in eens in de zoveel tijd mag ik naast het bad in de tropische warmte plaatsnemen. Nu zie ik het silhouet van mijn nageslacht springen, over een mat rennen, onder een hoepel doorgaan en van de glijbaan schieten. H ij heeft het duidelijk naar zijn zin. Voor mij  duurt het lang  in dit trage, franjeloze wachthok.  De jonge vrouw naast me zegt dat haar troetel naar badje 2 mag. De klok op het videoscherm blijkt, tot mijn spijt, 15 minuten voor te lopen. Eindelijk mag ik weer naar binnen. Pasje op de steen, badmuts weer aan en naar het badje. Mijn zoon komt blij aanlopen, godzijdank, hij is blij.
Nu nog de passage met de douches. Ik ben gekleed dus er is een risico, maar er zijn geen kinderen in de buurt. Ik waag het erop.  Dan schiet er toch nog een klein waterratje tevoorschijn in een roze badpakje. Haar kleine handje drukt op een knop. De douchekoppen aarzelen even, ik schiet naar voren maar te laat. Zij gieten hun warme water over me.
Ik herinner me een warme zomeravond waarop ik stond te wachten voor een gesloten spoorboom, toen ik verrast werd door een enorme golf hemelvocht.  Nu sopt het water in het mijn blauwe sloffen. Mijn watervreugdventje roept: ‘Papa, je bent helemaal nat.’ 
En we lachen allebei.

woensdag 31 januari 2018

Ik was het niet




Ik weet zeker dat het niet mijn poepje was. Ik hoorde hem wel, een geluid als van een fluitketel die uit werd gezet. Een zacht pieven, maar it wasn’t me. Achter me zag ik een oudere heer met een rode snor wegduiken en links van me keek een jongedame of ze een bad in ijsklontjes nam. Toch keek de bibliothecaresse mij aan, lang en strak zoals een kat loert naar zijn muis. Nog even en zij zou ontsteken in woede over de ontheiliging van haar boekenbestand. Het ontsnapte methaan zou de letters uit de dode boomcellen vreten. Zij riep met trillende stem: ‘Ah! Weer zo’n viespeuk! Waarom doen mannen dit niet gewoon op de WC, maar altijd hier? Nomme de patat, zo verschrikkelijk en beestachtig, ja, dat is het, u bent een wild beest en u hoort in een dierentuin, aan een ketting!’  Zij raasde verder en het leek of zij deel uitmaakte van een geheim verbond tegen vliegende flaters. In top secret vervaardigde zij pamfletten tegen slappe anussen en plakte deze in de nacht op deuren van buurmannen en buurjongens. ‘Ik heb het niet gedaan,’ stamelde ik als een terdoodveroordeelde Noordkoreaanse politiechef. En nadat ik dit had uitgesproken voelde ik iets opstijgen uit mijn achterkant. Een warme gasbel, een toonloze klinker, maar wel een brute stinker. In een paar seconden zou hij bij haar neusslijmvliezen zijn. Ik maakte dat ik weg kwam en rende langs haar heen. Toen ik buiten stond hoorde ik een ijselijke kreet uit het boekenwalhalla komen. En tegelijk rinkelde het alarm: ik had de boeken niet in de computer opgenomen. Voorlopig maar online lenen, via de e-reader. En u denkt dat ik dit allemaal verzonnen heb?       

zaterdag 20 januari 2018

Nieuwe bundel met verhalen



Wel, dit is mijn nieuwste  boek met verhalen. Uiteraard is deze bij mij te bestellen via de mail.
Stuurt u dan een verzoek naar: sber01@hotmail.com

dinsdag 16 januari 2018

Egeltje



De egel zat bovenop het schoteltje met egelvoer. Ik keek uit het raam en was heel dichtbij het smakkende beest. Ik maakte een reis achteruit in de tijd. Het was een koude avond in september. Vlak voor mijn fietsband stak een beestje over. Het meisje dat naast me fietste riep: ‘Stop! Een egel!’ Ik wilde nog roepen dat zulke dieren op herfstige avonden op stap gaan om zich een boulimie te eten, maar ik hield mijn lippen op elkaar. Zij was al afgestapt en pakte het dier. “Wat is hij mooi,’ zei ze en ik keek bezorgd naar de opgerichte stekeltjes. Hij vond het niet zo leuk. ‘Ja,’ zei ik zacht,  ‘hij is prachtig.’ ‘Neem jij mijn fiets,’ fluisterde ze,  ‘dan brengen we hem naar mijn huis.’ In de keuken stond de gehele familie over het schepsel gebogen. Het  knorde: ‘Ik ben niet ziek, ik moet aan het werk, laat me gaan.’  De vader van het gezin merkte iets op over de relatie tussen autobanden en egels, maar de moeder was concreter: ‘Zet hem maar in de schuur,’ wees ze. Het onfortuinlijke scharrelwezen werd in een schoenendoos gedaan en ik nam afscheid. Bij de achterdeur stond mijn vader te wachten. Hij zei niets, wees op zijn horloge. Ik wist het: het was vreselijk laat. Zijn gezicht stond op een uitdiepende stormdepressie. ‘Sorry,’ zuchtte ik, ‘ik moest helpen een egel te redden. Het zal niet meer gebeuren.’  “Egels redden zichzelf prima,’ zei mijn oude heer. Toen ik vertelde over het meisje, een groot dierenliefhebber en haar familie, leek hij iets in te binden. Ik maakte het verhaal groter en verzon dat de egel in het water had gedreven en zwemles had gekregen.
Vanaf die dag vroeg mijn pa regelmatig naar het egeltje en ik maakte uit zijn toon op dat hij mijn egelverhaal maar voor een deel geloofde.
De volgende dag na de reddingsactie sprak ik het meisje op onze school. Ze zei: ‘De egel heeft een zooitje gemaakt in onze schuur. Hij heeft de doos en het dekentje aan flinters gescheurd en een paar fietsbanden doorgeknaagd.’
Ik zou het ook gedaan hebben, dacht ik. Maar ik zei het niet. ‘We hebben hem vanmorgen vrijgelaten,’ ging ze verder. Ik lachte. Ik was blij voor de freedom van de egel en ik vertelde haar nooit hoe mijn vader haar had genoemd. Ik vond het ook niet kloppen;  ze was een zacht meisje dat van schapenwol haar eigen truien breide en haar stekels nooit opzette.  
 


zondag 26 november 2017


De man met het kusje

De man heeft een glanzend kusje op de rechterwang. Hij staat naast me in de Alkmaarse bibliotheek en werpt de boeken in de automaat. Hij weet ongetwijfeld niet dat hij met dat kusje als een stoombootwimpel rondloopt. Een rozerode kus, een afdruk van grote, gulzige lippen. Maar moet ik dit zeggen tegen deze onbekende man?

En hoe zeg ik dat dan? Want  stel: deze print is van een geheime liefde en hij gaat hier straks onwetend mee terug naar zijn Truusje. Ik moet hem waarschuwen voor het naderende onheil. Voorzichtig loop ik naar de kerel, die breed en kaal is en maak een gebaar naar mijn eigen wang. Hij snapt het niet, haalt zijn schouders op en loopt door de draaideur naar buiten. Ik zie hoe hij op de stoep wordt belaagd door een heks in een groen mantelpakje. Met haar handtasje slaat ze hem op zijn glimmende knikker en hij valt achterover. Maar net als hij daar ligt komt er een meisje aangerend. Ze heeft rozerode lipjes en ze zwaait naar de vrouw met haar armpjes. Ze laat iets zien, het is een lipstick. De vrouw stopt met slaan en scheldt nog een keer. Ik help de man overeind.  Het meisje, de dochter, valt huilend in mijn armen en kust me. De schrijver heeft nu ook een glanzend kusje op de rechterwang. Hoe kom ik nu thuis?   

maandag 11 september 2017

Egel

Ik lig achter het raam te wachten op onze egel. Als de zon vertrokken is komt hij door een gat in de schutting aangewaggeld. Snuffelt langs onze uitdijende bomenkwekerij, eet eerst nog een paar slakken - waar ik dus geen gif voor nodig heb- en stort zich dan smakkend op het egelvoer. Hij maakt behoorlijk wat lawaai. Hij is een echte herriemaker. Maar prachtig om hem zo van dichtbij te zien. Zou hij mij ook zien? Of zij?

zondag 25 juni 2017

De vogel in de pijp aangepaste versie

Dit is al een oud verhaal dat ik heb aangepast voor een schrijfwedstrijd van de Vogelbescherming. Het mag maximaal 350 woorden zijn.



Vanmorgen toen ik de wasmachine vulde, op de zolder, hoorde ik  een geluid. Het kwam uit een pijp die van het dak naar beneden loopt, maar niet meer wordt gebruikt. Aan het gefladder en gekrabbel te horen zou het een vogel kunnen zijn of een vleermuis. 

Ik probeerde de pijp open te krijgen, maar er zat veel  plakkerige tape omheen. Met een Stanleymes probeerde ik dat te verwijderen. Maar plotseling hoorde ik geen geluid meer. Het beestje is gestorven van de stress, dacht ik.

Ik deed de gereedschapskist  verdrietig  dicht en ging naar beneden.  Het krabbelen  begon  weer. Het was een onverdraaglijk, schurend, metaalachtig geluid en het ging het hele huis door. Mijn kat Minoes raakte nu ook overstuur. Ik besloot haar even op te sluiten. Daarna pakte ik een  schroevendraaier, wrikte woest  in op het onderstuk en hield de  kattenmand er onder.  En door een spleetje zag ik haar zitten: een  vogel. Een jonkie, zwart. ‘Help me nou ,’ ze klonk driftig.

Eindelijk beukte ik door het plastic. Het gat was groot genoeg. Zij zag het ook en viel uit de pijp.  Daarna  vloog ze in een oogwenk de trap af, het huis in. Ik ging haar achterna met de mand en dook boven op haar. Ze schreeuwde het uit, het was een ijselijke kreet.  Ze ontglipte  en fladderde door mijn kamer. Ze draaide omhoog en verdween weer in het trapgat. Ik rende achter haar aan, terug naar de zolder. Daar bleef ze rondjes draaien boven de wasmachine en tikte met haar snaveltje tegen het glas.

Toen zag ik wat ze bedoelde:  Mijn Minoes, zat in de wasmachine. Ik had haar opgesloten! Ik rukte aan de deur en greep de poes. Ze mankeerde niets. Achter me hoorde ik de vogel tokkelen. Ik keek haar aan en ze verdween door de  pijp naar buiten. Ik stopte mijn hoofd erin en een gele kwak landde op mijn neus. 

Toch riep ik haar na: ‘Vogeltje, held, als je in de buurt bent, kom  dan nog eens langs en neem dan de normale weg via de achtertuin.’