donderdag 31 december 2009

Moord in Cataloniestraat Alkmaar Noord

Gisteravond is er een onbekende man neergeschoten in onze straat. We gaan ervan uit dat het die donkere man was die daar op dat hoekje woonde met een vrouw een aantal kinderen en een schattig jong katje. Het leek ons een aardige man. Om een uur of tien, toen we kopjes naar de keuken brachten, ontdekten we dat er politie in de straat was. Zoveel blauw zie je nooit op straat.
We hebben niks gehoord, zaten een oude All you need is love kerstspecial te bekijken ik zelf meen een paar gierende banden te hebben gehoord. Rond dat tijdstip belde oom Ben.
Maar er was ook veel vuurwerk dus dat maakte het moeilijk. We vonden dat onze kat Sjaak een beetje raar deed, zat maar uit het raam te kijken met zijn kopje scheef. Doet ie anders nooit.
Ons medeleven gaat uit naar het slachtoffer en als het die buurman is ( is niet bekend gemaakt)
dan vooral naar de kinderen.

Er waren eens twee kunstgebitten die samen in een glas lagen, op een nachtkastje.
Ze hadden een druk gesprek. ‘Jouw baasje is een sloom type, zei de een, ‘ Maar ik zou me rot vervelen, de hele dag niks te doen…’
‘Ach,’ zei de ander. ‘It’s a job,’ hij geeuwde en zei: ‘Maar dan die van jou …en maar eten en maar eten, word je daar nooit eens moe van?’
‘Ja, ik ben weleens moe van dat geklapper, maar ja, ik ben van de straat en ik word goed
gepoetst elke avond, jij bent eigenlijk een echte uitvreter, je maakt misbruik van je baasje.!’
‘Wat bedoel je daarmee?’ De toon van het ene gebit was niet zo vriendelijk meer.
‘Jij bent een beetje een vervelend mannetje en je hoort in de gevangenis..!’
‘Zeg!’ het andere gebit was nu heel boos. Hij hapte en het andere gebit hapte terug.
Ze hapten dat de stukken er van af vlogen, tot er alleen nog losse tanden in het glas lagen.
En toen het ochtend werd werden de oude baasjes van de gebitten wakker.Ze wilden de gebitten in doen, maar tot hun verbazing zagen ze alleen nog maar tanden.Ze snapten er niets van. ‘Wie heeft dat nou gedaan?’ vroeg de vrouw.
‘Er is hier niemand geweest,’zei de man.
‘Ik ga het wel lijmen!’sliste de vrouw.Ze pakte een tube lijm waarop stond: ‘vastlijmer voor
eeuwig en altijd’ en begon met plakken.
Uiteindelijk waren er na uren weer twee gebitten. Maar toen de man het gebit in wilde doen zei hij: ‘Het past niet schat, ik zie het al: je hebt de kiezen geplakt waar de tanden moeten zitten, grote oen wat heb je nu gedaan?’
En de oude vrouw zag het en huilde zachtjes. ‘En met deze lijm gaat het nooit meer los,’snikte ze.
‘Ik ga ze weggooien,’zei de man hij liep naar buiten, naar een grote rivier en wierp ze in het
water. De twee gebitten zakten naar de bodem van de rivier.
‘Lekker rustig hier,’ zei het ene gebit.
‘Jazeker,’ zei het andere. ‘Geen geklapper meer… en als ik moet kiezen tussen drijven in een glas water of drijven in een rivier, dan kies ik voor het laatste, hier zie je nog eens wat..’
Er kwam een grote vis aan gezwommen die hen zorgvuldig bekeek.
‘Komme jullie hier doen?’vroeg hij kortaf.
‘Wij eh..zijn hier op bezoek,’ jokte het ene gebit.
‘Ja, vakantie,’ jokte het andere.
‘Hmmm… jullie lijken me niet zo lekker, om op te eten!’sprak hij en hij zwom verder.
Daarna maakten ze kennis met een verroeste bril, een kam met hier en daar een verloren tand,
en een linkerschoen met een hoge hak.
De verroeste bril was een gezellige grappenmaker. ‘Ik heb op het hoofd van een nurkse man gezeten, die de hele dag cijfertjes zat te tellen. Maar hij is gaan zwemmen en toen is hij me
kwijt geraakt. Helemaal niet erg, ik heb hier een prima leven met de vissen en ik heb zelfs een
baantje. Ik let erop dat de vissen niet in de haken bijten, die hier komen te hangen in de zomer.’
De kam zei niet veel. Ze was wel erg lief en vroeg: ‘En waar komen jullie vandaan?Ik ben
ook weggegooid, maar nu heb ik een ander leven.’
De linkerschoen met de hoge hak gaf hen een rondleiding over de bodem. Er lag een gezonken bootje en daarnaast iets verderop een auto. ‘Hier hebben we regelmatig feestjes samen met de vissen en andere verloren voorwerpen. Hartstikke gezellig!’
Boven, op het land, waren de baasjes ook tevreden. De oude man at veel minder, omdat het zonder tanden nu eenmaal moeilijker gaat en de oude vrouw praatte minder omdat ook dat
zonder tanden nu eenmaal veel moeilijker gaat. ‘Ik luister nu veel beter!’ bekende ze.
‘En ik val lekker af!’ zei de man.
Ja, nu de tanden en de baasjes van elkaar gescheiden waren, waren ze allemaal veel vrolijker. De gebitten in de rivier en de oude mensen op het land. En ze leefden allemaal nog lang en gelukkig!

woensdag 30 december 2009

zondag 10 januari 2010

O ja..ik begin om drie uur!!

voorlezen uit eigen werk


Op zondag 10 januari 2010 lees ik voor uit eigen werk in de galerie van Alja Spaan, galerie 9 en 40, aan de nieuwlandersingel te Alkmaar.

zondag 6 december 2009

Beetje ziek

Beetje ziek geweest de afgelopen twee weken. Iets teveel gedaan denk ik ook.
Of teveel hooi, of de vork was te klein....

De baard



De Baard beleeft zware tijden.
Behalve Fidel Castro heeft vrijwel elke naar succes smachtende man wèl haar, maar beslist niet onder de kin. Op de borst behoort het te groeien.
In het verleden hadden alleen mannen als Mozes en Iwan de Verschrikkelijke een baard. De afkeer van de baard is terug te vinden in de opmerking: “Ik krijg ereen sik van!”
De Vereniging van Baardliefhebbers “In de ban van de ring van de Baard” heeft getracht deze spreuk te veranderen in: “Ik krijg er een staart van!”
En met succes! De Vereniging van Succesvolle Gladde Jongens met een Staart heeft hier wel eens op Het Haagse Binnenhof tegen geprotesteerd.
Uiteraard is elke baard anders.
Je hebt mannen met een beschaafd tuinstedelijk gazonnetje maar ook mannen met een soppig omgeploegd voetbalveldje waarin met moeite twee oogje op te merken zijn. Men heeft het gevoel hier met een echte Baard te spreken.
En het is natuurlijk zo dat allen die willen te kapren varen.. juist!
En het is zo dat mannen met baarden veel intelligenter zijn.
Aan het Technological Institute van Massachusets heeft men ontdekt dat vanuit het baardgewas zogenaamde haropilinen naar de hersenen stromen en deze hebben een stimulerende ruimtelijke werking.
Mannen met Baarden zijn ook trouwlustiger en eten heel graag bananen.
Mannen met baarden zijn ook erg sociaal en de wereld met beslist een betere zijn. Maar sexy zal het wel nooit worden.






Kerst 1979

In november 1979 overleed mijn opa. Er werd besloten toch kerst te vieren met de familie, en behalve dit verhaal over de kauwgom van de kinderen kan ik nog zeggen dat de avond eindigde in een bijzondere soort uitgelatenheid, als reaktie op alles.

De lepeltjes voor het ijsdessert waren weg. De gehele familie raakte in paniek. Hoe kon een complete collectie lepeltjes zoek raken?
Oma wist het ook even niet meer. Het waren haar lepels en het was haar feestje.
Daar werden de kasten doorzocht en daar de laden, en onder het vloerkleed, tussen de banken, achter de gordijnen.
De kleinste kleindochter blies niet begrijpend een kauwgombel.
“Kauwgom!” riep oma. Ze holde naar de keuken en trok het vriesvak van de vriezer open. Daar lagen de lepels te glimmen. “Ik had ze even weggelegd om de kauwgom die er aan zat hard te laten worden ..”
De familie lachte. De kinderen hadden dus de substantie aan de lepels geplakt.
Men slurpte van zijn ijs, want dat was ondertussen gesmolten.

Sjoerd
2002 naar het kerstfeest van 1979 te IJmuiden

Op eenzame hoogte



Zomer. Hij kwam terug van een Atlantische vlucht met een grote, stalen vogel. Hij was niet zomaar een reiziger, nee, hij was de bestuurder, de menner van het vliegapparaat, de piloot. Een eenzaam beroep op eenzame hoogte. Arrogant keek hij neer op de werkende stumpers op de grond. Vanuit het kleine hokje voorin het toestel, had hij mooi zicht op de lappendeken van de aarde. Ze zwaaiden wel eens naar hem, maar hij zwaaide nooit terug. “Ben je gek?” Het idee alleen al!
Deze morgen was hij thuis, in Amsterdam. Alleen. Hij kookte een ei en stapte in bad. Hij liet het badkamerraam een stukje open, want hij hield van de geluiden buiten. Kinderstemmen, fietsbellen. Daarboven hoor je slechts het zoemen van de machine. En de wolken lachen wel, maar zeggen doen ze niks. Ze strelen de vleugels.
Terwijl hij weggleed in het weldadige warme water, fladderde ongemerkt een vlinder, wit als sneeuw, de badkamer binnen, door het open raam.
De vlinder landde op het puntje van de neus van de piloot. Die sloeg naar hem met een handbeweging, maar het beestje vloog tijdig op en landde weer op de neus. Zo herhaalde zich dit een paar keer. Toen zei de vlinder: “Heee .. halloo, ik ben Zouave, ik leef maar één dag en die wil ik met jou doorbrengen..”
“Waarom met mij?” brieste de piloot. “Ik heb maar één dag vrij, morgen ga ik naar Nigeria, ik wil vandaag naar het voetballen kijken en naar mijn moeder..”
“Dan ga ik met je mee..” sprak de vlinder.
“Asteblieft niet, ga weg, ik vlieg toch harder dan jij..”
“Wat heeft dat er mee te maken?” De vlinder was beledigd. “En ik. .ik ben.. veel vrijer dan jij ooit zult zijn met je grote vliegtuig. Ik .. ik . heb heus geen verkeersleider nodig..” De vlinder liet een miniscule traan. De piloot was eventjes ontroerd. Hij aaide met zijn vinger over haar voorhoofd, maar het zeepsop prikte in haar oogjes.
“Het spijt me,” zei hij. “Ik ben nogal ruw. Maar eh …wat wil je precies?”
De vlinder was weer een beetje hersteld en sprak: “Ik wil een baby..” “ Van jou..”
De piloot keek haar aan en lachte toen zo oorverdovend hard dat het radio verkeer van de vliegtuigen in problemen kwam.
“Botterik,” snerpte de vlinder en zij probeerde in zijn neus te bijten, wat niet ging, want die neus was te dik. “Lomperd! Denk je eens in: een baby van ons beiden: snel zal het kind zijn, sneller dan het geluid, maar ook vrijer, vrijer dan de wind..”
Ineens vloog zij op. “ Wat ga je doen?” vroeg de piloot. Zij zei niets, maar vloog naar het raam. Daar zat een zwarte vlinder, een man, en hij wenkte met zijn voelspriet naar haar.
“Het is te laat,” zei ze tegen de piloot. “Ik moet nu met hem mee. Jammer, wij zijn beide hoogvliegers, we hadden een dag kunnen fladderen samen. Dag! Het ga je goed!” Hij voelde een vleugel tegen zijn wang strijken en toen verdween ze. Hij stapte uit bad en gleed uit over een los slingerend stukje zeep en brak een been. Zes weken later, toen hij uit het ziekenhuis kwam, hing er een cocon aan een draadje in de sponning van zijn badkamerraam. Een rups! Een zwartwitte! Hij wandelde door zijn huis en keek naar de lucht en voelde zich veranderd. Kwam het door de zes weken hospitaal? Of was het de gedachte aan de vlinder en haar scherpe woorden: “Ik ben veel vrijer dan jij ooit zult zijn met je vliegtuig?” Die woorden vlogen door zijn ziel. Hij zag zijn alleenstaande buurvrouw langs lopen en zwaaide. De zomer. Hij wandelde de tuin in en vond tot zijn verbazing het dode lijfje van de vlinder. Hij hield het in zijn hand. “Nooit zal ik zo vrij zijn..” mompelde hij.
“Riep u mij buurman?” vroeg de buurvrouw.
“Eh..” “U mag wel bij mij effies langskomme. u bent ook maar alleen niet? Mag ik u iets vragen heb u nog geen vriendinnetje of zoiets, ach, een knappe man als u dat moet toch bij veel vrouwen opvallen..”
“Ja, ja,” zei hij en hij knikte wazig.
Toch vloog hij daarna nog vele jaren over de oceanen. Maar op een dag is men hem en zijn toestel kwijtgeraakt. En onder verscheidene Indianenvolken gaan verhalen dat men op een dag een reuze vlinder heeft gezien. Een vlinder, die zo hard vloog, dat de wind tot orkaankracht aanzwol. De vlinder vloog naar de zon en verbrandde.
In het huis van de piloot zocht men naar aanwijzingen voor zijn verdwijning, maar men vond alleen duizenden platen en afbeeldingen van vlinders.
Ze hingen aan de muren en vooral in de badkamer.
“Zie je wel,” zeiden de collega’s. “Het was een eenzame gek .. die dacht dat ie net zo kon vliegen als een vlinder!”
“Toch vond ik het een leuke man,” zei de buurvrouw. “Een echte lieverd..”




maandag 2 november 2009

Stupid Willie




Het was 1 augustus 1965, toen ik in de saloon van het stadje Hangyouupinthemorning in Texas tot mijn verbazing in het ultraslechte gezicht van ultraslechte Johnie keek.
Ik bestelde onmiddellijk driemaal veertig whiskey on the rocks met een emmer ijs en schoof dit alles Johnie toe, want Johnie moet je te vriend houden. Johnie mikte ogenblikkelijk de hele ijsemmer naar binnen. Op een ijzige toon zei hij daarna: “Jij ziet er dom genoeg uit..”
“Dank je,” zei ik. “Jij ziet er dom genoeg uit om mijn maat te worden. “Wat moet ik doen?” riep ik. “Gewoon jezelf blijven,” zei slechte Johnie en als een echte welzijnswerker schoot hij driemaal drie is negen (ieder zingt zijn eigen lied) kogels uit zijn colt 45 in de piano en in de barman die als laatste woorden riep: “Ik krijg nog driehonderd dollar van jou, smerige luis!” Maar daarna zweeg hij voor eeuwig. “Wat vind je van mijn blaffertje?” vroeg slechte Johnie.
“Heb je een hondje dan, slechte Johnie?” vroeg ik.
“Jij bent slim,” zei Johnie. “Jij begrijpt het, nergens over praten.. maar kom mee, want we hebben nog een hoop werk te doen..”
Onderweg kwamen we de sheriff tegen die ons vroeg of we twee bandieten hadden gezien die geschoten zouden hebben in de saloon..
“Welke saloon?” vroegen we. “Hands up?” “Nee,” zei de sheriff. “Saloon de Blauwe Boen..” “Nee,” antwoordden wij. “In saloon de Blauwe Boen komen we nooit..” “Goed,” zei de sheriff. “Dank jullie wel..”
Ondertussen spoedden wij ons naar de County Bank aan de overkant. Ik bond mijn horse goed vast, want ik wist uit Arendsoog dat er veel te veel veedieven zijn in het Wilde Westen. Ik legde er voor de zekerheid drieëndertig knopen in.
Uit de bank kwamen kwamen inmiddels allemaal witte rookwolkjes en daarna zwarte vlammen. Ik wist zeker dat de overval niet gelukt was en ik knielde neer om Johnie te herdenken. “Arme, slechte Johnie,” dacht ik en ik ging naar de bloemist om een krans te bestellen. Toen ik terugkwam stond er een hele troep geteisem voor de bank, die mij wilden pakken, zo te zien. Terwijl ik helemaal niets gestolen had. O, ik probeerde mijn paardje los te maken, maar die verrekte knoop zat in de weg. En zo werd ik toch nog beroemd.
Van de County Bank ging ik naar de County Jail en mijn foto reisde naar de County Press. Ik stond in alle kranten en ik las daarin dat Johnie met de poet door een openstaand toiletraampje was ontsnapt.
Ik heb hem nooit meer teruggezien. Nu ik na 20 jaar vrij ben zoon, vraag ik je, doe niet als je vader. Ik verlang heel erg terug naar die spannende uren met Johnie, maar ik zou het niet graag overdoen.

Je vader, yours,
Stupid Willie

geschreven ergens rond 1992 (tijdje terug toch al)

vrijdag 13 maart 2009

Ochtendnevel. De zon komt op. Rekt zich in het oosten uit. Anja stond ook vroeg op.
We zeiden tegelijk: ‘Ik wil niet, ik wil niet naar mijn werk.’
Maar je moet, tenzij je de Staatsloterij wint. Aan de horizon kerktorens, een zendmast.
De vogels beginnen al te fluiten, ’s morgens. De mannetjes zetten een dikke keel op.
Mijn hoofd zit nog vol ochtendnevel. Het is vrijdag de 13e, maar alles is rustig. De dagen
gaan in ijzeren regelmaat. Mijn ouders zijn in Rome. Als er maar niks gebeurt vandaag.

De paardendans

Ik vroeg aan het paard met de zilveren manen: ‘Kun jij dansen paard?’
Hij lachtte zijn tanden bloot en hinnikte: ‘Ja, ja, ja! Ik kan dansen, wil je het zien?’
Ik zei: ‘Leuk!’
En de wind speelde voor fluit en de konijnen trommelden en een vogel zong.
Het paard huppelde over het gras. Hij draaide rondjes op zijn achterste
benen, schudde met zijn bips en deed een moonwalk, dat is een soort achteruitlopen of er kauwgom onder je zolen plakt.
Toen stopte hij en bleef op zijn bips zitten. Hij strekte zijn voorbenen
en ik applaudiseerde. ‘Je mag dit nooit vertellen aan iemand!’ zei het paard
toen ik hem een appeltje gaf. ‘Doe ik,’ zei ik. Maar nu schrijf ik het toch op.
Ik noem zijn naam niet, nou ja, die weet ik niet eens.

zondag 1 november 2009

De kinderen van onze kinderen van onze kinderen


Ik liep vandaag langs een gracht. Ik vond het mooi. Het water ving het gele herfstlicht en straalde het naar me door. Ja, ik vond het prachtig. Maar er was een tijd, toen vonden
mensen die grachten helemaal niet mooi. Ze werden ziek van het smerige, stinkende water. Dus zeiden ze: weg ermee en dicht gooien met zand! Zo verdwenen heel veel
grachtjes. En onze molens? Vonden onze voorouders ook niet mooi. Lelijke, houten,
plompe dingen, handig om te malen, hout of water, maar meer niet. Dus: weg ermee en
affikken die rare dingen!
Ook boten met een zeiltje niet veel goeds doen. Veel te langzaam en zwaar. Dus: weg ermee! Naar het museum met die gedrochten! Zo verdwenen de grachten, de molens, de bootjes en ook de klompen. Nu vinden wij die dingen weer mooi. Zo veranderen de tijd en de gedachtes van mensen steeds weer. Dus een vraag: wat zullen de kinderen van onze kinderen van onze kinderen straks mooi vinden wat wij nu alleen maar nuttig vinden? Ik noem wat op: een snelweg, een windmolenpark, een staalfabriek met hoge schoorstenen, een winkelcentrum met een Blokker en de HEMA, een metrotunnel, een
kastje voor de electriciteit.
Bewaar dit stukje tot het jaar 2508. Dan praten we verder.

geschreven op 20-10-2008

donderdag 29 oktober 2009

Het bietenmeisje

Linde was aan het eten met haar ouders. Maar ze vond het vreselijk vies. En vader was ook zo
ontzettend streng. Hij zei:‘Je gaat niet eerder van tafel dan dat je dat allemaal hebt opgegeten.
Heel veel kinderen in de wereld krijgen geen eten, die zouden een moord doen voor zo’n heerlijk bord eten..!’ Hij keek moeder aan. Zijn gezicht was rood van woede. Moeder zuchtte.
Ze was verdrietig dat Linde geen bietjes lustte. Maar de laatste tijd lustte Linde bijna helemaal niets meer. Elke avond was het weer een strijd. ‘Ondankbaar kind!’ riep papa en hij stond op
van tafel. ‘Kom moeder!’ zei hij. ‘Wij gaan en zij blijft zitten net zolang tot het op is.. ’ Moeder begon te huilen en ook Linde had dikke tranen. Maar vader deed of het allemaal niets
deed. Hij stapte de deur uit en nam moeder mee. Daar zat Linde dan, helemaal alleen, met voor haar een bord bietjes.
Geertje en Grietje, de kaboutervrouwtjes, waren juist bosbessen wezen plukken toen ze het lawaai in de kamer hoorden. ‘Hoor je dat Geert?’ zei Griet. ‘Wat moet ik horen Griet?’
‘Hoor…een huilend kind!’ Ze hoorden het nu allebei: een hartverscheurend snikken van een
kindje. Snel klommen ze via de regenpijp door het openstaande raam, om eens beter te kunnen kijken wat er aan de hand was. Kabouters zijn echte acrobaten hoor, die zitten daar
niet mee! Dus toen ze binnen waren zagen ze Linde achter haar bord zitten.
Geertje en Grietje klommen verder op de tafel en Geertje vroeg: ‘Waarom wil je dan niet eten Linde?’
Linde riep woedend : ‘Ik hou niet van bietjes, bietjes zijn bah, wil geen bietjes!’
Geertje probeerde: ‘Maar neem dan een hapje liefje! Moet ik je helpen?’
Linde riep: ‘Nee! Bah! Wil niet geholpen worden, wil geen bietjes!’
Grietje streelde haar handjes om haar een beetje te kalmeren en zei: ‘Nou, nou, schatje , hee maar jij wil toch later een grote dame worden?’
‘Nee!’
‘Nee? Hoor je dat Grietje: ze wil klein blijven Geert, nou dan kan ze wel bij ons komen wonen in de paddenstoel! Is wel zo gezellig!’
‘Ik wil bij pappa en mama blijven!’huilde Linde. ‘En ik wil geen bietjes!’
Geertje dacht even na en zei toen: ‘Weet je wat Linde? Neem een kabouterbietje, dat is heel lekker!’
Linde keek verbaasd. Ze had nog nooit gehoord van een kabouterbietje.
Uit haar schortje haalde Geertje een klein snoepje. Het zag er inderdaad uit als een bietje,
maar het was uiteraard veel lekkerder!
Linde stopte even met huilen. Ze pakte het kabouterbietje en rook eraan. Het rook heerlijk
zoet! Zo zoet dat ook Gerrit, hun kat, het rook en op de lucht afkwam.
Plotseling stond hij achter Geert en Grietje en zag twee heerlijke kabouterhapjes. Hij kreeg
alleen met feestdagen een stukje vlees. Voor de rest was hij aangewezen op de muizen in de
tuin , maar die lachten hem altijd uit, omdat hij zo lekker dom was. Maar deze kans kon niet
missen . Voor hem op tafel: twee heerlijks snacks, kant en klaar en hij hoefde er niets voor te
doen !
Geert zag hem het eerst: ‘Griet!’ riep ze. ‘Kijk uit!’
Gerrit deed zijn kaken al open om Griet naar binnen te schuiven.
Geertje schreeuwde en blies tegen de kat en riep de kaboutertje – groot – worden - toverspreuk.
Ze stak haar armpjes in de lucht en zei:’K word groot , ik word groter en ik word bloot en
ik word bloter…. ik word –groter - ram - bam - bom - ram - bam - bom..!’
En Grietje groeide en groeide en ze barstte uit haar kleren. En ook Geertje groeide mee.
en ook zij knapte uit haar kleding en toen stonden ze bloot. Ze waren zo groot als een
volwassen mens.
Linde begon vreselijk te huilen, en Gerrit de kat rende voor zijn leven..
Ja, ze herinnerden zich nu maar al te goed wat ze moesten doen, nu ze zo groot waren geworden, de wijze woorden van de Grote Kabouter, hun toverleraar, galmden door hun hoofd. Als je eenmaal groot bent is er geen toverspreuk om klein te worden. Er is dan maar een manier: je ingraven in de aarde en dan, omdat de aarde je sappen opneemt, kleiner worden, maar heel langzaam, dat kan een heel seizoen duren!
Geertje en Grietje jammerden dat dit hen moest overkomen. O, en wat zonde van die heerlijke
bosbessen! Geertje begon als eerste een gat te graven. Ze ging er in liggen en al spoedig sliep
ze een diepe winterslaap. Ook Grietje ging graven en lag in de grond te zuchten tot ze ook in slaap viel.
En elke dag gingen Linde en haar moeder kijken naar de plek in het bos waar Geertje en Grietje lagen. ‘Wanneer komen ze dan weer boven mama?’ vroeg Linde ongeduldig.
‘Ach, Linde dat weet ik niet ..’
‘Weet papa het misschien?’
‘Papa gelooft niet in kabouters..’
Zo werd het geduld van Linde heel erg op de proef gesteld. Het duurde en het duurde maar.
Er kwam sneeuw en ijs en de Sint kwam en op haar lijstje zette ze: twee kaboutervrouwtjes.
Linde en haar moeder stonden bij de grond er lag een laagje sneeuw. ‘Daaronder liggen ze
Linde zei moeder ‘Als de lente komt dan zien we ze weer terug..’’
De Sint vond wel wat in de speelgoedwinkel, maar Linde leek er niet echt blij mee.
Toch ging de winter voorbij. Toen de zon weer kwam en met voorzichtige stralen leven wekte.
Op een dag in de vroege lente wandelden Linde en haar moeder weer langs de plek in het bos.
Er stonden twee kleine planten op de plaats in de aarde.
Naast de planten stond een mannetje met een schoffel. Hij had een woeste baard en doordringende ogen, hij zag er vies en onaangenaam uit. ‘Wat doet u hier?’ vroeg moeder ongerust. ‘Ik ga hier een bietenveld aanleggen!’ zei de man dreigend.
‘Dat gaat u niet!’ riep moeder. En dat zei ze omdat de man anders de planten kapot zou maken
die van Geert en Griet waren.
‘Dat ga ik wel!’ riep de man.
Zo stonden ze dreigend tegenover elkaar. Ineens kwam Gerrit de kat uit de struiken. Hij had
net een heerlijke muis laten ontsnappen, dus hij was hartstikke chagrijnig.
‘Wat een herrie hier!’mokte hij. ‘Wat is dat allemaal?’
Linde prevelde: “En jij wordt groter en jij wordt bloter van je rom bam bom .. ”
Gerrit werd plots heel groot, hij had het formaat van een paard.  Hij blies naar de bietenveldman die achteruit deinsde en mompelde: ‘Poezie .. mauwww ..rustig maar.. ik ga al…’ en hij schoot weg als een raket. Linde en haar moeder moesten er heel hard om lachen. Ze keken weer naar de planten. Er zaten vruchten aan die leken op een soort rode puntmuts.
‘Kijk eens: Linde,’ zei moeder. ‘Puntmutsvruchten leuk, hè?’ Ze plukte de vruchten en zei: ‘Doe je handje eens open..!’
Linde opende haar hand en mam legde de vruchtjes erin. Door de warmte zetten ze snel uit
en knapten ze open. Op haar hand lagen twee naakte kaboutervrouwtjes. Ze openden hun ogen. Grietje zei: ‘Mmmm…wat heb ik lekker geslapen!’En Geertje zei: ‘Hee, Linde wat ben jij groot geworden? Heb je al je bietjes opgegeten?”
‘Nee,’ zei Linde. ‘Ik eet nooit meer een bietje!’Ze zette de vrouwtjes zachtjes neer bij het paddenstoelen huisje bij de eikenboom.
‘Wat grappig?’ zei moeder. ‘Een paddenstoel in de lente..! Maar lieve dames ik heb wat voor jullie bewaard in mijn vriezer, kijk eens: jullie bosbessen die jullie achter hebben gelaten .. !’
De twee dametjes riepen tegelijk: ‘Dank u wel mevrouw! Wat lief!’ En ze verdwenen in hun
paddenstoeltje.
Linde en mama huppelden naar huis. Daar zat papa alleen achter een bord met bietjes.
Ze schoten allebei in de lach en gingen frietjes bakken.

donderdag 8 oktober 2009

De visser aan de waterkant


Je zag hem niet, maar je wist dat hij er was, die man uit het dodenrijk. Je zag waterdruppels uit zijn hemd. De zee was rondom, de vissen aten tot hun buikje vol was. Nu hoorde je zijn stem terwijl je aan de oever aan het vissen was. Hij sprak: "Beet! Je hebt beet!" En je draaide sneller en sneller aan de molen van de hengel. Maar de vis was groter dan je dacht en je draaide nog harder. Je hield je schepnet er onder en daar zag je een handschoen, een hoed, een jas, om te ontdekken dat er een geraamte naar boven kwam. Het geraamte sprak: "Ik ben een man uit het dodenrijk en wie ben jij?"
En je zei: "Ik ben de visser aan de waterkant en ik ga jou terugwerpen omdat je geen vis bent.."
"Dat doe je niet!" riep het geraamte. "Ik ben je vriend!"
"Dat ben je niet!" roep je terug.
"Help me vriend!" roept het geraamte. En omdat je zo aardig bent takel je de gebleekte botten op en de knekels klapperen het zeewier uit hun ribben. "Ik hou van je!" roept het skelet. "Kom in mijn armen!" "Nee!" roep je angstig. "Laat me gaan!"
"Dan ga ik naast je zitten," zegt het skelet.
"Je doet maar," zeg je.
En het skelet zit naast je en vertelt dat hij een man uit het dodenrijk is en dat het er zo leuk is en dat je beslist eens langs moet komen, want je hebt er elk jaar een lijkrace met lijkwagens op de jaarlijkse kermis...
"Leuk!" zeg je. " Gezellig! Maar kun je even stil zijn, want de vissen bijten niet als je zo praat.."
"Je bent bang voor me ..?"
"Mwaohg.."
"Ja, ha, je bent bang dat ik je meeneem en dat je niet meer terugkunt.."
"Ik ga niet weg, schei uit.."
"Ik was ooit een levende man," begint het skelet. "Ik was geliefd bij iedereen, maar ik was ook misdadig, ik overviel banken .. je kent het wel.. weet je.."
"Nee!" zeg je dwars. "En op een dag ben ik vermoord door een aantal lieve vrienden..
hier een schot, hier een schot en hier een schot.."
"Ik ga verderop zitten," zeg je en dat doe je ook. Je kijkt bedenkelijk naar je hengel en af en toe zie je dat de engerd naar je zwaait. Dan wordt het nacht en de kou omarmt je, maar weggaan vind je laf ten opzichte van de griezel die inmiddels weer naast je zit en zijn knoken om je heen geslagen heeft.
De volgende morgen word je wakker. "U was nogal koud!" zegt de verpleegkundige. "U had de temperatuur van een kikker!"
"Mwaohg," mompel je.
Er wordt een thermometer in je achterste geschoven en twee dokters mompelen over het wonder dat je nog in leven bent.
"Ik heb gewonnen van de dood," mompel je hulpeloos.
"Het komt soms voor dat mensen zo praten na zoiets, "onderwijst de oudste dokter. "Gebrek aan kalium.."
"Ik dacht aan een psychiater," zegt de arts-assistent.
"Nee!" roep je. "Neem me niet mee!"
"John, ik ben het," zegt je moeder. "Kijk eens wat je gevangen hebt!"
Je ogen ontwaren op de foto die ze je laat zien, een vis van zeker vijf meter lang.
Je weet zeker dat jij die niet gevangen hebt en je weet ook wie wel.
En je bent niet blij.

donderdag 27 augustus 2009

Allessandro en Claudio


In een ver land, dat heel warm was en aan de grote, diepblauwe zee lag, woonde eens een man die Allessandro heette. Hij was een knappe, bruine man en hij kon heel goed koken. De lekkerste gerechten maakte hij en hij vertelde nooit aan iemand hoe hij dat deed.
Dat was zijn geheim. Alleen Claudio, de ober in hun restaurant keek weleens over zijn schouders, stiekem. ’s Morgens sliepen ze altijd uit, om dan ’s middags naar de markt te gaan, die in hun kleine dorp dagelijks werd georganiseerd. Dat deden ze ook al zo lang. Allessandro en Claudio waren broers en ze kenden alle kooplieden van de markt. Cesario lachte altijd. Hij verkocht citroenen. En Miranda, zij verkocht broden. En dan was er nog Mario, die vis verkocht.
De mannen bleven stil staan.
‘Wat voor vis heb je vandaag Mario?’ vroeg Allesandro.
‘Ik heb vandaag een ele speciale fiesj,’ fluisterde het kereltje.
Mario aarzelde, zuchtte even en wees toen op een enorme vis. Hij was zeker een meter lang.
‘Eel speciaaal,’ zei hij zacht. ‘Ook ele speciaaale prijsje ... voor joellie ..’
‘Wat is dat dan voor vis Mario?’ vroeg Allesandro.
‘Dat is een porreguantanatakilaka..’
‘Een watte..?’ vroegen de broertjes tegelijk.
‘Een porreguantanatakilaka ... een heerlijke vis, super lekker, gebeurt maar heel zelden dat ik er eentje zie.. hiermee kun je een prijs winnen voor het lekkerste restaurant van de hele wereld..’ ‘Zo,’ zei Allesandro gretig. ‘En wat mag deze vis kosten?’
‘Voor jou, omdat jij mijn vriend bent…vijftig en een half ... ’
‘Vijftig en een half? Is die vis van goud, wat een hoop geld Mario, dat is ons hele maandloon .. Ik zou zeggen veertig en een half ...’
‘Waar moet ik dan van leven met zulke klanten? Vijfenveertig en een half ...’
‘Goed, goed,’ sprak Claudio. ‘Vijfenveertig en een half.. we nemen de vis ... de porregudinges ...’
Ze betaalden en sleepten de vis naar het restaurant. Hij woog erg veel dus ze moesten al hun spieren aanspreken! Ze hesen de vis in het vriesvak en begonnen met de voorbereiding voor de
avond: schoonmaken, tafels dekken, alvast de beroemde soep koken.
Het werd snel avond en Allessandro besloot de vis te gaan verwerken.
Plotseling hoorde Claudio, die de wijn aan het proeven was, een harde gil uit de keuken. Hij spoog de wijn uit, rende naar de keuken en zag Allessandro geschrokken met een mes naar de vis wijzen ... De buik was opengesneden en er stak iets uit. Het leek wel een voet!
‘Wat is er gebeurd Allessandro?’ vroeg Claudio bezorgd. ‘Ik zag, ik zag…’
hijgde Allessandro. ‘Wat zag je?’ drong Claudio aan. ‘Ik zag … een baby!’
Claudio zag het nu ook. In de buik van de vis zat een baby en het spartelde
met zijn handjes. ‘Een baby,’ zei hij starend. ‘Een baby, die kunnen we niet serveren in het restaurant, die kost alleen maar ... melk!’
‘Ja melk,’ zei Allessandro. ‘Maar hoe komt de baby in de buik van deze vis?’
‘Hoe komt hij eruit?’ vroeg Claudio praktisch.
‘Trekken!’ Allessandro stak een grote hand uit en trok aan de handjes
van het kind. ‘Niet zo hard!’ Waarschuwde Claudio en hij duwde een beetje tegen.
Langzaam kwam het kindje, een meisje, naar buiten. Ze keken er allebei ademloos naar. Het was mooi roze en begon te huilen. ‘Ook dat nog!’ zuchtte Claudio. ‘Dat is niet goed voor mijn klandizie, dat lawaai!’
‘Allessandro broeder!’ riep Claudio plotseling en zijn ogen werden groot als schoteltjes. ‘Het kindje, kijk dan!’ Allessandro zag het nu ook: het kindje had geen beentjes en geen voetjes,
maar een staart! Bovendien had het heel lang, blond haar.
‘Een zeemeermin kindje, een staart en heel lang haar!’ mompelde Claudio, ‘die mogen we misschien wel opdienen!’
‘De vis is niet zijn moeder,’ zei Allessandro ernstig. ‘Hij is ingeslikt door deze knaap. En hij leeft…’
‘Is goed te horen ...’ Allessandro pakte het kindje op en zoende het. ‘Een zeemeerminbaby moet in water ... ’
Ze lieten snel een bak vollopen met warm water en deden het jong er voorzichtig in. Daarin zwom het direct heel vrolijk heen en weer, als een blije vis.
Het spartelde, dartelde, sprong omhoog, dook onder water en spoot vocht als een fontein.
‘Water was goed!’ zei Allessandro.
‘Ok, maar wat doen we nu?’
‘Naar zee brengen,’ zei de kok.
‘Dat kan toch niet!’ protesteerde de ober. ‘Hij heeft een moeder nodig!’
‘Waarom dan? Hij kan toch al zwemmen? Kijk, heeft geen zwemdiploma
nodig!’ ‘Eten, mijnheer de kok, hij moet drinken bij zijn moeder, melk ..’
‘Het is een vis, die drinkt geen melk ... ’
‘Het is geen vis, het is een meerminbaby!’
Toen ging de deur van de keuken open en Gentilia kwam binnen. Zij was de baas van het restaurant en zij telde de centjes en gaf Allessandro en Claudio aan het eind van de maand hun loon. Veels te weinig, vonden zij, voor zo’n befaamd restaurant.
‘Wat maken jullie een herrie!’ riep ze. ‘Hebben jullie ruzie?’
‘Nee!’ loog Allessandro.
‘Nee!’ loog Claudio.
‘Dus jullie hebben ruzie!’ concludeerde Gentilia. Toen zag ze de meermin zwemmen.
‘Nee!’ loog Allessandro.
‘Nee hoor! loog Claudio.
‘Dus jullie hebben ruzie!’ concludeerde Gentilia. Toen zag ze de meermin baby zwemmen.
‘Wat is dat voor vis?’ riep ze geschrokken. De beide mannen zwegen.
‘Jullie halen toch geen rottigheid uit hè?’
Ze duwde de mannen opzij en keek in de bak. ‘O! Een zeemeermin baby! Wat schattig en o ... wat heerlijk om op te eten! Dat is een echte lekkernij, volgens mijn grootmoeder. Ik heb het nooit gegeten, maar het schijnt heerlijk te zijn! Met dille en marjolein en een snufje peper. Waar wachten jullie nog op? Over een uur gaan we open. Hup, hup! Maak ‘ m klaar! O, en knip zijn haar af, dan kan hij niet ontsnappen, als je een zeermeermin vangt is dat het eerste wat je moet
doen, onthou dat!’ Ze beende weg en Allessandro en Claudio hoorden de voordeur slaan en daarna een auto wegrijden. Claudio pakte een schaar en knipte de blonde lokken van de baby af. Het leek haar weinig te doen.
Daarna liepen ze samen voorzichtig het restaurant binnen met de meerminbaby en keken om hen heen. Gentilia was nergens te bekennen. Zachtjes lieten ze haar in het aquarium zakken. Het water stroomde over de rand, Claudio rende om een dweil te halen. ‘Wat als ze het ziet?’vroeg hij toen hij uitgedweild was.
‘Ze ziet het niet joh, zeg niet zulke stomme dingen..!’ Zei Allessandro en daarin had hij gelijk: Gentilia zag die avond niks. Er was een ouder echtpaar dat zeemeermin baby bestelde en die kregen haringen op hun bord. Ze merkten niets.
‘Heerlijk!’ zei Gentilia die opgetogen was en de keuken kwam binnenstralen. ‘Zeg mannen van me … die zeemeerminbaby, wat een succes is dat ... hoe krijgen we daar meer van? Hebben jullie het adres nog van de leverancier?’ Maar voor ze antwoord konden geven, was Gentilia al weg. ‘Krijgen we nu ook salarisverhoging?’ lachte Claudio, want hij had al in geen jaren meer opslag gehad.
Het werd nacht. Ze doofden de oven, wasten af en ruimden op. Daarna zaten ze bij elkaar in het restaurant, met een glas rode wijn. De gasten waren allemaal weg. ‘Wat gaan we doen met haar?’ wees Allessandro naar de baby. ‘We kunnen haar hier niet houden, dan gaat ze dood..’ In de baby zat inderdaad nog weinig leven. Ze dreef, maar meer ook niet.
‘We brengen haar naar zee,’ zei Claudio.
‘Wanneer?’
‘Nu…’
De twee mannen pakten de meermin. Plots hoorden ze: “Wat moet dat?’ het was Gentilia. ‘Wij… eh …’ begon Claudio. Maar Claudio pakte de meermin en rende met haar naar de achterdeur.
‘Houd de dief!’ riep Gentilia. ‘Politie!' Ze draaide een alarmnummer en Allessandro probeerde haar tegen te houden. ‘Niet doen!’ riep hij. Maar de politie kwam snel. Ze renden achter Claudio aan die zich naar de zee haastte. De baby huilde oorverdovend. ‘Stil joh!’riep Claudio. ‘Ik breng je terug!' Hij was bijna bij de zee. Nog vijf meter. Hij was omsingeld door agenten. Ze wilden op hem schieten met hun pistolen, maar plotseling lag er op de golven een prachtige vrouw. Een zeemeermin. Ze had een schitterende, lange staart en prachtig lang golvend blond haar.
Ze riep: ‘Monsieur, heeft u misschien mijn baby gezien?’
De vier agenten liepen op Claudio af.
Toen wees de meermin op de baby en ze riep: ‘Dat is mijn baby! Houd de dief!’
In de verte kwam Gentilia aangerend.
‘Dat is mijn vis! Agent, hij heeft hem gestolen uit mijn restaurant! Houd de dief!’
De oudste politie agent begreep er niets meer van.
Van wie was nu de baby of de vis?
Toen zei hij rustig: ‘Goed als ze van jullie allebei is, dan hak ik haar doormidden!’
Hij pakte zijn zwaard en met de andere hand hield hij de kleine omhoog.
‘Nee!’ riep de mooie meerminmevrouw. ‘ Geef haar dan aan die andere
vrouw !’ ‘Nee!’ riep Gentilia. ‘Geef haar dan aan haar, die zeemeermin.’
‘Dan hak ik nu de baby doormidden!’ zei de agent en zijn zwaard ging omhoog en iedereen hield zijn adem in. Maar toen deed de baby iets wat alle babietjes doen overal ter wereld, of ze nu in de zee leven, of in de lucht, of op het land. Zij deed een poepje en het poepje viel boven op de neus van de arme agent. “ Jeg, getsie!’ riep die van de schrik. ‘Bah, wat vies!’
Het was ook een heel vies gezicht, die agent in zijn mooie pak, met op zijn neus een grote bruine flats. ‘Jullie mogen hem houden!’ riep hij boos. ‘Ik heb er genoeg van. Zoek het maar uit!’ Hij wierp het kindje in de zee en stak zelf zijn hoofd onder water om de snert eraf te wassen.
De moeder meermin zwom naar de baby en nam haar in haar armen.
In het licht van de maan was goed te zien dat de haren van het kindje begonnen te groeien en heel snel weer heel lang en golvend blond werden.
‘De baby is weer vrij!’ huilde Gentilia. ‘De haren zijn weer lang! Wat een pech!’
‘Je bent weer van mij!’ huilde de meerminmoeder. ‘Kind wat heb ik je gemist! Wat heb je me aangedaan door in die vis te zwemmen!’
Ze spartelden in de zee en zwommen toen naar de horizon. Daarna heeft nooit meer iemand ze gezien. Ze leven gelukkig in hun meerminnenstad, op de bodem van de grote oceaan.
Maar Claudio en Allessandro werden nog diezelfde nacht ontslagen door Gentilia en begonnen de volgende ochtend hun eigen restaurant. Soms vertellen ze er over aan de gasten die heel hard moesten lachen om het verhaal. ‘Hebben jullie een foto van de meerminbaby?’ vragen
sommigen. ‘Nee,’ zeggen ze dan tegelijk. ‘Wij hebben haar in ons hart..!’ en dan kloppen ze op hun trotse borst.
Ga maar eens eten bij ze, en let dan eens op dat lange lint dat aan het plafond hangt, boven het aquarium, is dat soms het zeemeerminnenbaby haar?

woensdag 15 juli 2009

Henk Blufstra en de reuzenbij



Henk Blufstra leest graag sprookjes. Hij was allang geen kind meer, maar hij vond het fijn om over elfen en prinsen en prinsessen te lezen.
Op een avond zat mijnheer Blufstra nog even in zijn favoriete stoel bij het raam dat uitzicht bood over de tuin. Het was zo’n zeldzame zachte avond. In de verte speelde iemand een sonate op een piano en de klanken rolden zo teder. O, en alles rook zo zoet, het was zalig daar te zijn.
Hij dommelde een beetje in, toen er plotseling een reuzenbij zijn kamer in kwam zweven. Het was echt een hele grote bij, van zeker drie meter lang en twee meter hoog, met erg grote ogen en vooral een erg grote bek. En wat denk je van die lange, gevaarlijke angel die uit zijn achterwerk stak? Mijnheer Blufstra schrok zich rot. Hij stond op uit zijn stoel en riep: ‘Pssst! Ga weg! Ga weg!’ en hij wapperde met zijn handen. Maar daar was de reuzenbij niet gevoelig voor… ‘Ik ga je steken!’ siste hij. ‘Akelig mannetje!’
Mijnheer Blufstra hoorde stemmen om hem heen. Het waren joelende cowboys met grote hoeden en laarzen en pistolen. Eentje schoot een gat in het plafond en de anderen riepen: ‘Yiehoe! Vang hem Blufstra! Vang hem!’ En ze gooiden hem een lasso toe waarmee ze normaal hun koeien vingen. Mijnheer Blufstra kon hem nog net op tijd vangen, want de bij boog zijn enorme kop en ramde hem omver. Henk Blufstra stond echter snel op en cirkelde met de lasso, hoewel hij niet goed wist hoe dat moest. De bij draaide zich om en probeerde hem met de angel te prikken. Henk dook weg en rolde door het zand. ‘Mis!’ riep hij. ‘Walgelijk type!’ Hij cirkelde nog eens met de lasso en de lus schoof over de angel. Mijnheer Blufstra trok uit volle macht en ook de bij trok uit volle macht, maar dan de andere kant uit, dat begrijp je.
De cowboys joelden en juichten en de whisky ging gretig van hand tot hand.
Ook gooiden ze volop met dollars om te gokken wie er zou winnen..
Mijnheer Blufstra zag rood van de inspanning. Zweet drupte van zijn voorhoofd. Ook de bij spande zijn kaken en trok … en mijnheer Blufstra scheurde bijna uit zijn hemd.. en toen .. en toen .. krak! Daar sprong de angel uit het lijf van de bij en door de schok tuimelde mijnheer Blufstra achterover. De bij vloog met zijn kop tegen de breedbeeldtelevisie en bleef eventjes bewusteloos liggen. De cowboys lachten heel hard en liepen vloekend weg. Henk Blufstra stapte op de bij af, tilde hem op, met al zijn kracht, en duwde hem uit het raam. Het beest duikelde eerst naar beneden, maar vlak voor hij op de grond was, vouwde hij zijn vleugels open en vloog weg als een zwarte schaduw tegen de roder wordende zon. Blufstra veegde het zand bij elkaar, deed dit in de vuilnisemmer en zag toen de angel liggen. Een lang ding, met een  gemene, scherpe punt.  Wat had er niet kunnen gebeuren met hem als het beest hem daarmee gestoken had. Hij wierp ook de angel uit het raam en die verdween in het water van de gracht. Zijn vrouw kwam thuis van haar zangkoor. Snel ging hij in zijn stoel zitten of er niets gebeurd was. ‘Dag schat,’ zei ze. ‘Wat heb je rooie wangen? Heb je koorts?’ ‘Nee hoor,’ zei hij. ‘Heee ... !’ wees ze. ‘Wat is dat nou?’ ze pakte de lasso beet. ‘Een lasso. Wat leuk. Hoe kom je daar aan? Ga je cowboytje spelen?’ Ze geeuwde. ‘Het was gezellig, maar warm vanavond op het koor. Ik neem nog een glas water en dan ga ik naar bed. Zie je zo schat!’ Ze vertrok en hij stond op. Hij sloot het raam en zag de bij niet meer. Het was donker. Hij rook nog even aan de zoete geur van de zomer. ‘Waar zou de bij gebleven zijn?’ dacht hij hardop. ‘Naar de eerste hulp, denk ik ..’ Hij zag in een hoekje van de kamer nog een bergje geld liggen. Dollars van de cowboys! Even voelde hij zich opgewonden, maar toen zag hij het alweer: nep dollars, dat kon ook niet anders op zo’n sprookjesachtige, zomerse avond. ‘Ik kom eraan schat!’ geeuwde hij door het kogelgat naar boven.

zondag 12 juli 2009

De koe die een boom wilde voor haar verjaardag


Juffrouw Dollie was de beste koe van de stal. Ze gaf de mooiste en de lekkerste melk en daarom was boer Albert heel blij met haar.
Op een dag, na een lange, koude winter, werd het weer lente. Boer Albert zei tegen Dollie: ‘Juffrouw, het is weer voorjaar, het gras is groen, je mag weer uit de stal. Fijn hè?
‘Ja!’ zei juffrouw Dollie. ‘Helemaal geweldig!’ En zo geschiedde. De staldeur ging open
en de juffrouw huppelde het weiland in. Ze vond het heerlijk! Die frisse lucht, het zonlicht op haar huid! ‘Jiehoew!’ loeide ze. ‘Yes! KoeiVet, Koeigaaf, koeicool!’
De mensen die aan de rand van het weiland woonden, moesten om haar vrolijkheid
lachen. Een dansende koe, dat was grappig! Sommigen namen haar op, op de video.
‘Zo Hollands, heerlijk!’ zei een rijke man in een ruitjesbroek. Juffrouw Dollie kwam op hem af. Hij aaide haar over haar snuit. ‘Hallo!’ zei ze ineens. De mensen keken even op.
‘Kun jij praten koe?’ vroegen ze. ‘Yes!’ riep ze. ‘Ik kan Engels, Duits en Nederlands!’
‘Okee!’
‘Van wie heb je dat geleerd?’
‘In de stal van een oudere geit, die al overal is geweest..’
‘Dat is heel knap, koe..’
‘Dollie, zeg maar Dol..’
‘Ongelofelijk! Dat is nieuws, zeg!’
‘Heee … luister,’ zei ze tegen een mooie jongeman. ‘Albert heeft gevraagd wat ik voor mijn verjaardag wil hebben, maar ik weet niks .. ’
‘Wanneer ben je jarig dan Dol,’ vroeg de man.
‘In juli..o.. Albert wil me een tattoe geven op m’n kont, maar ik ben helemaal niet zo
tattoe - erig en anders een bh voor mijn uiers..dat vind ik niks voor mij..’
‘Weet je wat je dan vragen moet?’ zei de jongen enthousiast.
‘Nou?’
“Vraag een boom voor je verjaardag!’
‘Dat is een goed idee, maar eh .. ik kan helemaal niet klimmen..’
‘Juffrouw Dol, een koe hoort niet in een boom te klimmen!’
‘Dat was een grapje.. ha..ha..!’
‘Onder die boom heb je dan in juli en augustus een heerlijke schaduw!’
‘Yes! Wat een superkoeivet idee!’
Juffrouw Dollie huppelde van blijdschap door het verse groen.
Ze zag boer Albert aan komen lopen. Hij zat achter Desi Bee aan, het varken, dat weer
eens was ontsnapt.
‘Ik heb even geen tijd nu Dol,’ hijgde hij en hij duwde Desi Bee terug in haar hok.
‘Zo zeg ’t maar, lieve melkkoe van me!’
‘Ik weet iets voor mijn verjaardag,’ zei ze opgewekt.
‘Zo, wat dan?’
‘Ik wil mijn eigen boom, in het weiland, dan heb ik als het warm is, een lekker schaduw
plekje.’
Het voorjaar ging over in de zomer, en toen brak de dag aan dat Dollie jarig werd.
Albert had een prachtig boompje geplant. ‘Hartelijk gefeliciteerd!’ zei hij tegen Dollie.
“Hier is je boompje!’
“Dank je,’ zei ze. ‘Je weet niet half hoe blij ik hiermee ben!’
‘Hartelijk gefeliciteerd met mij !’ zei de boom tegen Dollie.
‘Dank je!’ zei ze. ‘Ik wist niet dat bomen konden praten!’
’T is wel handig!’zei de koe. ‘Want als ik jou water geef, geef jij mij dan schaduw?’
‘Dat is goed! Nu ben je mijn matti!’
En zo gebeurde het. Elke ochtend liep Dolly naar de sloot, nam een slok water, hield het in haar mond en liet los aan de stam van de boom.
‘O heerlijk! Ik hou van een ochtend douche!’ riep deze. ‘En ik groei er van!’
Nou en of dat hij groeide, in een jaar tijd was hij een stoere eik geworden, met aan zijn
takken veel eikels en in zijn kruin eekhoorns en vogels.
In de schaduw lag Dollie lekker te soezen.
Toen werd het herfst.
‘Ik moet weer in de stal,’ zuchtte de koe. ‘Ik zal aan je denken boom!’
‘Ja,’ zuchtte de eik. ‘Het is eenzaam zonder jou, maar ja, in het voorjaar zien we elkaar
weer, zullen we dan trouwen?’
‘Dat is een goed idee!’
‘Tot dan, dan …!’ En ze huilden allebei en namen afscheid. De eik zwaaide zachtjes met zijn kale takken en Dollie met het kwastje van haar staart.




dinsdag 7 juli 2009

De zwaan op haar nest


Er was eens een zwaan die op haar nest zat in het oude stadje Brugge.
Zij zat tevreden een vers gelegd ei uit te broeden en sprak tegen haar echtgenoot: ‘Zeg Willibrord, hebt Gij onze kleine Bibi gezien?’
‘Waarom wil u dat weten cherie?’
‘Omdat ik hem al een tijdje niet heb gezien..’ ‘Wat maakt Gij u toch altijd druk..’
Mevrouw de Zwaan keek hem boos aan.
‘Ik maak me helemaal niet druk,’ snaterde ze. ‘Ik vraag het me alleen af..’
‘Het is wel goed zo,’ stopte mijnheer de Zwaan de discussie. ‘Hij loopt heus niet in zeven sloten tegelijk, zeker niet als hij op zijn vader lijkt. Als hij op zijn moeder zou lijken, zou ik er niet gerust op zijn..’
‘Bruut! Spoel uw bek!’ spuugde ze.
‘Ik ga nu slapen!’ voegde hij er aan toe. ‘Welterusten!’
En terwijl mijnheer de Zwaan ging slapen bleef mevrouw de Zwaan onrustig op haar ei zitten. Plots stopte er voor het hek, waar zij achter zat, een machtig groot paard. Het was prachtig glanzend bruin, sterk en had schitterende manen. ‘Goeiemiddag!’ hinnikte hij. ‘Wat een mooie lady!’
Ze zei: ‘Goeiemiddag!’
‘Bescheiden voor zo’n pracht!’ snoof hij.
‘Ge maakt mijn dag goed lady, ik sjok de hele dag met toeristen rond door de stad. Krijg maar een half zakje haver per dag, een betaling van niks natuurlijk!’
‘Ja, het is wat!’
‘Dat klinkt heel somber lady, wat is the problem, can I make you feel happy? Een kusje op uwen witte ziel?’
Ze lachte moeizaam. ‘Ik ben blij met uw aandacht paard. Heel lief!’
En tranen drupten langs haar oog, langs haar zwanenhals naar beneden.
‘Hee, babe, don’t cry! What can I do for you?’ Maar net op dat moment kwam de koetsier eraan en maande het paard om verder te lopen. Mevrouw de Zwaan riep nog iets, maar hij verstond het niet.
Een rondvaartboot met toeristen bleef in de gracht liggen. Ze maakten uitgebreid foto’s van de zwaan, lachten omdat ze boos begon te blazen en lieten haar eenzaam achter. Ze begon te roepen: ‘Bibi, waar zijt ge? Komt ge bij uw mama?’
Bibi dreef, zich van geen kwaad bewust, in de Brugse gracht. Hij zag van alles: kikkers, eenden, kroos, waterlelies. Het was heerlijk de wondere wereld van de gracht te ontdekken. Dat een rondvaartboot steeds dichterbij kwam, gevaarlijk dichtbij, had hij niet in de gaten.
Op hetzelfde tijdstip sjokte het paard met een toeristen echtpaar in de koets voort. Een er van was mevrouw Sjerp ,een deftige dame en zij zei tegen de koetsier: ‘Zeg koetsier wat gaat die knol langzaam! Kan dat niet sneller?’
‘Sneller Jacques!’ brieste de koetsier en knalde de zweep op diens achterwerk. Jacques begon harder te lopen, meer uit ergernis dan uit angst.
‘Bibi, waar zijt ge?’ riep mama de Zwaan. De rondvaartboot kwam nog dichterbij Bibi, maar stopte even. De kapitein zei: ‘Now ladies en jentelmen, heer we zie a verrie nais bilding
bilt in zeventienhundret ninentie one..’ Alle toeristen keken.
Bibi ontdekte net een baby eendje dat haar moeder kwijt was.
‘Hoi eendje, wat scheelt eraan?’ vroeg hij.
‘Mama kwijt,’ huilde ze.
‘Kijk, daar is uw moeder!’ riep Bibi naar het eendenkind en hij wees in de richting van de oever. Daar scharrelde een zoekende moeder eend rond.
‘Mama!’ riep het kind.
‘Katrien!’ riep de moeder. ‘Kom bij me!’
Het eendejong klom uit het water en waggelde naar zijn mama.
Op dat moment rende Jacques het paard langs diezelfde oever van de gracht waarin de rondvaartboot en Bibi dreven. Omdat hij zo hard rende kon hij het jonge eendje dat vlak voor zijn hoeven overstak, ternauwernood ontwijken, maar het betekende wel dat hij heel hard moest remmen en uit moest wijken. Hij kwam in het modderige gras terecht, gleed uit, slipte en vloog met de koets over de rand van de gracht. Met een donderend geraas stortte hij in het groene water en redde zo het leven van het eendenkind.
De rondvaart kapitein was juist een hele flauwe grap over een wit huis aan het maken. ‘Ze wait houz is not the ze houz of Obama,’ zei hij.
Hij lachte even naar een mooie dame die achter hem zat en toen plofte Jacques en de koets vlak voor de boeg van zijn boot. Mevrouw Sjerp schoot eruit en riep: ‘Help! ‘Help me stupide koetsier!’
Bibi het zwaantje keek verbaasd achterom naar de drijvende koets met daarachter de rondvaartboot. Ze was bijna overvaren door de boot maar een onbekend paard en koets waren uit de hemel gevallen.
Jacques stond rustig met zijn hoofd net boven het water. ‘Hoi!’ zei hij tegen het zwaantje. Jij bent vast Bibi, hee men, je mammie zoekt je..doe haar de groeten… ze is een mooi femmeke.. ! Heee en zeg haar dat ik je gered heb!’
De mensen die in de rondvaartboot zaten, gilden het uit van de schrik. De kapitein zwom naar de kant en trachtte een aantal op de oever te trekken.
Mevrouw Sjerp hield zich met twee handen aan de staart van Jacques vast.
Het zwaantje Bibi waggelde naar het geschrokken eendje en vroeg: ‘Canard, ca va ?’
‘Goed,’ zei het eendje.
Samen keken ze naar het paard.
‘Let maar niet op mij,’ zei deze. ‘Ik red me wel! En de brandweer komt zo. Wat denk jij dan? Hoor maar eens al die sirenes..!’
En kwamen veel mensen bij. Heel veel brandweer en journalisten die wilden weten hoe het gekomen was.
‘Zo’n slechte koetsier!’ hoorde Bibi mevrouw Sjerp zeggen.
Hij nam afscheid van zijn vriend de eend en dribbelde naar zijn moeder.
Ze keek heel boos. ‘Waar was ge toch?’ snaterde ze. ‘Ik ben heel boos, weet u dat? Vanavond gaat ge zonder eten naar uw nest!’ Het zwaantje huilde.
Maar toen hij op zijn nest lag, hoorde hij paardenhoeven. Plotseling zag hij een paardenhoofd dat hem vertederd aankeek. ‘Trusten ami!’ snoof Jacques het paard.
Bibi lachte weer. Zijn leven was gered door een paarden engel, een echte vriend.

maandag 6 juli 2009

Het roze wolkje




Er was eens een jongen die op een roze wolk zat. De wolk was op een dag
gekomen, toen hij in de klas zat en er een nieuw meisje werd voorgesteld. ‘Dit is Lente,’ zei de meester. ‘Wat een prachtige naam. Nu moeten we ook een Zomer hebben eigenlijk..’
‘En Winter,’ zei de jongen.
De kinderen lachten. ‘Lente’ vonden ze een mooie voornaam, maar Winter,
nee, dat was belachelijk.
Het meisje nam plaats achter een tafeltje vlak bij hem, hij heette Roy.
‘Hoi,’ zei hij.
Ze glimlachte beleefd. Het was een lief meisje, met blond haar en een mooie
blauwe jurk. Het deed Roy iets, al wist hij eerst niet wat het was.
Die nacht droomde hij voor het eerst van Lente.
Ze zat haar haar uit te kammen en had haar pyamaatje aan. Onder haar
voeten had ze een roze wolkje, dat kennelijk sterk genoeg was om haar te
dragen. Ze zag Roy in haar spiegeltje en zei op zachte toon: ‘Heee Roy, wat leuk
dat je hier bent, wil je iets voor me doen?’
‘Tuurlijk,’ zei Roy. ‘Geen probleem.’
‘Wil je deze roze wolk even voor me bewaren? Ik wil hem graag houden,
maar ik heb hier niet veel plek zie je..’
‘Is goed,’ fluisterde hij en hij pakte de roze wolk aan. Het voelde aan als een
suikerspin en het rook net zo zoet.
Met de spin onder zijn arm liep hij blij naar huis.
‘Wat moet jij met die wolk?’ vroeg zijn moeder.
‘Gekregen,’ zei hij kort en hij liep snel naar boven. Hij zette de wolk naast zijn bed
en ging er bovenop zitten. De wolk verdween plotseling en hij stortte naar beneden.
Maar het gevoel van de suikerspin bleef. Toen hij de volgende morgen wakker werd,
stond hij opgezocht naast zijn bed.
Hij holde blij naar beneden en zijn zusje en zijn broertje en zijn ouders keken heel verbaasd.
‘Roy?’ vroeg zijn vader. ‘Wat kijk jij vrolijk. Wat is er gebeurd?’
‘Niks,’ zei hij. ‘Nou ik ga naar school, doeg allemaal!’
Ze keken allemaal op hun horloge.
‘Roy, ben je ziek?’ vroeg zijn broertje.
Hij huppelde over het schoolplein en hoopte stiekem dat ze ‘zoenetikkertje’
zouden doen. Normaal vond hij dat te kinderachtig en te meisjesachtig, maar vandaag had hij er zin in.
Plotseling rende Lente rakelings langs hem. Ze kuste hem op zijn wang en hij zat weer op zijn roze wolkje. Zij zat achter hem, alsof ze samen op een brommer zaten. Ze stegen op van het schoolplein en cirkelden over de hoofden van de kinderen.
‘Kijk, ze hebben verkering!’ riep zijn beste vriend Ivo.
Het volgende moment kreeg Roy een leren bal tegen zijn hoofd. Zijn brilletje schoot van zijn neus en hij ontwaakte hard uit zijn dagdroom.
‘Wie deed dat?’ riep hij kwaad, maar de jongens lachten alleen maar.
Hij wilde huilen, maar hij slikte zijn tranen in.
Lente gaf hem zijn bril terug. ‘Arme jongen!’ snikte ze. ‘Wat een rotzakken! Gaat het weer een beetje?’
Hij knikte en zij pakte zijn hand. Nou, dit was tenminste echte liefde, wist hij.


De vergeten monumenten


Ik was erbij, bij de opgraving in de Grote Kerk.
Ik zag ze liggen en ze stonken niet meer.
Dat was mejuffrouw Karels, die was altijd zo dapper, als haar man haar sloeg
en dat was mijnheer de Bakker, die nooit teveel aan iemand vroeg.
Ze leefden en ze vrijden en ze bouwden de stad,
maar wie ze waren, ik fantaseer maar wat, mijn lieve schat.
Er is weinig meer - tot niets- , dat we van ze weten,
met andere woorden: hoe belangrijk ze ook waren, ze zijn gewoon vergeten.
De dominees, de dichters, ze zijn tot stof geworden,
maar toch, maar toch, als ik mijn ogen sluit
dan zie ik ze toch varen met kolen in hun schuit,
en langzaam gaat de tijd vooruit.
Weet je, zij zijn de echte monumenten, ook al waren niet al hun daden even goed,
zij waren mensen, bijzondere wezens, van vlees en bloed.
Zij zijn de vergeten monumenten van de stad,
arm of rijk, ze verdienen dat we aan ze denken,
ze hebben het, door de eeuwen, niet gemakkelijk gehad.
De vergeten monumenten, die alleen uit liefde werden gebouwd,
denk aan ze, het laat ze echt niet koud.

Sjoerd van Berkel
5 juli 2009

De kettingzaagheks



Lang geleden, lang geleden leefde er eens een prins die heel graag paard reed door de bossen van zijn landerijen. Hij was een lange, blonde prins met een krachtige blik in zijn ogen. Hij was stoer, sportief en erg aardig.
Niet zo raar dat de prins dan ook vele vrienden had, die hem allemaal het beste toewensten.
Die prachtige ochtend, toen alle vogels een lied voor hem floten, reed hij met Zalzibar, zijn lievelingspaard, langs een open vlakte. ‘Wacht even Zalzibar,’ mompelde hij. ‘Ik moet even een plasje doen..’
Sommige mensen denken dat prinsen nooit hoeven te plassen, maar dat is niet waar. Ze plassen zelfs vaker, vanwege hun blauwe bloed. De prins, die Leaksander heette, klom van zijn paard en zocht een boom om tegen aan te richten.
De boom vond dat niet fijn. Hoe vind jij het als een hondje tegen je broekspijp plast? De boom mopperde dus. ‘Hou jij daar eens even mee op, onmiddellijk!’
‘Ik mag toch wel even plassen,’ zei de prins. ‘Niet tegen mijn stam. Ben je nu helemaal?’
‘En weet jij wel tegen wie je het hebt?’ vroeg de prins.
‘Ik ben een prins van het huis van Geel tot Zonnebloem..’
‘Nou en? Ik ben belangrijk mannetje!’
Nu werd de boom pas echt boos en begon met de eikels van haar takken
te schieten. ‘Ik zal je!’ brieste hij. De prins probeerde zijn paard te bereiken, maar Zalzibar ging er snel vandoor. ‘Zalzibar! Kom terug! Rot beest!’ riep zijn baas.
Maar Zalzibar ging buiten het bereik van de eikels staan en wachtte af.
‘Wat heb je aan zo’n paard?’ vroeg Leaksander zich hardop af. Hij dook achter een grote, bruine steen en zuchtte diep. De eikels vlogen om zijn oren. Het was gevaarlijk. Hij klampte zich vast aan de steen die kleverig aanvoelde. Het schieten hield op. Misschien dacht de boom dat hij weg was, of misschien had hij geen eikeltjes meer? Lekasander hoorde ergens een geklop.
Een specht zeker. Toch kwam er snel achter dat het geklop uit de sten kwam. Hij legde zijn oor er tegen aan en hoorde het: ‘Tok- tok-tok-tok-
tok tok-tok- ’ net of iemand aan het hakken was daarbinnen. En toen hoorde hij een stemmetje: ‘Help! Help me!’ Het kwam uit de steen. Een prinses natuurlijk! De prins voelde zijn hart sneller kloppen. Daarbinnen zat een schone prinses die gered en gekust diende te worden. Volgend jaar in april een bruiloft! Hij pakte zijn sabel en hakte in op de steen. Het was een zachte steen.
De sabel ging er gemakkelijk doorheen.
‘Even geduld! Prinses!’ riep hij. ‘Ik ben zo bij u,teer beminde!’
Hij hakte en hakte, daarvoor was hij prins geworden. Hij zag nu pas dat de
steen de vorm van een ei had en dat de stof chocolade was. Het was een chocolade ei!
Hij hakte door en had een aardig gat gemaakt. Hij kon zijn prinses nu zien: hij zag haar lange, blonde haar, maar ook haar gezicht, dat onder de chocolade zat, en och, wat was ze dik, ongelofelijk dik! ‘Mijn prins!’ riep ze.
‘Ik hou niet van een dikke prinses!’ riep hij verontwaardigd.
‘Luister!’ zei hij. ‘Ik kwam een oude heks tegen in het bos. Ze praatte lief tegen me en gaf me een chocolade eitje. Maar ze was een boze heks. Ze wist dat ik van bomen hou en zij houdt van asfalt en beton. Ik ben een boomengel. Daarom heeft ze me gevangen gezet in dit chocolade ei. Ik heb geprobeerd me in de afgelopen honderd jaar een weg naar buiten te vreten.
Tot jij kwam.
‘Daarom ben je zo dik?’
‘Ja..’
‘Waar is die heks? Ik zal haar een kopje kleiner maken!’
En nog niet was hij uitgesproken of er kwam een motorzaag aanvliegen die
hem eerst omcirkelde, maar daarna op de boom afging, waar hij ruzie mee had gehad.
“Zagen! Zagen!’ riep de zaag. ‘Dat is de heks!’ riep de prinses. ‘Pak haar!’
De prins rende achter de zaag aan die al bijna bij de boom was.
‘Nee! Nee!’ riep de boom. ‘Genade! Genade!’
‘Je gaat om!’ krijste de heksenzaag boven het oorverdovende lawaai van de
motor. De prins sprong er tussen en greep de zaag. Ze rolden over het gras.
De prinses durfde niet te kijken. ‘Au, mijn been!’ hoorde ze plotseling.
‘O nee, haar lieve prins … hij was toch niet?’
Maar het was toch waar: de zaag had het linker been van de prins eraf
gezaagd. Maar dat maakte hem nog kwader en sterker en hij wist het apparaat in een ondiep meertje te duwen.
Met zijn laatste kracht verdween de zaag onder water, pruttelde nog wat na
en zweeg toen voor altijd.
‘Kom snel hier!’ riep de boom tegen de prins. De prinses ondersteunde hem en droeg hem naar de boom. ‘Hier heb je een stuk hout!’ De boom wierp een tak naar de prins.
De prins pakte het aan en zag het meteen: het was een houten been!
Ze omarmden dankbaar de oude boom en hielden elkaar vast.
‘Dank dat je me gered hebt!’ snikte de boom. ‘Dank voor ’t houten been!’ snikte de prins.
‘Wil je nog wel trouwen met een prins met een houten poot?’ huilde hij. ‘Jazeker!’ juichte zij.
‘Ik ben volslank, jij hebt een houten been, we hebben allemaal wel wat..’
En zo leefden ze nog lang en gelukkig.




zaterdag 20 juni 2009

Blauw bloed




‘Ik ben een prinsesje,’ zei Sophie lachend.
‘Dat geloof ik niet,’ zei Erik op luide toon terug terwijl hij van zijn skate board viel. Ze zaten samen op de skate board baan, een baan die aan het einde omhoog liep. Een half pipe noemen ze zo'n ding.
‘Dan geloof je het niet,’ Sophie maakte een mooie beweging met haar plank en een bocht.
Erik stond weer op. ‘Een prinsesje, dan moeten je ouders toch koning en koningin zijn. Jouw ouders zijn dat niet.’
‘Mijn ouders stammen af van een Zweedse koning en een Noorse koningin, dus ben ik een prinsesje…’ Erik zuchtte. Toch wilde hij zich niet laten kennen. ‘Als je van adel bent, dan heb je blauw bloed.’
‘Heb ik ook…’
‘Laat zien dan!’
‘Ja daahaagg!’
Erik gaf het niet op. ‘Als we nou naar mijn huis gaan, dan doe ik daar met een speld in je vinger..’
‘Nee, dat doe ik niet.’
“Waarom niet?’
“Dat doet pijn suffie.’
‘Hoe weet ik dan of je van adel bent?’
‘Dat kun je aan mijn ouders vragen!’
Ze ging met haar board omhoog en kwam boven aan. Daar stond ze even stil draaide om en vloog naar beneden.
Erik schrok, dat ging veel te hard!
‘Oe!’ riep ze, terwijl ze zich bewust was dat het niet goed ging. Door de snelheid verloor ze haar evenwicht en vloog van de baan. Ze viel, voorover op haar knie. ‘Au!’ schreeuwde ze.
Erik rende naar haar toe. ‘Heb je pijn? Heb je wat gebroken?’ riep hij een beetje in paniek.
Sophie huilde. ‘Mijn knie!’
‘Kom, ik help je!’ zei hij ridderlijk en hielp haar overeind. Schouder aan schouder hinkelden ze naar haar huis. Haar moeder stond juist buiten bezig de was op te hangen.
‘Sophie!’ riep ze geschrokken en ze wees op haar knie.
‘Wat is er gebeurd?’
‘Ze is gevallen!’ zei Erik op een bezorgde toon.
‘Breng haar maar naar buiten!’ zei moeder. ‘Dan haal ik de verbanddoos.’
Sophie werd op de bank gelegd en Erik hielp met verbinden. Ze kon weer een beetje lachen.
‘Voortaan wel uitkijken juffie!’ sprak haar moeder streng. ‘Wilde bras!’
Ook haar vader kwam binnen.
‘Wat is er allemaal?’ vroeg hij verbaasd, toen hij alles zag.
‘Sophie vertelde me dat ze van adel was en dat ze blauw bloed heeft en toen viel ze van haar skateboard..’
‘Sophie toch,’ zei vader. ‘Een prinsesje gaat toch niet skaten?’
“Een prinses is daar juist de persoon voor,’ zei Sophie kattig.
‘Maar eh…’ Erik zette een geleerd gezicht op.
‘Toen ik jouw knie verbond heb ik geen blauw bloed gezien, het was hartstikke rood..’
‘Nee suffie tuurlijk, dat blauw bloed stroomt van binnen, in je hart , dat zie je niet aan een schaafwond..’
‘Raar verhaal,’ zuchtte Erik en hij stond op. ‘Nou ik ga naar huis, ik moet op tijd zijn voor het eten…’ Hij nam afscheid en rende naar huis. Zijn moeder stond bij haar praktijk, ze was dokter.
‘Mama mama,’ hijgde Erik. ‘Kunnen meisjes blauw bloed hebben en dan een prinsesje zijn?’
‘Tuurlijk schat,' lachte moeder en ze aaide hem door zijn haar.‘Bedoel je sophietje?’
‘Ja en ze is gevallen vandaag met haar skateboard en toen zag ik geen rood bloed, maar ze zegt dat ze een prinsesje is..’ Moeder bukte en keek hem aan en zei: ‘Weet jij dat jij een prinsje bent en ook blauw bloed hebt?’
‘Echt waar?’ Hij juichde bijna.
‘Jahhaaa.. jullie kunnen later trouwen en dan krijg je kinderen met blauw bloed..!’
‘Wauw!’ zei Erik. ‘Ik ben ook een prins! Gaaf! Nou dan wil ik vanavond patat met mayonaise en limonade en voor ik ga slapen een heel groot stuk slagroom taart!’
‘Hoogheid,’ zei moeder zacht, ‘dat heb ik niet in huis. Ik heb de kok opdracht gegeven aardappels met boontjes en sla te maken..’
‘O, nou dan morgen..’
‘Voor morgen hebben wij bloemkool met een sausje, volgt u mij prins?’
Ze pakte zijn hand en zo gingen ze aan tafel.
’s Nachts droomde hij van zijn blauwe bloed. Hij droomde dat hij van zijn skateboard viel en dat er blauw bloed uit zijn knie stroomde. Sophie keek er naar en zei verbaasd: ‘Blauw bloed! Dat kan niet waar zijn! Jij bent een echte prins!’ En ze gaf hem een kus en hij werd verliefd wakker met vlinders in zijn blauwe buik.




zondag 14 juni 2009

Water




Ik zag een grote, rode ballon over de daken van de oude stad wiegen. Hij
bewoog zich langzaam voort alsof er geen haast op aarde bestond.
Ik stond met een kopje thee in mijn hand, op de achtste verdieping van
onze kantoortoren en keek naar het wonder. Eén rode ballon boven de natte huizen. Misschien van een kind geweest of ontsnapt aan een bruiloft,
van de voordeur van de bruid gewaaid.
Meestal als ik iets moois zie, dan wil ik dat ook delen, maar dit niet. Er zijn
wonderen die alleen voor je eigen ogen bestemd zijn.
En zo lang je leeft, blijf je je eigen private wonderen beleven. Weet je
wat ik bijzonder vond? het moment dat ik als kleine jongen , na maanden
klappertanden in een hoekje van het zwembad, durfde drijven en zwemmen en dat ik vooruitging in het water!
Wat een geluk heerlijk te kunen zwemmen net als alle andere kinderen!
Mijn ouders waren er ook gelukkig mee, maar dat was een ander soort geluk.
Ik zag de grote, rode ballon niet meer terug. Hij verdween achter het station. Ik verdween achter de computer met de berekeningen in het zicht.

9-6-2009

dinsdag 9 juni 2009

De engel van Sonia




Sonia durfde alles, wat wij niet durfden. Ze was gewoon nergens bang voor.
Als je bal op het schuurdak terecht was gekomen, zei je: ‘Sonia, kijk daar,
onze bal ligt op het dak!’ En voor je het wist zat ze er al op en had jij je bal terug. Of als Sjaak, onze kater, in de hoogste boom zat, klom zij erin en haalde hem eruit. Geen zee was haar te hoog, geen vuurtje te heet, geen water te diep. Haar ouders waren wel eens ongerust over haar durf. Ze zagen liever wat meer voorzichtigheid. ‘Ik denk wel dat ze een bescherm-
engel heeft,’ zuchtte haar vader, tegen mijn vader. ‘Ze heeft ook al eens haar linker en haar rechterarm gebroken. .’
‘En haar sleutel been,’ vulde moeder aan.
‘En ze is al eens door de brandweer bevrijd uit een put, waar ze ingevallen
was..’ ‘En de politie heeft haar al eens thuis gebracht, zat ze op de pier, op het uiteinde, het stormde vreselijk hard, de golven sloegen er over heen..’
‘Van mij heeft ze het niet,’ pufte vader. ‘Maar een engel, jazeker, ze heeft
een engeltje bij haar..’
Het was de maandag na Pasen. Het was een mooie ochtend. De vogels floten en wij speelden bij de weg.
Sonia was er ook. Ze zat op een rood fietsje, ik weet het nog goed. We waren met Linda en Sander. Linda had haar hondje Blekkie bij haar. Sander plaagde Linda. Hij was al heel lang gek op haar. Linda giechelde toen Sander haar kietelde. Ze liet de lijn los waaraan Blekkie zat. Blekkie
zag Sjaak zitten aan de overkant van de weg en stak de straat over.
Er kwam een grote vrachtauto aan met manshoge wielen. Aan de achterkant was een open laadklep, waarop vaten met bier stonden. De bestuurder zag Blekkie, die stokstijf bleef staan en naar Sjaak keek.
Sonia zag Blekkie en aarzelde niet. Ze reed met haar fiets de weg op, om Blekkie te pakken. De chauffeur remde wild en toeterde hard.
Toen zag ik op de weg, voor de bumper, een oud vrouwtje staan. Ze had lang grijs haar en een heel wonderbaarlijk lief gezicht. Ik had haar nog nooit gezien.
De vrouw stak haar handen naar voren alsof ze me wenkte, dus ik wilde
zwaaien. Maar toen volgde de klap en hoorde ik een krakend geluid. De
fiets werd geplet onder de enorme wielen. Ik schrok zo erg dat ik flauw viel
en me van de rest niet veel kan herinneren.
De auto kwam tot stilstand. Overal gingen deuren open. Ik opende mijn ogen. Ik hoopte dat het niet waar zou zijn, dat ik het had gedroomd. Maar
het was toch waar: Sonia en Blekkie waren aangereden en nu vast in de hemel! Mensen begonnen te schreeuwen. Iemand riep: ‘Wat is er gebeurd? Waar is Sonia?’
Ze zagen de verkreukelde fiets en zochten naar Sonia en Blekkie. De politie kwam erbij.
Geen spoor van Sonia. Toen zag ik iets bewegen in de laadklep van de auto.
Een hand zwaaide. ‘Sonia!’ riep ik. ‘Het was Sonia!’ Ze lag in de laadklep!
Samen met Blekkie! Wat een wonder! De politie had het nu ook door.
Sonia werd voorzichtig en met maar een enkel schrammetje uit de klep gehaald. Ze zei droog: ‘Wat is er aan de hand?’
Ze vertelde dat ze werkelijk niet meer wist hoe ze er in gekomen was.
Ik vertelde van de vrouw die ik voor de auto gezien had. Dat moest een engel zijn geweest, die hen had gered. Maar niemand geloofde me.
Sonia kwam met haar wonderbaarlijke verhaal in de krant. Haar vader gaf me een kopietje van het artikel. ‘Ik geloof jou wel hoor,’ zei hij.
Dit alles is nu meer dan dertig jaar geleden. Maar ik zoek nog steeds naar dat gezicht dat ik toen die paar seconden mocht zien. Ik zoek het als ik op straat ben, op het terras zit, in de bibliotheek of op het strand, maar nergens, nergens zag ik nog zo’n lief gezicht.
En ik zoek een bevestiging voor het wonder waarin ik zo moeilijk kan geloven.

maandag 1 juni 2009

Het bullebakje




Kijk, dit is Hatsie Flatsie.
Ze heeft een bullebakje onder haar neus. Een vies, klein propje dat ze wegpeutert.
Haar vinger gaat in het neusgat.
Mama vindt dat vies. Maar wat moet je dan met een bullebakje?
Ze laat het bolletje zien aan haar vriendje Steijn.
‘Kijk es!’ zegt ze tegen hem.
Steijn kijkt met grote ogen. Op haar vinger kleeft het groene pullekje.
‘En weet je wat ik er mee doe?’
‘Nou?’
‘Ik ga hem opeten!’
‘Nee!’ Steijn schrikt er echt van. ‘Durf je dat?’
Ze knikt en ze stopt haar wijsvinger in haar mond.
‘Yeg!’ zegt Steijn. “Hoe smaakt dat?’
‘Lekker!’ jokt ze.
‘Bah Hatsie!’ roept haar vriendje. ‘Ik ga het aan je moeder vertellen!’
‘Dat is klikken!’ zegt ze boos. ‘En dat mag ook niet!’
‘Wat hebben jullie ruzie?’ vraagt haar broer Rob, die op zijn driewieler langskomt.
‘We hebben geen ruzie!’ zegt Hatsie met een rood hoofd. ‘We hadden het over bullebakjes!’
‘Groene en gele en snot bullebakjes..’ zegt het vriendje.
‘Getsie,’ pruilt Rob. ‘Dan ga ik gauw weg, maar wacht ‘ns kijken wat ik heb..’
Ook hij propt zijn vinger in zijn neusgat en wroet erin.
‘Stuur je een kaartje als je boven bent, Rob!’ zegt Hatsie.
‘Wat een vieze familie!’ roept Steijn en hij rent weg.
‘Maar we hebben wel altijd te eten!’ schreeuwt Hatsie hem na.

zaterdag 9 mei 2009

Jan Klaassen en het geheim van de slagroomtaart




Jan Klaassen: Hoi jongens, kunnen jullie een geheim bewaren?
Stil effen! Stil effen!
Katrijn : Had je ’t tegen mij Jan?
Jan Klaassen: Nee hoor, ik praatte tegen de planten, dat is goed voor
hunnie!
Katrijn : Rare man, zeg, wil jij zo een boodschap voor me doen?
Jan Klaassen: Jazeker Katrijn, wat moet ik doen?
Katrijn : Ik wil voor mijn verjaardag een heerlijke slagroomtaart, wil je die ophalen bij de bakker voor me?
Jan Klaassen: O jongens, horen jullie dat..een slagroomtaart ..o.. wat heerlijk!
Katrijn : En niet opeten onderweg!
Jan Klaassen: Kinderen, ze is weg, dan kan ik nu jullie mijn geheim vertellen,
luisteren jullie?
Ik ga Katrijn iets heel moois geven voor haar verjaardag, weten jullie wat?
Nou?
Een olifant, ik ga haar een echte olifant geven!
Dokter Frons komt op
Jan Klaassen : O hallo dokter Frons!
Dokter Frons: Hallo Jan! Wat hoor ik je daar zeggen Jan? Een olifant?
Dat kan toch helemaal niet, zo’n beest is veels te groooot, dat past
toch niet in jouw kabouterhuisje…
Jan Klaassen: Nou dokter, dat kan echt wel hoor, ik heb het opgemeten, ze past
best wel in de achtertuin….
Dokter Frons: Jan, Jan, domme, domme Jan, zal ik een pilletje voor je
uitschrijven? Ik denk dat je last van koorts hebt…
Jan Klaassen: Nee dokter, ik ben kerngezond enne.. nu ga ik naar de dierentuin
ik heb eeen beetje haast, ik ga een olifant halen..
Dokter Frons: Jongens! Roep hem terug! Jan, Jan, komt terug! Niet doen Jan!
Katrijn : Dokter, dokter, wat is er aan de hand? Is er brand?
Dokter Frons: Ach, ach, ach, Katrijn, Jan is naar de dierentuin een olifant pikken
Katrijn : O o wat erg, het zal toch niet waar zijn, domme, domme Jan.. o
waarom ben ik toch met je getrouwd??
Dokter Frons: Hij wil dat doen voor je verjaardag..we moeten iets doen laten we
heel hard om de politie agent roepen..jongens ..roepen jullie mee?
Mijnheer de politie!!! Mijnheer de politie!!!
Politie agent: Wat is er aan de hand? Waar is de verdachte? Wie moet ik arresteren?
Dokter Frons: Jan Klaassen gaat een olifant stelen mijnheer de agent dat mag toch niet?
Katrijn : Wel heb je ooit! Wat een boef! Ik zal hem!
Jan Klaassen (zit onder de slagroom) : Daar ben ik weer!
Dokter Frons: Agent, breng deze slagroomman naar de gevangenis!
Agent : Zeg op, Jan Klaassen, wat heb je gestolen, in naam der wet!
Jan Klaassen: Eh..helemaal niets..helemaal niets!
Katrijn : Kinderen, geloven we dat?
Jan, je zit onder de slagroom..zeg op schavuit..wat is er gebeurd??
En waar is mijn taart? Zeg op!
Agent : Jan Klaassen, je bent gearresteerd en je gaat mee naar de gevangenis!
Jan Klaassen: Ik heb niets gedaan agent..ik wilde Katrijn een olifant geven.. voor haar
verjaardag, dus ik ging naar de dierentuin…
Katrijn : Ga door, Jan Klaassen…
Jan Klaassen: Maar eh .. ik had die lekkere taart ook bij me, zo onder mijn arm!
Katrijn : En toen?
Jan Klaassen: Toen deed die olifant zóóó met zijn slurf en toen heeft ie die hele taart
ineens poef..zomaar opgeslurfd .. en toen is hij er van door gegaan..
Katrijn : Ik geloof er niks van! Jij hebt gewoon zelf die taart opgevroten!
Jan Klaassen: Het is de schuld van die olifant, die rotolifant!
Geloven jullie me kinderen?
Katrijn : Nee, het is jouw schuld, domme oliebol, ik zal je kom hier!
Agent : Ho, ho, mevrouwtje niet de verdachte slaan! Verdachte blijf staan
of ik schiet!
Dokter Frons: Houd de dief!
Katrijn : Jan, kom hier!!!!!!!!!
Ze rennen alle vier weg





zaterdag 2 mei 2009

Joek, het oude paard


Het was de dag na haar twaalfde verjaardag. Haar stiefvader zei het rustig: ‘Morgen breng ik Joek weg!’ De woorden troffen haar diep.
Vijf woorden, met een vreselijke boodschap. ‘Morgen breng ik Joek weg’
Haar oude, lieve paard met z’n zachte, bruine ogen en mooie bles op zijn neus. Elke dag was ze bij hem, ze had geen andere vrienden, Joek was haar alles. Ze had van haar vader ook een ander, jonger paard aangeboden gekregen, maar dat had ze geweigerd. Joek was van haar, Joek hoorde bij haar, Joek was haar alles.
Ze kreeg hem ooit van Jos, een aardige ruiter die het aan zijn rug had gekregen en niet meer mocht rijden. Dat was nu al jaar geleden. Ze was
eigenlijk groot geworden met haar paard, die in de afgelopen tijd zichtbaar achteruit was gegaan. Het lopen ging steeds langzamer.
‘Hallo Paula, hoor je me?’ zei haar vader geergerd. ‘Ik breng Joek weg, het is afgelopen!’ Ze wist dat haar stiefvader zich al tijden ergerde aan het manke dier.
‘Nee!’ riep ze trots. ‘Dat gebeurt niet. Dan breng je mij ook maar weg. Hang me ook maar op aan een vleeshaak!’
Vader zuchtte diep. Het dier is heel ziek en zo krijg ik er nog wat voor van de slager!’
Paula liep rood aan. Ze balde haar vuisten en stampte met haar voeten.
‘Doe wat je wilt,’zei hij. ‘Morgen gaat hij er aan..’ En hij liep weg.
Toen ze uitgestampt was, zadelde ze Joek, hoewel ze dat al heel lang niet meer had gedaan. Ze klom op het zadel en reed een klein stukje het bos in.
Ze klom eraf, sloeg haar armen om de hals van het dier en huilde heel hard. ‘Lieverd,’ snikte ze. ‘Ik laat je niet gaan. Ik laat je nooit gaan!’
Joek snoof en het leek of hij antwoord gaf.
Ze merkte niet dat ereen oude vrouw achter haar stond en een hand op haar schouder legde.
‘Wat is er kind?’ vroeg de vrouw.
‘Hij wil Joek wegbrengen,’ huilde ze.
‘Het zal niet gebeuren,’zei de dame en ze lachte zacht. ‘Kom maar mee!’
Ze liepen door het bos en kwamen bij een klein boswachtershuisje. Ze liepen er om heen en aan de achterkant was een stal. Daarin stond een varken in modder te wroeten.
‘Laat hem maar even hier,’ zei de vrouw. ‘En ga nu snel terug!’
Paula holde terug door het bos zo hard als ze kon en rende naar de staldeur. Ze zette die open, zodat het zou lijken of Joek was ontsnapt.
Maar plotseling kwam haar stiefvader eraan gerend.
Hij pakte haar beet en rammelde haar door elkaar. ‘Wat heb je met Joek gedaan?’
‘Ik weet het niet!’ schreeuwde ze. ‘Ik weet het echt niet! Hij is weg, ik weet
niet waarheen, we moeten hem gaan zoeken!’
‘Dat doe ik zelf wel rotmeid!’ riep hij en trok haar omhoog, de trap op.
Hij duwde haar in haar kamer en deed de deur op slot.
Ze stampvoette woedend in haar kamertje, bonsde op de deur en krijste, maar het hielp niet. Niemand kwam haar helpen. Ze ging op haar bed liggen en snikte in haar kussen.
‘Wat een rotkind!’ riep haar stiefvader ondertussen. ‘Dat paard zien we natuurlijk nooit meer terug. Ik kan fluiten naar mijn centen. Ik bel wel even met de slager dat hij niet hoeft te komen morgen!’

Op Paula’s kamer was het stil. Ze had best trek in eten. De zon ging onder.
Ze schoof het raam voorzichtig open en klom langs het balkon naar beneden.
Ze liet zich zacht op de grond ploffen. In de verlichte kamer zag ze haar pleegouders heen en weer drentelen, en driftig gebaren. En ruzie maken.
Ze schoot het bos in en rilde van de kou. Een uil riep haar na, dat ze voorzichtig moest doen. Het bos was onheilspellend. De maan verlichtte slechts de kruinen van de bomen.
Ze kwam bij het boswachtershuisje. De oude vrouw kwam naar buiten.
‘Kom gauw mee!’ fluisterde ze en pakte Paula bij haar hand.
Ze nam haar mee naar de stal. Daar lag Joek, in het stro.
‘Het gaat niet goed met Joek,’ zei het vrouwtje.
Paula aaide het stervende dier.
Ze nam zijn hoofd in haar armen en toen opende hij zijn ogen, voor de laatste keer. Het was alsof in die blik alle dankbaarheid naar Paula lag, voor haar trouw en haar liefde van al die jaren. Toen deed hij zijn ogen dicht, snoof nog een keer, legde zijn hoofd neer en stierf.
Paula snikte. ‘Je hebt nu rust lieve Joek. Je bent op een waardige manier gestorven.’
‘Het is goed zo,’ zei de vrouw en ze sloeg een arm om het meisje.
Ik zal hem begraven, hier naast de hut. Hij krijgt een mooi paardengraf.’
‘Nu moet jij weer naar huis gaan meisje..’

De volgende dag sloop Paula weer het bos in, toen haar ouders wegwaren naar de stad. Ze kwam op het bospad en zag het graf. Er stond een mooie steen bij, met het portret van Joek er in uitgehakt. Ze besloot de vrouw even te gaan bedanken en liep naar het huisje, maar dat was er niet meer!
Het was helemaal weg en er was ook niets te zien van de stal en van het varken.
Ze mompelde: ‘Dank u wel mevrouw, waar u ook bent. Dank u wel!’
En ze sloeg een kruisje en meende een licht in het bos te zien dat naar haar zwaaide.

Spin Andre


Spin Andre kwam aan een zelfgemaakt draadje naar beneden en zag mijnheer Vlas liggen snurken, met zijn mond wagenwijd open. Er kwam een redelijke tochtstroom uit, die Andre heen en weer deed slingeren. Toch wist hij dicht bij mijnheer Vlas te komen, die lag te dromen van zijn kantoor en belastingaangiftes. Hij droomde er over de jongste bediende
flink de wind van voren te geven. ‘Jij verdient straf!’ zei hij tegen de jongeman. ‘Jij verprutst
de aangiftes en denk erom: wel het juiste adres op de enveloppe naar de klant schrijven!’
Daarbij trok hij een streng gezicht naar de bediende en klopte hard op de tafel. De andere
belastingconsulenten deden of ze niets hoorden en rammelden door op de telmachines.
Ja, dat droomde mijnheer Vlas, met zijn mond wagenwijd open.
‘Zou daar binnen wat te bikken zijn?’vroeg spin Andre aan spin Manuel die naast hem aan
een draadje bungelde.
‘Durf jij te kijken?’
‘Ik wel!’ zei Andre en hij liet zich in de gigantische grot zakken. Het rook daarbinnen wel een beetje muffig. Hij zag de glimmende kiezen, vol metaal en onderzocht de tong van mijnheer
Vlas. Het was een enorme lap en het stond in een bol vorm, net of het ding te lang was voor de mond. Of de mond te klein. Hoe dan ook, het was een glibberige lel en hij liet zich er langs
zakken. Hij kwam nu boven een klep. Het leek het deksel van een stortkoker. Hij trok het deksel open en keek in een lange tunnel, de slokdarm. Er was geen licht, toch ging hij nieuwsgierig verder. hij hoorde een stem een liedje zingen! Hij zakte steeds verder weg. Nog een stukje en nog een stukje…en daar keek hij in de maag van mijnheer Vlas.
Het was een holle, hoge ruimte, het plafond was een boog. Het siste en borrelde en en af en toe ging er aan de overkant een deurtje open en werd er wat rommel naar buiten gewerkt.
In het midden lag een groot stuk slagroomtaart en spin Andre keek er verlekkerd naar! Hmm
wat een heerlijkheid! Hij watertandde ervan en wilde erop af, tot hij een stem naast zich hoorde. Het was dezelfde stem van het liedje dat hij eerst hoorde.
De stem van een bacterie, dat is een beestje dat leeft in je lijf, zonder dat je hem ziet, omdat hij heeeel klein is. Deze was lang en groen en had vier lange pootjes aan zijn lijf.
De bacterie stak één van zijn vier pootjes uit en schudde de poot van Andre de spin.
‘Ik heet Helico,’ zei hij. ‘En jij?’
‘Ik heet Andre,’ zei de spin.
‘Leuk je te zien..’
“Zong jij daarnet?’
‘Jazeker. Ik ben basbariton en ik heb zangles..’
‘Ik ben schoonmaker,’ zei Helico. ‘Ik doe klusjes voor mijnheer Vlas, maar hij waardeert het niet. Het is zo’n man die alleen zichzelf leuk vindt..’
‘Zo?’
“Ja, ja, ja, ik draag ook een speciaal pak, want het is hier supergevaarlijk…’
‘Echt?’
‘Ja, het is heel zuur… ’
‘Zuur? Ongelofelijk… !’
‘Ja, luister vriend, als jij hier zonder bescherm pak verder gaat dan blijft er niets van je over, dus, doe nu wat ik je zeg: ga terug!’
‘Is goed!’ zei spin Andre, maar hij had daar geen zin in. Die taart zag er zo lekker uit, zonde om er niet van te snoepen. Hij nam afscheid, wachtte tot Helico was vertrokken, en slingerde aan zijn draadje in de richting van het slagroom. Maar wat een pech..zijn voet raakte de maag-wand en schroeide zijn pootje! Het was alsof hij in brand stond! Toen gebeurde er van alles in de maag: een soort vloeistof spoelde over de taart en de taart begon te sissen en plofte in
elkaar. Het werd ineens heel vochtig en benauwd. Snel hees Andre zich op ,terwijl hij vol ontzag naar het verteren van de taart keek. Hij deed het deksel van de strot weer open en klom via het geopende snurkgat naar buiten. Mijnheer Vlas merkte nog steeds niets.
‘Hoe was het?’ vroeg Manuel. ‘Heee wat is dat nou?’
Hij zag dat Andre nog maar zeven pootjes had.
‘Kerel,’ zei Andre. ‘Het is levensgevaarlijk daarbinnen. Oei, wat heb ik een pijn!’
‘Zo, ik ziet het, wat is er gebeurd?’
“Ik ga nooit meer naar binnen bij mensen..het is een valstrik!’
‘Was ik ook niet van plan!’
‘Het was er lekker warm en hij had een lekkere taart liggen, toen ineens: boem! taart weg, au,au, au,au..’
Hij schrok, want mijnheer Vlas werd wakker. Hij boerde en wreef over zijn buik.
Ze zagen hem opstaan en naar de koelkast lopen. Mijnheer Vlas bukte en pakte een bak joma
salade. Hij schoof het in één keer naar binnen.
‘Pfftt,’ zuchtte Andre. ‘Als ik daar nog gezeten had had ik dat op mijn bol gekregen..lekker zeg!
‘Kom, laten we vliegen gaan vangen!’
‘Jottem!’ riep Manuel.

De kindertranenvanger

Grote mensen hebben allemaal een beroep.
De een is politieagent, de ander piloot en sommigen mensen werken op kantoor.
Bij ons in de straat woonde een mannetje, hij was maar twee turfjes hoog, die een heel ander bijzonder beroep had. Misschien was het meer een hobbie, zoals paardrijden, of dansen. Of misschien was het wel liefdadigheid.
Dit mannetje had een hele grote hoed en daarin ving hij tranen op. En niet van grote mensen, maar van kinderen. Vol trots sliste hij, -hij had geen tanden meer-, dat hij de enige kindertranenvanger was op de wereld.
Van kinderen kreeg hij veel brieven of hij hun tranen wilde opvangen, want als
ze bij hem in de hoed zaten, dan waren die kinderen weer vrolijk en blij.
Ze moesten dan wel een snoepje geven. Vandaar dat het mannetje geen tanden
meer had natuurlijk.
Toen werd het winter. Het sneeuwde dagen achter elkaar en het vroor dat het
kraakte. Kleine Aisa rilde van de kou. En ze huilde, want haar vader was een
stoere zeeman, werkte bij de marine en ging weer naar zee.
Aisa stond met haar moeder op de kade naar vader te zwaaien. Hij ging een
trappetje op, zwaaide nog een keer en nog een keer en verdween toen op de grote boot, tussen alle ander marine mannen.
En Aisa moest huilen, huilen. Ze huilde achter elkaar er kwam geen einde aan.
Moeder bleef stijf staan. ‘Stil!’ zei ze streng en ze kneep gemeen hard in Aisa’s hand.
‘Papa komt als jij jarig bent, weer terug, kind, stil!’
Toen vertrok de boot. Een witte rookpluim kwam uit de schoorsteen. Op de boot stonden grote kanonnen.
Ze wandelde met haar moeder langs de kade.
Bij een groot anker, dat daar doelloos lag, zat een klein mannetje met een rare, lange, zwarte jas en een hele hoge hoed, tot over zijn oren.
‘Dag kindje,’ zei hij vriendelijk. ‘Dag mevrouw!’
‘Dag mijnheer,’zei moeder kortaf.
‘Zeg kindje, ik zie dat je hebt gehuild…mag ik je tranen vangen? ’ ‘Ik breng ze dan naar de zee en daarin zullen ze opgelost worden, zodat het verdrietje voor altijd voorbij is en jij weer vrolijk bent..’
‘Krijg ik dan papa terug?’
‘Ah papa!’ hij keek meewarig. ‘Nee, dat kan ik niet voor je regelen..’
‘Mijnheer,’ zei moeder. ‘Wij moeten gaan. Het is koud, kom, Aisa…’
Toen begon Aisa heel hard te huilen. ‘Ik wil naar papa!’ schreeuwde ze.
‘Voor een lollie , help ik u!’ zei het mannetje en hij nam zijn hoed af.
Nu pas zagen ze dat hij heel kaal was en twee hele groet oren had. Aisa
vond hem op een olifantje lijken. Zijn hoed had aan de achterkant een tuit,
zodat de tranen makkelijk konden worden opgevangen. Hij plaatste de hoed tegen haar gezicht, maar hij keek sip: de tranen waren bevroren en zaten vastgekleefd aan haar wangen!
‘Dit is de eerste keer dat me zoiets overkomt!’zei hij sip. ‘De tranen zijn zo
koud,dat ze zijn bevroren. Maar…dit is gevaarlijk..we moeten iets doen!’
‘Kom, vervelend nest,’ sneerde Aisa’s moeder. ‘We gaan!’
‘U moet haar knuffelen, warmte geven, dan zullen de tranen smelten en kan ik ze vangen!’
“Bent u gek geworden!’ zei moeder. ‘Ik ga hier niet staan knuffelen!’
‘U moet, anders wordt zij ziek van verdriet…!’
Nu schrok moeder wel even: dan moest ze straks voor een ziek kind gaan zorgen, daar had ze helemaal geen zin in!
Dus sloeg ze haar armen, voor het eerst in haar leven, om Aisa heen en trok haar tegen zich aan. Nood breekt wet, dacht ze. Het hoofd van Aisa verdween in de jas van haar moeder. Haar gezicht werd opgewarmd en zo ook de tranen.
Snel stak de kindertranenvanger de hoed tussen de jas en ving het water op, voordat moeder hem kon slaan.
‘Blijf van me af griezel!’ riep ze dreigend en begon te schoppen. Aisa begon nog harder te huilen.
Het mannetje holde snel weg op zijn kleine beentjes. Kindertranenvanger zijn was tegenwoordig geen eenvoudig beroep meer. Al die agressiviteit!
Het mannetje struikelde nog een keer, klauterde overeind en rende verder naar de zee. Hij moest een stukje over het strand naar de branding.
Snel leegde hij de hoed in de golven en zuchtte diep. ‘Weer een kind gelukkig gemaakt,’ dacht hij.
Plotseling hoorde hij voetstappen achter hem. Het was Aisa.
‘Mijnheer, mijnheer!’ hijgde ze. ‘U krijgt nog wat…’
Ze stak haar handje uit en daarin lag een lollie.
‘U hebt me weer blij gemaakt en nu krijgt u daarom deze lollie.’
‘Dank je Aisa,’ zei hij. ‘Ik ben blij voor je!’