donderdag 31 december 2015

De laatste seconden van 2015

Waar gaat dat vliegtuig nu nog naar toe? Ik kan hem zien vanuit het slaapkamerraam. Iemand steekt alvast zijn maandsalaris de lucht in met werkelijk prachtige artistieke vuurpijlen. Dankuwelmijnheer. Vanavond wel een prosecco genoten, geschonken door de dokters van de interne. Drank en interne geneeskunde, dat gaat toch niet samen? Hoe dan ook, mijn pleeg heeft geen stem meer en is licht versleten en ik denk dat ik haar om twaalven wakker zal moeten maken. Onze troetel Sissie, die we op de kerstkaart hadden gezet, waardoor velen nu denken dat we er een kind bij hebben, ligt te snorren onder de deken naast het vrouwtje. Ze is de hele dag al gestrest geweest van de knallen. En er waren ook explosies bij hoor, dat het leek of het huis trilde. Afgelopen nacht is ook een schuurtje van de peuterspeelzaal in de brand gezet. Er loopt iemand rond met een emmer benzine. Iemand die wellicht zich opgewonden voelt worden van vlammen. Ik maak me daar wel wat zorgen over. Wij grenzen aan een groot, donker scholencomplex, ideaal voor een hete fik. Als dat gebeurt, en god verhoede het, dan kan de brandweer daar alleen bij, door over ons dak heen te spuiten. Zo is de situatie, is mij eens uitgelegd. Dus asjeblieft geen brand, brandjes of vlammen. En zo tikken de seconden weg vrienden. Wat zijn uw goede voornemens? Ik heb er wel honderd, denk ik. In mijn top tien staat dat ik mij minder bang zal laten maken door de grote boze wereld. Want angst is een slechte raadgever en angst toont ook minder mooi. Als je lacht, maak je vrienden en glij je gemakkelijker naar de top. Want ik wil natuurlijk volgend jaar wel directeur worden en mijn zakken vullen met een spetterend salaris. Ja, ik heb veel nobele motieven en voornemens. Ondanks dat ik derhalve keihard voor mezelf ga, wens ik jullie toch ook veel succes. Je overdrijft weer, zucht mijn geliefde. Goed, laat ik iedereen dan een vrolijk en gezond leven toewensen. Wish you a very happy new year! Vanonder de deken toegewenst door uw verslaggever Sjoerd.

zondag 27 december 2015

reactie Huis van Hilde

Mijn verhaal over Hilde, zie bericht juli 2015, naar de plaats gestuurd waar het hoort: in het huis van Hilde, Castricum. Gelukkig dat het huis deze eigen invulling van de geschiedenis kan waarderen en een plaats heeft gegeven, getuige het antwoord van vandaag:


Geachte heer Van Berkel, Beste Sjoerd,
Wat een leuke verrassing om uw verhaal te ontvangen!
Wij waarderen het zeer dat u uw fantasie de vrije loop heeft laten gaan en een mooi verhaal (en bijpassende tekeningen) hebt gemaakt.
We leggen uw verhaal op onze vrijwilligers(lees)tafel, uiteraard met naamsvermelding.
Nogmaals hartelijk bedankt en hopelijk nogmaals tot ziens in Huis van Hilde.


Met vriendelijke groet,
O.K, medewerker Huis van Hilde Castricum

woensdag 2 december 2015

Vanavond zeven uur



Papa, komt mama kusje geven?
Nee, Thijs, mama is in het ziekenhuis bij de zieke mensjes.
Hij begint te snikken.
Maar ze komt vanavond als ze thuiskomt bij je kijken.
Maar ik wil nu een kusje! Waar is mama?
Hij begint harder te snikken.
(Ik zoek naar iets om de pijn te verlichten, een foto.. dat is misschien een idee… ik pak de foto van Anja en mij op Elba.. misschien helpt het..)
Kijk Thijs, een foto van mama, geef daar maar een kusje op.
Hij kust de foto.
Zal ik hem naast je bedje leggen, ik haal hem wel even uit het glas, hier… (ik leg de foto naast zijn knuffels).
Komt mama vanavond?
Ja, mama komt vanavond als ze klaar is bij de zieke mensjes.
(We lezen Jip en Janneke)
Deur niet dicht papa en lichtje aan.
(Zijn tranen zijn verdwenen, de foto ligt naast Woezel ik sluit de deur en hij slaapt binnen 5 minuten)  

En eerlijk gezegd: ik mis haar ook hoor, Thijs. Als ze thuiskomt maken we het gezellig, en zingen we bij je schoen zo hard dat alle Sints en Pieten het aan de andere kant van het land horen.

dinsdag 1 december 2015

Rijbewijs verlengen

Rijbewijs verlengen


Het woei of het waaide. Ok, het woei hard. Ik ging mijn rijbewijs verlengen. Het is 10 jaar geleden dat ik  na een zware strijd toch nog bij de 4e poging  slaagde. De docent kreeg bij het horen van het ‘gefeliciteerd’ grote ogen. Ik ging op de fiets mijn rijbewijs verlengen. Fietsen tegen de wind. Wat is heerlijker dan tegen een storm intrappen?  Met een bezwete rug kom ik aan bij het veels te grote stadskantoor. Bij de ingang naar de wanstaltig overdreven lange  roltrap  staat een bord: geen toegang. Ik zoek een ander eingang. Daar gaat een poort open. Iemand stapt binnen. Ik stap ook binnen. Ik ga een trap op en nog een trap op als een ridder die de vijand zoekt in een toren van een kasteel.  Alle deuren zijn op slot. Misschien een geheime deur?  Terug naar beneden. Ik zie vooral lege gangen, werken hier ambtenaren? Er zijn forse bezuinigingen geweest, dus misschien zijn ze er niet meer. Wordt alles door de computer gedaan. Ik kom terug bij de poort. Dicht. Ik zit gevangen in de gemeenteburcht. Ik zwaai naar een bouwvakker buiten. Hij rookt rustig door. Plotseling valt het kwartje in zijn brein. Hij drukt op een knop. Ik sta weer buten. Nu pas zie ik de pijl naar de juiste ingang. Daarachter is een kleine ruimte met een beveiliger en een dame achter een balie. Het is er overvol. Mensen uit den vreemde vullen de weinige vierkante meters omdat ze met z’n allen gezellig documenten gaan opvragen. Voor me staat een Nederlandse man te mopperen over een bekeuring. De beveiliger zegt dat ik een bonnetje moet vragen aan de baliemevrouw. Terug naar het communisme. De automaat is in de ban gedaan en daarvoor hebben we nu een lieve dame die het bonnetje overhandigt. De code op het bonnetje is duister, je kunt daar echt niet uit afleiden wanneer je aan de beurt bent. Ik neem plaats naast een man met een jongetje en plotseling valt me iets in: ik ben de pasfoto’s vergeten! Ik neem mijn portemonnee en zoek daarin of ik nog aanwezig ben. Wel zijn er foto’s van mijn kleine man en eentje van mijn liefste, lang geleden genomen vlak na een nachtdienst.  De pasfoto’s vergeten... en ze lagen naast de ID- kaart. Hoe dom, ik zucht diep en loop terug naar de aardige mevrouw. Ik zeg dat ze de afspraak kan cancelen. Ik sta weer buiten. Met de gemeente moet je geduld hebben, maar soms ook vooral met jezelf.     



zondag 22 november 2015

Het enige wat de vis hoeft te doen, is zich verliezen in het water

Onlangs (2014) verscheen de debuutroman van Niña Weijers: de Consequenties. Hierin wordt het leven van de kunstenares Minnie Panis beschreven, in verschillende fases. Het boek bevat een fascinerende gelaagdheid, waarin wordt geput uit de Tao, en uit het conceptualisme. Boeiend is het feit dat we moeilijk een vinger kunnen leggen op de motieven van de auteur, van de verteller en van het personage. Wie zijn zij en wat willen zij ons vertellen? Het blijft omgeven met een mysterieuze waas. Op zoek naar de antwoorden stuit ik op nog  veel meer vragen en het lijkt dan ook of het gezegde: ‘het enige wat de vis hoeft te doen, is zich verliezen in het water’ in deze context zou kunnen betekenen: jij bent de vis en waarom zou je al die vragen stellen over het water, de bodem en de algen? Meer vragen leiden tot meer vragen, zei Popper, de Duitse wetenschapsfilosoof, al in zijn werk: De groei van kennis (1963).          




Niña Weijers heeft een zeer intrigerend boek geschreven dat eindigt in de provincie Sinkiang in China. Toevallig is dat niet. Het verhaal put voortdurend uit de Chinese filosofie, de Tao. De wereld is oneindig en je kunt erin verdwijnen. De hoofdpersoon Minnie, een kunstenares, staat op het punt de westerse wereld te verlaten, haar roem en haar geschiedenis achter te laten. Minnie’s concept van het leven vinden we terug in de Taoïstische wijsheid: het enige wat de vis hoeft te doen, is zich verliezen in het water. Een visie die met zich meebrengt dat leven op een natuurlijke manier kunst voortbrengt. Leven en kunst zijn onafscheidelijk en zo kan het leven van de kunstenaar op zich al een kunstwerk zijn. We lezen bijvoorbeeld dat Minnie zich stiekem laat fotograferen. Minnie ontleent haar inspiratie onder andere aan Abramovic, een performance kunstenares die zich laat kwellen omdat ze gefascineerd is door pijn. Dat fysieke aspect is een sterke rode draad in de Consequenties. Maar Weijers besteedt ook ruime aandacht aan Bas Jan Ader. In een ander lettertype wordt het leven van Bas Jan beschreven en het lijkt me dat dit ook de oorspronkelijke inspiratiebron voor de schrijfster was. In haar column in de Groene Amsterdammer van 10 september 2015  schrijft ze dat Bas Jan Ader haar niet loslaat. Hij is haar held. Hij maakte gevaarlijke kunst. ‘Dat is wat kunst nu eenmaal vereist, wil ze althans meer zijn dan decoratie aan de wanden van villa’s die anders zouden verzuipen in hun eigen omvang. ‘ (de Consequenties p, 158)   Die Bas Jan dus en Ger van Elk. Toevallig of niet, maar ze verschenen weer in de kranten, omdat er een tentoonstelling over hun werk werd ingericht in Galerie Grimm in de Frans Halsstraat in Amsterdam. Ik toog daarheen, voor verdieping en begrip van de conceptuele kunst.

Expositie in Galerie Grimm

Ik moest een keer aanbellen toen ik binnen mocht in galerie Grimm, die tijdelijk het karakter had van een museum. Het was een witte, lage ruimte, met verspreid langs de muren de foto’s, films en beelden van de gestorven vrienden. Bij het kijken ervaar je een aangename vrijheid en avontuur. De vrijheid om je eigen gedachten over iets  te hebben, maar ook een vrijheid om volledig op te gaan in de natuur, om je nergens door af te laten leiden. De gevoelens die je ervaart zijn jouw eigen emoties, nergens spelen de kunstenaars op jouw gevoel, of het moet zijn dat je in de lach schiet vanwege die rookworst, of omdat Bas Jan in de gracht rijdt met zijn fiets. Uitzondering op mijn gedachte is de groot geschreven tekst op de muur: ‘please don’t leave me’ . En hoe beoordelen we de film waarin Bas Jan aan het huilen is? Is dat echt? In het Parool (17 september 2015) beoordeelt de journalist, Kees Keijer, de expositie als ‘serieuze kunst met een vleugje slapstick.’ Je weet niet of je moet lachen of moet huilen.  Het stuk van Keijer gaat verder niet in op conceptualisme, maar over ditjes en datjes, de vrouw van Bas Jan, Mary Sue Andersen, die zijn films terug wil hebben.  Derhalve  niet een  stuk waardoor we verheldering krijgen over Bas Jan, Minnie uit het boek en de schrijfster Weijers. Om terug te komen op de conceptualisten Bas Jan Ader en Ger van Elk: twee vrienden en tegelijk Sjors en Sjimmie in de kunstwereld van de vroege jaren zeventig. Ze zoeken vrijheid om overal kunst in te zien, hun kunst in het leven te plaatsen. Ze vallen direct op. Bas Jan laat zich filmen tijdens een val van een dak en noemt dat kunst. De schoonheid van de valbeweging. Daar zit iets in. Ik heb het filmpje - het is erg kort- ook al vele malen gezien en het blijft adembenemend. We zien hem zitten op een stoel, op het dak. Hij valt, hij rolt, zijn schoen vliegt door de lucht, hij strekt zich nog uit om zich aan de dakgoot vast te houden. Het is knettergek. Zeker als je bedenkt dat zijn vrouw dit heeft gefilmd. Maar is het ook kunst? Want kunst was toch altijd een beeld scheppen van de werkelijkheid of je eigen brandende gevoelens vormgeven. Maar dat is dit niet. En dan Ger van Elk. Zocht het meer in de humor. Hij laat zich fotograferen met een rookworst op zijn schouder. Kunst?





De consequenties

Mijn zoektocht naar de antwoorden brachten me verwarring en een  verlangen naar meer te weten, te herkennen . In de tram terug zag ik de mensen op straat, het regende. Ze droegen paraplu’s, maar ze leken niet te willen verdwijnen. Integendeel: ze droegen kleding met schreeuwende kleuren en tatoeages om hun bestaan te rechtvaardigen. Niemand wil zomaar oplossen in het niets, tenzij je kunstenaar bent kennelijk en op zoek gaat naar de consequenties van je gedrag. Als je van het dak springt val je je een buil en als je op het ijs gaat staan zak je er door.

Een zijspoor

Ik probeerde me te realiseren waarom ik me bezig houd met dergelijke vragen, een zijspoor in mijn onderzoek. Waarom lees ik eigenlijk nog altijd en kies ik voor dergelijke thematisch moeilijke werken? Al spittend in mijn omvangrijke boekenkast kwam ik een deeltje tegen van Dik Trom, het allereerste boek dat ik me kan herinneren. Ik koester daar warme gevoelens voor. Mijn vader gaf het me – misschien omdat hij hetzelfde ervoer- en las me eruit voor. Samen lachten we om de duivelse streken van het dikke mannetje. Het is bij nader lezen een eenvoudig geschreven werk, recht uit het hart en je hoort de vriendelijke doch strenge stem van een hoofdonderwijzer uit een klein dorp. Zo zijn in mijn geheugen de liefdevolle gevoelens voor het lezen en de kunst gevormd en zo ben ik uiteindelijk terechtgekomen bij Mulisch en bij Weijers, maar is dat wat ik wil lezen? Of wil ik stiekem terug naar de evasorische rodewangentijd van vroeger? Ik heb de consequenties toch ook verslonden, maar met toch meer afstand dan toen. Een intellectuele distantie, ergens wel jammer.
Het boek past eveneens in de gedachtewereld van Aiden Chambers, de Engelse leesfilosoof die stelde dat een werk in de eerste plaats aan het denken moet zetten en daarna de fantasie moet prikkelen. Maar wat nu als de vragen die je hebt niet beantwoord kunnen worden. Ook tijdens de presentatie die ik gaf over de Consequenties, braken de studenten hun hoofd over de vele mogelijkheden tot interpretaties. Zoveel onbegrip zou ook kunnen leiden tot frustraties en tot afwijzing van een werk. Dat kan een consequentie zijn van op een mystieke manier willen schrijven.
  
De auteur

Ik weet uit ervaring dat het kan helpen om wat meer over de auteur te weten, maar dat helpt in dit geval maar heel beperkt. Zij is nog erg jong en is te zien op diverse video’s op het internet. Maar daarin hoor ik haar niet diep ingaan op de motieven van de tekst of de personages. Haar mogelijke leermeesters Mulisch en Zwagerman hadden daar aanzienlijk minder moeite mee. De columns die ze schrijft in de Groene Amsterdammer zijn intelligente, puntige beschouwingen over  de kunst en het leven. Maar niet over de consequenties. Ze wil haar lezers niet beïnvloeden, die hun eigen avontuur laten beleven, hun eigen dingen laten ontdekken, zoals een goede schoolmeester speelt met de ontdekkingsreis van zijn eigen leerlingen.
Vergelijk eens met Bas Jan: van hem zijn ook geen teksten over zijn gedachtes overgeleverd. Behalve dan dat: ‘please don’t leave me.’

 Uiteindelijk  

Verdwijnen en gezien worden, daar gaat het boek over. Minnie verdwijnt drie keer, Bas Jan verdwijnt. Verdwijnen als kunstvorm. De schoonheid van het zomaar oplossen in het niets. Het zit in heel veel kunst, in heel veel literatuur. Bijvoorbeeld in het einde van M. M. Schoenmakers’ roman: de wolkenridder, waarin de zwerver Gerlof Verdegaal mogelijk wordt vermoord, of verdwijnt.
En is er misschien een koppeling met religieuze ervaringen? Is dat de bron van het verdwijnmotief in de kunst? De Christus die uit het graf verdween terwijl ereen steen voor lag. Die daarna opstijgt en dan nog een keer verschijnt aan een stel ongelovigen.

Misschien eens luisteren naar wat Zwagerman zegt over de Consequenties in het VPRO radioprogramma Nooit meer slapen. Hieronder plaats ik de link naar dat programma:



Zwagerman beschouwt de scène met Abramovic als een sleutelscène, maar hij onthult niet waarom. Hij wil de luisteraar prikkelen het te gaan lezen. Alle reden voor mij om het bezoek van de hoofdpersoon Minnie Panis aan de MOMA in New York, nog eens goed na te  lezen. Als Minnie eenmaal tegenover de performancekunstenares Abramovic zit, dan is de conclusie: ‘Twee mensen staarden naar elkaar, maar alleen om zich los te maken van de ander, van zichzelf, op te lossen in de tienduizend dingen.’ (p.203)  Dit is de conclusie van de verteller. Het wil zoveel zeggen als het verlangen om te verdwijnen. Een motief dat voortdurend terugkomt, weg willen gaan, oplossen, net als Bas Jan verdwijnen in de oceaan. Een tweede motief wordt ook genoemd op dezelfde bladzijde: ‘ging het om de kans om door haar gezien te worden..’  Minnie wil alsmaar bevestigd worden in haar bestaan. Ze zoekt de bevestiging dat ze echt leeft en echte kunst maakt. Kunst moet niet verzonnen worden, maar ontstaan. Kunst en leven als broeders. Kunst die echt is en waarmee je ook gezien wordt als mens. Om daarna voorgoed te verdwijnen. Ik vind de twee hoofdthema’s wel bij elkaar passen want de kunstenaar sluit zich aan bij de natuur. De natuur brengt de kunst en de mens voort en de mens verdwijnt daarna weer in de kosmos.
Maar zoals Zwagerman  in het radiofragment zegt, je hoeft je niet in te graven in de thema’s, want als je die niet begrijpt, is het geen ramp. Al blijf je met een mysterieus gevoel achter, je hebt in ieder geval een prachtig verhaal gelezen en over kunstenaars gelezen die in een zeker perspectief worden gezet. En je hebt ook nog eens een expositie bezocht van twee conceptualisten. Daarnaast is Zwagermans werk dichterbij gekomen. Hij is een fantastische essayist geweest, een die juist verdween, op 8 september, in de periode van het schrijven van dit essay. En ook weer een mysterieuze verdwijning. Eerst, aan het begin van 2015, zijn collectie brieven wegschenken aan het letterkundig museum,( zie: http://www.npo.nl/de-wereld-draait-door/10-02-2015/VARA_101372612/POMS_VARA_786758,) dan een boek over stilte publiceren en twee dagen voor de publicatie, voor eeuwig oplossen. Net zo mysterieus als Bas Jan Ader die smeekt om niet vergeten te worden, maar zelf nooit een spoor achter laat.  
Nu laat ik de consequenties achter me lezer, als een vis die zich verliest in het water, als een zwemmer in open zee. Met nog een mooi laatste fragment, Abramovic oog in oog met haar grote liefde:


Abramovic en Weijers leren ons te kijken, te voelen en ons te verliezen. In liefde en in kunst, in kunst en in liefde. Ik hoef niet verder meer te zoeken, of te onderzoeken. Ik weet genoeg en ik heb genoten, het is goed zo. Ik leg mijn pen neer en neem een oogdruppel van dokter Vogel omdat ik zo wazig zie vandaag. Daarna ga ik slapen en wens u een goede nacht en dat u zich mag verliezen in een heerlijke droom. Een droom om in te verdwijnen. 


Sjoerd van Berkel,
22 november 2015




  






     

dinsdag 17 november 2015

Ogentroost

En toen werd ik wakker en zaten mijn ogen dichtgeplakt. Voorzichtig uitgespoeld en daarna toonde de  spiegel mij twee rode ogen, als een albinokonijntje. Ik had nu ook letterlijk een waas voor ogen zoals je door een beslagen douchecabine kunt kijken. Gelukkig heb ik dokter Vogel in huis die met een flesje ogentroost aankwam. Volgens medici niet- werkende druppels, maar bij mij werken ze wle hoor, beste mannen en dames van de wetenschap. Ze bieden troost voor schrale ogen. Ogen die ook niet meer willen lezen en dat is soms wel prettig, als je de krant van heden openslaat. Maar vooral het beeldscherm, daar hebben ze helemaal geen zin meer in. Hoor, buiten de storm eens langs de kust blazen, daar heb je geen ogen voor nodig. Het raam rammelt, hier in huis zelfs waait de wind. De goede Sint wordt nog van het dak geblazen. Omdat ik toch de man in huis ben moest ik er nog even uit om de vuilnisbak buiten te zetten. In mijn schoen bleek een chocoladebankbiljet te zitten.
Mijn liefste was vandaag jarig. Ik haalde een familiezak met frietjes bij de plaatselijke frietenboer. Het was daar erg donker voor de deur. En de wind poogde de patatten weg te waaien. Ik wilde ze in mijn rugzak proppen, maar die zat vol rugbrekende geleerde wijsheidboeken. Dan maar die zak onder je arm. Wind, duister, regen, en ik zag toch al weinig.
En toen gleed ik onder de deken en prikte met twee vingers een laatste woord.
'Doe jij je bouwlampje  nog even uit?' merkte mijn jarige job op.
Gaan we het raam sluiten of laten we het lekker doortochten?            

maandag 16 november 2015

Maandag 16 november 2015, in Amsterdam: sorry terroristen, ik ben niet bang!

Vandaag was ik in Amsterdam.
Wat vlaggen halfstok.
Politieagenten op het station.
Iemand trok aan de noodrem. Ik dacht eerst aan een zelfmoordenaar.
Dat was niet zo. Gewoon een oude dame in de war.
Verder gebeurde er niet veel.
De mensen bewegen net als altijd.
En dat is goed.
Dat is precies wat de terrorist niet wil.
Die hoopt op angst in het hart en in het brein.
Ik voelde me nergens bang.
En de anderen ook niet.
Ze eten, ze drinke, lachen en ze spelen op de piano in de hal.
Ik hoorde:  'Yesterday when I was young..'
Amsterdam, I love you.

maandag 5 oktober 2015

Souvenirs (tell me)




Toen ik bij mijn lang- geleden collega’s liet ontvallen dat ik muziek zocht van all over the world,  niet de reguliere, maar de volslagen onbekende, kwamen zij aan met souvenirs van hun reizen. Ze staan naast me op het nachtkastje: een toren van Pisa, een schaap uit Schotland en een vulkaantje uit Lanzarote. Prachtige kitsch en zo aardig dat zij aan mij dachten, in den vreemde. Mocht je ergens zijn en een prullerig aandenken voor me mee willen nemen, dan is dat goed. Muziek is natuurlijk helemaal mooi. Een vals zingende straatzanger, een onderwaterkoor, neem het mee. Ze zijn het musicerende bewijs van hartstocht, van zuiver amateurisme zonder PR bureau. Ik ben iemand die er geen moeite heeft met of iets kunst of kitsch is. Hier in de slaapkamer hangen diverse schilderijen. Een gezicht op Parijs, geen kunst, maar gewoon productie, daaronder een prent van een jongetje in een blauw autootje, gekocht bij Jacques de Friemel in de Haarlemmerstraat. Een winkeltje vol jaren 60 bagger. Aan de muur tegenover me een slecht olieverfje van een of andere onbekende grootheid, toch, ik zou hem niet kwijt willen. Want we leven en we hebben onze herinneringen aan die keer dat we iets kochten. Aan de lach op het gezicht van de verkoper die probeerde de maker van het schilderij te ontcijferen. Lanzarote, staat er op het nepvulkaantje. Ik heb dia’s gezien van dat eiland, woest en ledig is het. Breng me je rommel uit verre landen of dichtbij, maar vertel me vooral je verhaal bij het object. Waar was je toen je het kocht en hoe was de reis? Of het dagtripje? Tell me. 

zaterdag 26 september 2015

De loodgieter, het mysterie van de toiletpot


Ik leg het de loodgieter nog eens uit. De man, een sympathieke grote vent, zit op zijn knieën en schijnt met zijn telefoon in het toiletreservoir. ‘Dus hij loopt door,’ zegt hij. ‘Dat klopt,’ zeg ik. ‘Maar het gekke is dat als je beneden doortrekt, of een kraan opendraait, dat het hierboven dan gaat lopen.’  Hij denkt even na, en zegt: ‘Dat kan niet.’  Anja komt erbij, zij vertelt hetzelfde. Het reservoir leegt zich soms ook weleens vanzelf. ‘Dit heb ik nog nooit meegemaakt,’ zeg hij. ‘En nogmaals: het kan niet.’  Nou, hij ging het bij zijn collega’s navragen. Ik heb het al over het spook van de toiletpot.  Toch voel ik hier nooit een koude tocht langstrijken. Slechts een keer heb ik iets vreemds meegemaakt en dat was met de sleutels van de brievenbus. Ik heb er twee en ze waren plotseling allebei weg. En plotseling lag de ene weer op zijn plek en de ander vond ik bij de deur van de schuur, een paar meter van de brievenbus. Vooral die laatste vindplaats vond ik heel vreemd. Mijn zoon kan niet bij die sleutels. En verder vreemde dingen? Ja, ik ben eens bij iemand geweest waar de plafondlamp plotseling heen en weer ging. En ik heb ook wel rare lichtverschijnselen gezien. Daarover een andere keer. Nee, ik hecht alleen waarde aan de wetten van de fysica. Al het andere is niet bewezen, al is het wel leuk om erover te filosoferen. Misschien komt de loodgieter binnenkort met een verklaring.  

 

  

vrijdag 25 september 2015

De lezende kabouter




Er was eens een kabouter die een boek las. De kabouter zat heerlijk in het zonnetje voor zijn paddenstoel en hij glimlachte. Een bolle grijns trok over zijn rode wangetjes. Plotseling klonk daar de schelle stem van zijn vrouw. ‘Knook, ga de eikeltjes halen voor het eten. Ik ga over een uurtje koken! Ga, nu!’ Met een zucht legde kabouter Knook het boek neer en ging naar het bos. Hij stak links af, klom over een hek, zwom door een plas en kwam aan bij een grote eikenboom. Daar zat een vogel met een zachte ‘G’, het was een Vlaamse Gaai. ‘Zeg,’ zei de vogel. “Maak dat je wegkomt, de eikels die hier liggen zijn voor mij!’ ‘O nee!’ riep de kabouterman geschrokken. ‘Een buizerd!’ En hij wees met een trillende hand naar boven. Daar cirkelde een hele gevaarlijke roofvogel met die zin had in een kabouterhapje.  “Wegwezen!’ Hij dook de struiken in en de Vlaamse Gaai kraste: ‘Neem je kaboutermoeder in de maling!’ Maar op hetzelfde moment daalde de rover en met zijn enorme klauwen greep hij de
Gaai die nooit meer werd teruggezien. De kabouterman propte nadat hij was bekomen van de schrik, snel de eikels in zijn jasje en  rende naar het paddenstoelenhuisje. “Je bent laat!’ klaagde de vrouw. “En kijk je jasje eens..allemaal groene vlekken erop.. vertel op..wat heb je gedaan onderweg?’ ‘Ik …ik..’ stamelde de kabouter. ‘Niks..gewoon..’ ‘Nou wegwezen..’ gebaarde de vrouw en daar was hij best blij mee, kon hij tenminste zijn boek gaan lezen. Plotseling kwam er een kabouterkindje met vlechtjes op hem afgerend. Ze had rode oogjes van het huilen en de tranen gleden over haar wangen. ‘Mijnheer Knook,’ snikte ze. ‘U moet me helpen! Mijn mama Geertje zit vast in een Muizenval! Komt u toch gauw mee!’ Kabouter Knook legde zijn boek met een zucht weg en rende achter haar aan zo snel als zijn vijfhonderd jaar oude beentjes hem dragen konden. En bij de vlierbessenstruiken, die bij een open plek in het bos stonden, zag hij het: Tante Geertje lag met haar armen en benen wijd, in het ijzer van een klem die voor een konijn was bedoeld. ‘Help! Knook, help me!’ riep ze woedend.
‘Haal me hier uit..’ ‘Ja, ja, ja,’ mopperde de kabouterman. ‘Maar hoe?’ Hij probeerde aan de ijzeren pin te trekken die om de nek van het vrouwtje zat.
Maar dat ging niet, het zat muurvast. ‘Het wordt zagen, Geertje,’ merkte hij somber op. ‘Ik zal een zaag moeten halen.’  Hij rende terug naar zijn paddenstoel en uit de werkplaats haalde hij een ijzerzaag, die al eeuwen goed dienst had gedaan. Hij kwam terug bij Geertje en begon te zagen. Wat duurde het lang..zijn handen begonnen pijn te doen, het zweet gutste langs zijn baardje, hij had dorst, maar moest doorgaan. Maar eindelijk…daar zaagde hij het laatste stukje door en was Geertje bevrijd! Ze omhelsde hem en snikte: ‘Dank je lieve Knook, wat ben je toch een schatje, hoe kan ik je ooit bedanken?’ ‘Graag gedaan,’ zuchtte de kabouter. Hij pakte zijn zaag en liep terug naar de paddenstoel. Toen hij aankwam bij de paddenstoel krijste zijn vrouw: ‘Waar heb jij gezeten?’ ‘Ik heb eh..’ stamelde hij.  Zij sloeg hem met een deegrollertje op zijn kabouterbillen. ‘Au! Au!’ riep hij. ‘Ik heb Geertje gered..’
Maar zij luisterde niet en schreeuwde: ‘En je boek heb ik in het vuur geworpen om de eikels te kunnen koken. Het brandde goed kan ik je zeggen,’ zei de vrouw. Maar dat was helemaal niet waar, want zij had het boek verstopt in een kast en de sleutel om haar nek gehangen. ‘Nee, grapje,’ zei ze op valse toon. ‘Je krijgt het boek terug als je nu het hele huisje verft, een nieuwe ladenkast timmert, de schoorsteen schoonmaakt en de tapijten uitklopt. ‘Okee lieverd,’ zei de kabouterman. ‘Is goed schat!’  En hij ging aan de slag. Het duurde de hele dag en de hele nacht. Nu kon hij eindelijk gaan lezen. Hij kreeg het boek terug en zocht naar het laatste, spannende hoofdstuk. Maar toen hij begon te lezen voelde hij dat zijn oogleden zwaar werden en zwaarder en ze vielen dicht. Zijn vrouw vond hem met zijn hoofd gebogen over  de laatste bladzijde. Hij was in een diepe slaap. ‘Zie je nou wel dat lezen niks an is,’ zei ze. 

donderdag 24 september 2015

Bas Jan Ader en Ger van Elk galerie Grimm Amsterdam


Expositie Bas Jan Ader en Ger van Elk
Plaats: galerie Grimm Amsterdam
24 september 2015

Een museale tentoonstelling van twee overleden kunstenaars. Een witte ruimte, met films, video’s en foto’s uit het begin van de jaren zeventig. Georganiseerd door galerie Grimm met op de achtergrond een strijd tegen museum Booijmans van Beuningen van de voormalige echtgenote van Bas Jan Ader. De kunstenaar die verdween tijdens zijn kanotocht over de oceaan. Zij eist de films terug die juist zij maakte toen haar man met een fiets in de gracht reed en van het dak sprong. De andere exposant is Ger van Elk. Zijn werk is minstens zo verbazingwekkend, maar wel iets humoristischer. Zo liet hij zich op straat fotograferen met een leverworst op zijn rug. Ontroerend is het jongetje achter de deur. Ik zal er verder niet teveel over zeggen, maar als je je wilt verbazen over of ergeren aan de moderne, conceptuele kunst dan is het een goed idee om even aan te bellen bij de galerie in de Frans Halsstraat in de Pijp.


www.grimmgallery.com 
 

maandag 21 september 2015

Mijn hond Joost

Ik liep vroeger graag met mijn hond Joost, een kooikerhondje met een grote pluimstaart langs de velden achter ons huis. Daarop werden kolen verbouwd. Witte kolen, groene kolen, noem maar op kolen. Nu staan daar jullie huizen, in de polder. Vanuit het zolderraam van mijn kamer had ik er goed zicht op. Mannen die op hun hurken in het veld zaten, langzaam de kolen toesprekend dat ze goed moesten groeien. Mooi gezicht. Ik liep daar vaak met mijn hond Joost, toen hij nog niet bang was. Op een dag ontmoette hij daar een oude dame op rollerskates, met stokken. Dat werd hem teveel, een oude dame op skates. Ik kon er wel tegen, hij niet. Maar toen hij het nog wel durfde rende hij eens plotseling naar de bosjes. Daar trof hij de blote billen van een mijnheer. Hij snuffelde eraan. Interessant artikel. Hij likte ook nog. Ik riep hem, in paniek. De man werd bij zijn primula vastgehouden door een dame. 'Joost!' riep ik. Dat hielp niet, hij luisterde nooit. Ik trok hem aan zijn staart weg. De mijnheer en de dame lachten beleefd. Ik draaide me geschrokken om, hondje aan de lijn. Hij begreep het niet. Het was puur natuur, net als de kolen, baasje.  Ik mis die wandelingen wel, nu hij allang in de hondenhemel is.

zondag 20 september 2015

Kinshasa in de ochtend meester Samuel wacht op de leerlingen



Samuel, met je huid zwart als de olie van mijn auto, zo maakt zijn zwager grappen over hem. Hij ziet hem toevallig langs toeteren in de wagen die uit drie andere wagens is gemaakt. Twee Volkswagens en een Renault. Op zijn oren heeft de zwager een headphone, ook zonder is hij het grootste gevaar in het Afrikaanse verkeer.
Samuel legt de brief terug op zijn versleten bureau. Als straks de kinderen komen, zal hij hem in de la stoppen en de sleutel desnoods inslikken.
Kinshasa ontwaakt moeizaam, elk ochtendgloren springen de seinen op groen voor de treinen van overleven. Velen zullen het avondrood niet beleven. En hij kan gaan. Hij, Samuel, 45 jaar oud, directeur van een school, kan gaan. Al heel lang schrijnt het en ik wil, ik wil, maar ik sta de pijn toe. De pijn vertelt mij dat jij er bent. Al heel lang. Jij met je blauwe ogen, blauw als het water van de Congo River, je beknelt mijn zenuwuiteinden.
Een schot over de rug van de bergen. Elke dag een dode. En daar dan, daar in de USA, woedt ook een oorlog, in de straten van de rijken. Elke dag. Wie kan zomaar zijn land verlaten? Zijn vader dat berichten en de man uiteen zien vallen als een brood dat te lang op de plank heeft gelegen. Zijn vrouw het vertellen, ze zal breken als een steen. Alicia, het is mijn schuld. De school, de buurt, het land, hij zal een verrader zijn. Het is waar, hij is een verrader van alles wat hem lief is. Dat maakt hem boos. Maar kun je boos zijn op een verleider? Iemand die je vraagt de oversteek te wagen? Te verdrinken?
Samuel staat naast het grote raam. Alles is te zien, de huizen, de vervuilde, arme mensen die kruipen naar hun werk.
De stem van de sirene is niet te zien. Onzichtbaar als radiogolven in de ether. Niemand zal het weten. Hij kan gaan of niet.
De bel gaat. Alicia staat achter hem. Hij draait zich om. Ze kijken naar de brief. Hij opent zijn mond en zijn lippen vormen een antwoord. Ze hoort het niet. Een tochtstroom tilt de brief op en doet hem waaien naar haar toe. Ze pakt hem van haar linkervoet. Ze ziet alleen de achterkant. Een afzender voorzien van een miniscuul portret. Een blonde jongeman.
Ze doet de deur voor mijn neus dicht. Ik hoor geen stemmen. De kinderen trekken me mee naar mijn lokaal. 

Naar een foto van G. Tillim  City Hall
www.huismarseille.nl
         






vrijdag 18 september 2015

NEE!!

Plotseling hoorde ik hiernaast, bij de buren: NEE!!!! en dus vraag ik me af: heeft de hond de biefstukjes opgeschrokt? De kostbare postzegels van de tafel gewapperd? Of heeft de buurvrouw het winnende staatslot met het oud papier meegegeven?

zondag 13 september 2015

De tafel van Rietje


De tafel van Rietje.
Zondagmiddag in de achtertuin. Anja is naar het werk. Thijs is moe en wil vrijwel niets, behalve in de tuin spelen, dat dan weer wel.

Je doet zo’n tafel niet weg. De tuintafel van Rietje. Een afvalwrakding.  Jaren, jaren staat dat ding al buiten, met het omgekrulde plastic waaronder het mos groeit. Je doet zo’n tafel niet weg omdat er nog zo weinig tastbare herinneringen zijn aan Rietje. Dus gaat het verteren verder totdat het gewoon instort.
Jongens op het schoolplein proberen al de hele middag met hun leren knikkers kastanjes uit de bomen te schieten. Thijs sleept met takken die ik heb gesnoeid, naar de grote, ijzeren tuinafvalverbrander. Verbranden doen we niet, je rookt er de hele buurt mee uit hun holen. Ik wil vrede op aarde.
De hibiscus bloeit nog. Er wervelen bijen omheen. ‘Ik hou van bijen,’ zoemt mijn blonde kabouter. ‘Ze maken honing voor me.’  Hij mag van de buurvrouw de vissen in de vijver komen voeren. We gaan erop af. We hebben in juni de vissen ook al veels te dik gemaakt. Eentje sprong er hoog uit het water en bleef in het net hangen. Ik greep hem vast. Ging ik nu echt een vis van de buurman vermoorden? Ah, gelukkig, de piranha schoot los, voor ik een gat in het net kon knippen.   
We zijn weer terug. Uit mijn huiskamer komen geluiden van de klungelende Buurman en Buurman. En van verderop walmt een barbecuelucht, vermengd met de vettige sensatie van draadjesvlees,  de atmosfeer binnen.

Ik constateer dat de zon weg is. Het is nog wel warm. We gaan winterslapen. De tafel blijft buiten. En Rietje, Rietje had die tafel al lang al weggesmeten. Wat moet ik ermee? Had ze geroepen.

Touch me to be happy

Gisteren was het niet erg druk tijdens de Gedichtenvoordracht op het Bolwerk in ons Alkmaar. Maar desondanks heb ik toch leuke, interessante ontmoetingen gehad met het publiek. Vooral de door mij meegebrachte Xenos kabouters trokken de aandacht. Ik dacht: als ze een enorm plastic varken hier neer kunnen zetten dan is er ook ruimte voor mijn kaboutervrienden. Bij het voorlezen van het gedicht Touch me to be happy meenden sommigen mij te moeten huggen. Waaronder ook een vrij stevige man.

Touch me to be happy (Nora Martirosyan)

Raak me aan,
om gelukkig te zijn,
tweemaal daags,
zo worden je handen,
meester en medicijn,
raak me aan,
want ik ben van steen,
en jij ruikt naar vlees,
als jij me aanraakt,
om gelukkig te zijn,
maak ik jou gelukkig,
dat is zeker.



Sjoerd
NB: Nora Martirosyan is een kunstenares. Het gedicht maakte ik bij haar kunstwerk, al weer lang geleden (2001).

vrijdag 11 september 2015

Werk van mij hangt in de Laurentiuskerk Nassaulaan 2 Alkmaar dit weekend


Ik heb drie schilderwerken ingeleverd voor de volgende expositie:

Laurentius exposeert!
Onder deze titel is in onze kerk een tentoonstelling te zien op de Open Monumentendagen van 12 en 13 september aanstaande.
Veel mensen maken iets in hun vrije tijd als een vorm van ontspanning. Daar het landelijke thema van Open Monumentendagen 2015 ‘Kunst en Ambacht’ is, is het idee ontstaan in ons kerkgebouw te laten zien, wat voor kunstzinnige zaken onze parochianen zoal vanuit liefhebberij vervaardigen. Het resultaat mag er zijn!
Van iconen tot gedichten, van schilderwerk tot naaldkunst, en ook bloemen, foto's en zelfs taarten - het is allemaal te zien en de laatste zijn zelfs te proeven!
Het wordt dus een aanrader ons kerkgebouw tijdens Open Monumentendag 2015 te bezoeken. U kunt dat doen op zaterdag 12 september van 10.00 uur tot 17.00 uur en zondag 13 september van  13.00 uur tot 17.00 uur. De toegang is vrij.
Adres: Nassaulaan 2

Morgen op het Clarissenbolwerk Alkmaar


Morgen op het Clarissenbolwerk Alkmaar draag ik voor uit eigen werk. Het is dan open monumentendag. Het begint om 14.00 uur. Komt dat zien. Tot morgen.

maandag 7 september 2015

Meelooppoesje




Dit mannetje huppelt al tijden gezellig met ons mee naar de winkel, of naar opa en oma. Hij miauwt soms een enkele keer. Soms staat hij voor de deur en krijgt hij een paar brokjes. Wel een goedkoop merk, niet de dure brokjes van onze eigen dieetkat Sissi Elisabeth Brilliante van Sparkieshome. Hij mag van ons niet binnen, al probeert hij dat af en toe wel. Ik zie hem ook vaak bij het schoolplein. Vooral als de school uitgaat, dan staan er veel mensen en dat vindt hij kennelijk gezellig. Ik denk dat hij wel meer scharreladresjes heeft in de buurt. Eigenlijk iedereen kent hem wel, hoewel we niet weten hoe hij heet of waar hij vandaan komt.
Op een dag heb ik eens de stichting voor zwerfdieren gebeld. Toen ik hem beschreef moest de medewerkster lachen. Ze werd wel vaker gebeld voor deze mijnheer. ‘Nee hoor,’ zei ze,’ hij heeft een baas, maar hij vindt het gewoon leuk.’
Bij Anja’s  werk, het ziekenhuis, zit regelmatig een zwarte kat. Die heet Whisky en komt toch een flink stuk verderop vandaan. Hij had zelfs een eigen Facebookpagina.
Wij noemen onze vriend, ‘meelooppoes’. Thijs vindt het ook prachtig, zo’n kat die niet bij je vandaan te slaan is. Soms doet hij even of hij weg is en schiet dan weer uit een of andere struik tevoorschijn.
Katten, het blijven wonderlijke, ondoorgrondelijke wezens.


zaterdag 5 september 2015

Stoomtram Hoorn




Mooi, de stoomtram van Hoorn. Blauwpaars geverfd als een fraai stuk speelgoed. Met liefde gemaakt en wolken witte stoom verspreidend vanonder de rode wielen. Charmant en ouderwets. Naast het emplacement glijden de moderne treinen, snel en luxueus. Ik denk wel dat een stoomtram degelijker gebouwd is als een moderne sprinter. Maar terug in de tijd wil ik niet. Ik wil ’s morgens snel op de plaats van bestemming zijn. Hup, hup, ik heb haast, vooruit met de geit. Maar op zo’n vrije dag is een museumtram leuk. Onderweg zagen we vreemde vogels op weg naar een hip festival. Apart uitgedost, heren met vreemde tekeningen op hun voorhoofd of ze van een andere planeet kwamen. En Thijs gaf de conducteur een chipje uit zijn chipszak. De man at het op en lachte breed. Zo is op de trein werken vast weer leuk.       

vrijdag 4 september 2015

Het hondje van Coco





Ze is zo mooi en onbereikbaar, mijn buurvrouw Coco. Haar ogen zijn zo zacht en donker, als een sterrennacht  in augustus. Haar figuur is slank, haar voeten klein en haar haar glanzend zwart. Ik durf haar weleens gedag te zeggen, maar dan knikt ze vriendelijk en trippelt vlug verder. Ze heeft een klein, eigenwijs hondje, een soort schoonmaakborstel, maar wel aardig. Een klein rood strikje draagt hij
en dan maar flink keffen. Mijn broer zegt dat ik soms 's avonds de naam van zijn baasje schreeuw in mijn slaap. Maar sinds gister is er toch iets veranderd.

Die ochtend: ik ga naar buiten. Ik zie Coco’s  hondje staan op het asfalt. Hij staat daar maar te kwispelen, midden op de weg. Wat doet dat stomme beest daar? In de verte zie ik een grote vrachtwagen aankomen.  Hij komt steeds dichterbij, maar het hondje blijft op de weg staan, gaat zelfs op zijn kont zitten. Nee toch, straks wordt het beest nog plat gereden. Ik schat de afstand in, het dier is drie meter bij mij vandaan, de vrachtauto tien, ik moet iets doen.  Snel, maar toch rustig, zet ik een sprint in en grijp de hond hard in zijn vel. Ik trek hem van de weg en samen rollen we naar de overkant. Ik voel dat er iets met mijn voet niet goed gaat, de auto raakt me. Ik hoor het kraken, ik voel een scherpe pijn en terwijl ik  daar lig te kermen hoor ik een stem tegen het hondje praten. ‘Kiki stoute hond, wat doe jij daar?’  Ik kijk op. Het is de moeder van Coco. Ze pakt Kiki op en begint haar uitgebreid te knuffelen. Aan mij de gewonde, besteedt zij geen enkele aandacht, ze loopt weg en ik probeer overeind te komen Ik kan alleen nog maar hinkelen, zo’n pijn doet het, afijn, het werd  gips en daar zat ik dan. Geen enkele waardering voor mijn daad en wel een aantal weken uitgeschakeld. Mijn broer lachte mij uit: ‘Je moet Coco uit je hoofd zetten man, neem een vrouw met een echte hond. Hij kan niet eens blaffen! Hij legde een krant bij me neer waarin een stukje stond over een dappere oude dame die het hondje van haar dochter zou hebben gered. ‘Dat is niet waar!’ roep ik. ‘Die mevrouw liegt!’ ‘Er is er maar eentje die kan vertellen wat er is gebeurd,’ roept mijn broer. ‘En dat is de hond zelf..’ ‘Neem je me weer in de maling?’
‘Serieus..’ Ik ken een neef, van een broer, van mijn oom en die zijn buurman en die heeft een zoon die met honden en katten kan praten.Ik kan hem bellen..’
‘Oh..’
We lokken de hond met een stukje worst, als Coco haar huiswerk maakt. Snel komt de neef van de broer van zijn oom van zijn buurman komt langs en blaft een vraag.

Het hondje blaft terug. ‘Hij zegt dat hij je dankbaar is voor de redding die je deed,’ zegt de man, ‘en Coco denkt dat haar moeder het heeft gedaan.’ ‘En Coco vindt jou een nul..’ blafte de hond..
‘Rothond!’ riep ik geschrokken en beledigd. Moest ik de hond geloven? ‘Sorry,’zei de hondenfluisteraar zonder mededogen. ‘Het is niet anders.’ Mijn broer sloeg me op mijn schouders. ‘Jammer,’ zei hij, ‘volgende keer beter..’ ‘Ik geef het niet op,’ riep ik, ík ga haar bellen.’  ‘Niet doen!’ lachte mijn broer, ‘dan verpest je alles!’
Maar het was al te laat. Ik had het voorgeprogrammeerde nummer van Coco, dat in mijn telefoon stond en dat ik nooit had durven bellen, al ingetoetst. Even was het stil. Toen hoorde ik haar stem. ‘Hallo?’
‘O Coco, hoi,’  zei ik gespannen, ‘je hond vertelde me, ik bedoel, ik hoorde van je hond dat jij mij een nul vindt.’
Aan de andere kant klonk eerst een verbaasde lach, daarna een daverend gehinnik. ‘Kasper,’hikte ze, ‘je bent de grappigste man op aarde, dit is wel de meest originele manier om verkering te vragen,  weet je wat, ik wil wel met je uit, zeg maar wanneer.’
‘Vanavond?’
‘Ok, vanavond,’ en ze lachte me nogmaals heel hard uit. Verbouwereerd drukte ik op de gsm. ‘Kunnen honden jokken?’vroeg ik.‘Nee,’ zei de hondenfluisteraar. ‘Dan heb jij gejokt,’  riep ik en hij maakte zich snel uit de voeten. ‘Heb je hem betaald?’vroeg ik aan mijn broer. Hij floot met getuite lippen.

‘Dan krijg je dat van mij terug..”        

woensdag 2 september 2015

Het Merwedeplein, voorjaar 2015




Het plein is mooi gelegen. Groen omzoomd en alles netjes. Ik neem plaats op een bankje ergens in het midden en hoor de duiven koeren. Hoe verder weg van het centrum hoe gezonder ze zijn, dus ik hoef ze niet te voeren. De lucht is blauw en fris van het voorjaar. Rechts van mij ligt de vooroorlogse woning van Anne Frank. Ze speelde hier als kind en op deze plek is ze gelukkig geweest. Ideaal, veilig, beschut. Een mooi huis en veel kinderen om te spelen. Ik neem een hap van mijn krentenbol en denk aan haar laatste woorden. Ik kom er niet op, het ging wel over de afgrond, maar eindigde positief. Ze staan ook op een schoolmuur. Ik zucht over de toestand in de wereld. Het gaat niet best met al die oorlogen, en de eindeloze stromen vluchtelingen. Wat te doen? Wat te doen in de geest van Anne? We zijn één wereld. Dat is de les van haar dagboek. De wereld houdt niet op bij een willekeurige streep in het zand: de grens. Er bestaan feitelijk geen grenzen. En omdat er geen grenzen zijn komt de oorlog gewoon naar ons toe, als een grijze wolk op een zomerse dag. Niet met soldaten, wel met de slachtoffers. En het zal dus moeilijk voor ons worden, onrustig, confronterend. Iedere burger in het westen gaat het merken. Economisch, maatschappelijk, de vrede is broos, de haat zo gezaaid.
Ik sta op en kijk nogmaals naar de woning van de Franks. Van die trap zijn ze naar beneden geglipt, als een dief in de nacht. Op de vlucht. Anne was een kind. Hoeveel kinderen zijn er op de vlucht? Wereldwijd?
Dat is wel het allerbelangrijkste aandachtspunt. Gevluchte kinderen. Niet alleen uit sentimentaliteit, om een gestolen, ontstolen jeugd, zoals ook bij Anne, maar ook omdat zij een gebroken generatie vormen, een mogelijke voedingsbron voor weer nieuwe oorlogen. En de wereld moet leren dat oorlog voeren moet worden gestopt.
Ik sta naast het onopvallende beeldje van Anne, op het Merwedeplein. Terug naar de werkvloer. De Rooseveltlaan. Trams en auto’s, iedereen op weg.
Wij, u en ik, mompel ik plechtig tegen mezelf, moeten deze kinderen en hun ouders een plek geven om op adem te komen zodat ze, als de kruitdampen zijn opgetrokken – aan elke oorlog komt altijd wel een eind- terug kunnen naar hun land, naar hun families. Wij moeten die mensen helpen. Als wij ze niet helpen, dan verdienen we het niet zelf geholpen te worden. Ik loop langs de schoolmuur in de Nierstraat en lees Anne’s tekst:

Het is me ten enenmale onmogelijk alles op te bouwen op de basis van dood, ellende en verwarring. Ik zie hoe de wereld langzaam steeds meer in een woestijn herschapen wordt, ik hoor steeds harder de aanrollende donder, die ook ons zal doden, ik voel het leed van miljoenen mensen mee, en toch, als ik naar de hemel kijk, denk ik, dat dit alles zich weer ten goede zal wenden, dat ook deze wreedheid zal ophouden, dat er weer rust en vrede in de wereldorde zal komen. Intussen moet ik m'n denkbeelden hoog en droog houden, in de tijden die komen zijn ze misschien toch uit te voeren!"

Het is een tekst die hoop geeft. Hoop aan ons, en aan de vluchteling. Hoop aan onze kleine, grenzenloze wereld.        

   

dinsdag 1 september 2015

De raaf



Wat doet die vreemde man in dat oude huis? Dat huis waar we altijd uit de buurt zijn gebleven, omdat het een eng huis is. Ze zeggen dat er iemand is vermoord, met een bijl. Dat huis is al heel lang verlaten. We weten niet eens wie er hebben gewoond, maar het spookt er, dat is zeker. Het is een huis met een ingezakt dak en daarop groeien planten en mossen. De ramen zijn verdwenen onder het stof en nergens is nog een spoor van een restje verf te vinden.
En daarin verdween die vreemde man. Hij woont alleen aan de rand van ons dorp en men zegt dat hij foto’s van dode mensen maakt. Die verkoopt hij dan aan mensen die houden van foto’s met dode mensen erop.
Wij zijn hem gevolgd. We hebben naar hem geloerd toen hij de wrakkige deur opende en binnen ging. We gluurden door de stoffige ruiten en zagen niets. We vertelden het thuis aan onze oma, de wijste vrouw van ons dorp. ‘O,’ zei zij geschrokken,’hij spreekt met de raaf, blijf maar uit de buurt.’
Wij durfden niet verder te vragen. Wij zagen de ongewassen man zitten op een verrotte, wiebelige stoel. Achter hem de beschimmelde muren met het rookkanaal. En voor hem de oude houtkachel met daarop: de raaf. De man denkt dat de raaf hem iets zal vertellen. Daar gelooft hij in, daarom heeft hij een stukje kaas meegenomen. De man is heftig verliefd. Hij denkt dat de raaf hem kan vertellen of zij hem ook leuk vindt. Hij heeft in het boek van dr. Sheep ‘Hoe word ik een grote versierder’ gelezen dat een raaf je dat kan vertellen. Raven kunnen net als papegaaien spreken en ze vertellen altijd de waarheid. De man wacht tot het helemaal donker is geworden en stelt dan zijn vraag. En legt een blokje kaas neer voor het dier.
‘Ik wil je vragen stellen over Anne-Lee.’
Hij vouwt zijn handen.
‘Zij is zo mooi, zo gvdse mooi.’
Stilte.
‘Ik kan niet meer praten als ik haar zie.’
Stilte.
‘Totaal verlamd, van hier tot hier.’
Stilte.
‘En daar ook.’
Stilte.
‘Raaf?’
Stilte.
‘Houdt ze van me?’
Buiten bliksemt het. Licht schietvliegt langs de vette wanden en verlicht spinnenwebben en het kopje van de raaf.
‘Houdt ze ook van mij?’
Stilte.
‘Ik denk dat jij ‘ja’ bedoelt, ja, ik denk het wel, verdorie, ik denk het wel.’
Stilte.
‘ Yes sir, yes sir, wat een geluk, Anne-Lee houdt ook van mij.’
Stilte.
‘Jij bent er stil van heee? Kanjer, neem nog een stukkie kaas.’
Stilte.
‘Man, man, wat ben ik blij met jou, ik ga haar in de bloemen knallen, jou zou ik wel al mijn geld willen geven, maar daar heb je niks an.’
De man staat op. Hij aait de raaf nog een keer en zegt: ‘Stille wateren hebben diepe gronden.’
Stilte galmt over de vergane tapijten, langs de vermolmde trappen waar de spoken meeluisteren.
‘Ik ga Anne-Lee bellen om haar te feliciteren met haar nieuwe man.’
Hij staat op, de stoel valt om, hij tast naar de deur, hij struikelt, duwt de deur weg, valt door het gat, vloekt, trapt tegen de deur, de opgezette raaf valt van de kachel met de pootjes naar boven, de rug raakt de vloer, de eeuwenoude ontsteking zet het kruid in de raaf in brand, en dan ontploft het beest en het huis.
Wij horen een enorme klap en voelen de grond trillen. We zien de man opkrabbelen. Hij is grijs van het stof. We zien de man dansen. Hij ziet er erg blij uit. We horen hem zingen.
‘Anne-Lee, I really like your dynamite,  I really like your dynamite.’
      


         

zondag 30 augustus 2015

De meeste mensen moeten morgen naar het werk, zondagavondbloep


De meeste mensen morgen weer naar het werk.
Dit weekend hebben ze in het reuzenrad gedraaid, met uitzicht over de daken van de oude stad.
En gefietst, door de brede duinen, op een elektrieke fiets, bijna in file, zo druk.
Of ze hebben een spannend voetbaltoernooi afgewerkt en gewonnen.
Misschien waren ze wel de scheidsrechter.
Of ze hebben de dagen doorgebracht met een flinke bobbel in de broek omdat ze alvast wat viagratabletjes hadden genomen voor een spannende avond met een veel te jonge vriendin, die uiteindelijk afzegde door middel van een vaag sms-je. Sorry.
Of ze hebben geluisterd naar het bloepbloep vanuit de vijver van de buurman en zich afgevraagd of dat grote gevaarlijke vissen zijn die zo bloepbloep kunnen bloepbloepen.
Of ze zijn misschien naar een loepzuiver concert geweest, uitgevoerd door hun dochter op gitaar, of viool. En ze zijn trots als een pauw.
Wellicht zijn ze met een vliegtuig van een vriend over hun ouderlijk huis gevlogen om een hartelijke luchtgroet te brengen.
Of ze hebben eindelijk gezoend met die Saab dealer, die ze altijd al zo lang wilden zoenen en zijn ze erachter gekomen dat hij niet kan kissen en dat het een afknapper was.
Of ze hebben rondgewandeld in hun nieuwe, lege huis in de stad waar ze nooit meer weg willen, waar ze zich geaard voelen.
Of misschien zijn ze gaan stappen en hebben ze in een bruine kroeg vol lelijke oude mannetjes zo verschrikkelijk gelachen als ze in de afgelopen dertig jaar niet meer hebben gedaan. Met pijn in de buik liep de zondag af, het werd al vroeger donker.
Of, nou ja, de meeste mensen moeten gewoon weer naar het werk.  
En u?

Reacties kun je altijd sturen naar: sber01@hotmail.com, doen!





zaterdag 29 augustus 2015

In gesprek met Els (53) in een koffiehuis in de Jan van Galenstraat, Amsterdam


Onderstaande tekst is samengesteld uit belevenissen van verschillende mensen
met sociaal-psychiatrische problematiek, in Amsterdam. Els is een fictief persoon.
Ik wil hiermee mijn bewondering uitdrukken voor de wijze waarop velen van deze
mensen zich door het leven slaan. En gekte is ook nog wel een taboe waar veel onnodige angst voor is. In de dagelijkse files gedragen mensen zich gekker. 


Els (53): ‘Nou, ik leef nog, ik geniet van elluke dag. Maar ik wil wel wat te lullen hebben, want anders komen de muren op me af. Ik mag geen katten meer hebben. Ik kan ze niet verzorgen, met die rug van mijn, een puinhoop. Ja, ik werk ook, sociale werkplaats, maar lopende band doe ik niet meer. Bekijk het maar, ik wil best wat door voor deze kollere maatschappij, maar dat niet, over mijn lijk. Mijn hulpverlener weet ervan, Guus, je mag hem bellen. Ja, ik ben gek geworden, ik kom er vooruit goser, er zijn er niet veel die dat doen, maar hee, het werd me allemaal te veel. Toen heb ik al mijn Beatles platen in een emmer onder water gezet, dat zei de stem, dat ik dat moest doen. Hoe kwam het? Teveel sores aan mijn kop. Mijn man dreef jaren geleden in de Amstel, zelfmoord. Geen geld, hij had niks en ik had ook niks. En ik vertrouw nooit iemand. Nooit. Komt door mijn vader. Heb al mijn botten gebroken en mijn kinderziel. Ik zweer het je, ik ging van pleeggezin naar pleeggezin. School werd niks. Ik hing liever buiten. Dus toen mijn man gestorreven was kwam dat allemaal weer boven. En begonnen de verslavingen. Riet weet er alles van, mijn buurvrouw en mijn beste vriendin. Die verslavingen, de gekste dingen. Bijvoorbeeld linker damesschoenen. Groene kleur. En herenondergoed, van de waslijnen gejat. En toen dat over was: fietsbellen. ’s Nachts schroefde ik ze van de fietsen bij het Vondelpark. Toen kwam er een dokter voor mijn zieltje. Die man zei: ‘Mevrouwtje, jij hebt alle ziektebeelden uit mijn handboek, ik zweer het. Je bent manisch depressief schizo borderline, alles. Ik gaf hem gelijk. En ik zei: ‘En wat nou?’ Ik kan zo niet doorgaan. Hij gaf me een pil, die heb ik door de plee getrokken. Stom, heel stom. Want ik nam een blowtje van iemand, het was maar een klein trekje, een rooie lieb, en het ging mis. Ik zag overal pallummbomen op straat wuiven, duizenden pallumbomen, met van die kokusnoten. En toen ging ik naar huis en toen ik bovenaan de trap stond, hoorde ik een stem. De stem zei dat ik de Beatles moest verdrinken. Zonde. Ik draaide alle waterkranen open en het gas. Toen werden de buren bang, belden de politie. De stem zei: je hebt het warm, ga naar je balkon, afkoelen, alles uit. Ik trok al mijn kleren uit en stond naakt op het balkon. Ik schreeuwde, van angst natuurlijk. Vreselijk. De buren zijn nog bang voor me. Ik kreeg zo’n mooie witte jas en ik werd afgevoerd. Nee, dat laatste weet ik niet meer. Zo gaat dat als je je niet gedraagt. Nu gedraag ik me heel netjes schat, ik neem mijn tabletje op tijd, maar wat het is: dat tabletje dat legt je lam, je wordt suf als een konijn en als je me niet kent begrijp je niet waarom ik praat als een Japanse naaktslak. Wat een rotzooi niet, mijn leven. Een teringzooi. Ga je dit nou opschrijven al die ellende? En wie moeten dat dan lezen, mensen hebben toch ook genoeg sores aan hun harses. Ik lees ook veel hoor, ik zit elke week wel in de bieb. Ik lees nu veel van Agatta Keristie. Maar ik word wel snel moe. Ik neem nog een bakkie, het leven is klote, hee? Daarom moet je nu even genieten van dit koppie en vergeten wat ik gezegd heb. Ik zou wel weer eens willen dansen, maar dat is allemaal ’s avonds en om een uur of acht vallen mijn ogen dicht. Ik ben eigenlijk gehendikept, maar ik wil niet seiken als een oud wijf. Kom, neem nog een koekie schat, het ken je laatste wel wezen.’


     

Ik draag voor uit eigen werk

Ik draag voor uit eigen werk, waarschijnlijk op een boomstam, naast het kruithuisje in Alkmaar.
Komt dat zien.

donderdag 27 augustus 2015

Met de auto naar school, de veiligheid van de kinderen



Ze brachten hun kinderen naar de school omdat het zo regende. Met bakken kwamen de pijpestelen uit de loodzware wolken. Alleen weer om papa de hond uit te laten.
Maar vanmiddag om 12 uur, toen de school uitging voor de pauze, ging het verkeer in de bochtige straat niet zo soepel als ze hadden gehoopt.
Een buurman wilde zijn voertuig, komend vanaf de straat, linksaf zijn erf oprijden. Maar een vader had zijn auto dwars op de parkeerplaats voor de woning geparkeerd. De buurman had door kunnen rijden, maar koos ervoor te blijven staan. Achter hem ontstond een lange, boze, toeterende file. De blokkerende man ging ondertussen rustig de parapluutjes in de kofferbak doen en de kinderen vastzetten in de auto.
Een andere wagen, maakte een inhaalmanoeuvre over de stoep, vlak langs een boom. Ik zag dit gebeuren, hij reed vrij hard in mijn beleving. Hij gleed achter buurman’s auto langs en schampte de voorkant van een roodwitte Mini. Daarna reed hij door. Zielig voor de onderbetaalde verpleegkundige die erin reed en die altijd netjes verderop parkeert. Op een website schrijft zij dat zij haar auto minder belangrijk vindt dan de veiligheid van de kinderen op de straat. Dat ben ik met haar eens.
Ouders van dit natte land, wees geduldig, tel tot tien en realiseer je hoe gevaarlijk het is zo dichtbij een school te rijden.
Ik schrijf dit stukje speciaal voor de veiligheid van de kinderen. Ik moet er niet aan denken dat er eentje voor mijn deur wordt aangereden en gewond raakt, terwijl dat helemaal niet nodig is.     

dinsdag 25 augustus 2015

Het traphekje

Uit een van mijn opschrijfboekjes, een losse dagboekaantekening:

Het traphekje 8 augustus 2014

Uiteindelijk zit het traphekje dan toch boven aan de trap, vast aan de muur. Scheef, maar ja, die muur is ook scheef. Ik heb de waterpas er tegen aan gehouden en de groene bel wilde niet in het midden blijven.
Ik wilde zo’n ding omdat Thijs een nieuw bedje heeft en nu niet kan vallen,  mocht hij besluiten te gaan slaapwandelen. Mijn zus had daar veel last van vroeger. Stond ze midden in de nacht op de drempel van mijn slaapkamer en zei: ‘Sorry, de koekjes zijn uitverkocht’  en dan ging ze weer naar haar bed en wist de volgende morgen niets meer van dit voorval. Zelf ben ik eens wakker geschrokken omdat ik dacht dat ereen vrouw mijn slaapkamer binnenwandelde. Ik zag alleen haar silhouet. Dat kun je hebben in een toestand tussen waken en slapen. Meestal tegen de ochtend.

Het traphekje zit nog steeds in de muur, scheef, en Thijs speelt er toegangspoortje mee. Hij gaat er eerst door en dan moet ik ereen denkbeeldig muntje in doen en dan pas doet hij hem open.   

maandag 24 augustus 2015

Gezellig samen op vakantie naar Spanje



Ze zegt: ‘Dat is Juan,’ en ze wijst. In de eindeloos blauwe zee drijft als een stuk wrakhout een gebruinde Spanjaard. ‘En ik ga vanavond naar hem toe, naar zijn appartement.’ Hij hoort de woorden wel en weet dat ze misplaatst zijn. Hij weet dat hij alleen is. Ze zijn hier aan de kust met zijn twee, maar dat is slechts een getal, een symbool dat de lading niet dekt. Hij is hier om al haar koffers de Spaanse heuvelen op te sjouwen en haar gezelschap te houden. Ze zegt dat hij geen enkele moeite doet haar te veroveren. Maar waarom zou hij dat willen? Ze noemt hem een drol en hij vindt haar een spook waarvan de witte omtrekken steeds duidelijker worden. Hij is hier met een boze geest die hem sart, het is niet anders. Een vakantie is het niet, het is werk. En nu dan Juan. Hij zwaait, zij zwaait nog eens terug. Hij legt zijn hoofd op het zand en sluit zijn ogen. ‘Goed,’ zeggen zijn lippen. Zijn brein bedenkt ondertussen een eigen plan voor de avond. Zelf ergens slingers op gaan hangen.
Hij slentert door het dronken dorp waarin echt geen enkele Engelsman niet comateus bezopen is. Ze brullen als zeeleeuwen op een zandplaat en de Spanjaarden, de originelen, zijn vertrokken. Wat resteert zijn een paar tandeloze, magere  vissers die voornamelijk futloze inktvissen vangen, omdat de vis met wintersport is. Hij wandelt langs het strand, niet eens een mooi strand. Veel kiezels, de Nederlandse stranden zijn veel mooier. Alleen het klimaat is beter, heerlijk als je de kans krijgt er zorgeloos van te genieten. Hij werpt een steen in de zee en sleept zich de heuvel op, door het donker, naar het appartement. Een luxe ding.  Op het balkon staat zijn sirene te wapperen met haar handen. Jammer, hij had op dat balkon een heerlijke frisse sangria willen drinken, alleen. ‘Kom gauw boven!’ jammert ze. Dat gaat hij  nou net niet doen. Zo langzaam mogelijk sloft hij omhoog. ‘Hij is me achternagekomen,’ kakelt ze, ‘en eerst was hij, hij deed de deur van zijn huis open, en toen was hij naakt, hij wilde meteen. Dus toen zei ik: dikke doei, ik ga naar mijn casa, weg, weg, en toen schoot hij een slip aan en rende achter me aan. Hij zuchtte. Het verhaal klonk net zo ongeloofwaardig als het hele vissersdorp zonder vissers en zonder vis.
‘En nu staat hij daar!’
‘Waar?’
‘Onder het balkon!’
Nee. Hij krijgt wilde visioenen. De man onder het balkon is zwaar beledigd en heeft zijn dubbelloops meegenomen, of nee, zo’n kalasjnikov waarmee terroristen winkelcentra en scholen mee platschieten, of hij gaat brand stichten. Of zijn crimbovrienden bellen. Ze gaan hem dood maken, dat is zeker. Hij gaat eraan met haring en uitjes. Hij tuurt voorzichtig over de rand van het balkon en daar ziet hij de man. Die staat te bellen. Hij is groot, en heel sterk. Precies wat zijn vriendin nodig heeft. Zij moet over de knie worden gelegd en dan een nacht aan de rochas van de playas worden vastgebonden. Er moeten haaien rond haar ballonkuiten zwemmen en als ze eindelijk bevrijd is moet ze op het strand zingen voor een kolonie ladderzatte, roodverbrande Britten.
Het wordt stil in de nacht. Onder het balkon staat de Romeo niet meer.
En hij wil naar huis. Naar Egmond sur mer. Met een meisje hand in hand langs de branding lopen. En gelukkig zijn, shit, gelukkig zijn.