vrijdag 29 juli 2011

Herinnering; eerste keer op zee

De Noordzee bij nacht. Het stuurwiel in je handen. Moeite
om te blijven staan en het kompas op 250 graden voor te
houden. Schuim smakt over de boeg. Zo nu en dan kilt
het zeil als het uit de wind valt. Het zicht is slecht,
een meter of honderd. Vanuit de mist doemen monsters
met containers op en je vraagt je af of ze het toplicht
dat in de mast heen en weer zwaait zullen waarnemen.
De voorkant van het licht is groen en de achterkant is
wit, maar we zijn klein, heel klein op deze grote plas.
Aan stuurboord een nog iets kleinere zeilboot, voor anker.
Met de kop rustend in de zuidwesten wind.
De stilte is groot op zee, alleen het klapperen van het
zeil en de dreunen van de golven tegen de polyester
wanden veroorzaken afwisseling in de geluidloosheid.
Zo nu en dan komen uit de boordruimte geluiden van de
communicatie-apparatuur: piepjes en stemmen, maar ik
heb geen tijd om te luisteren, want het schip, Freedom,
hangt schuin, zo ongeveer 15 graden, dus kost het veel
moeite te blijven staan. En zelfs een plasje plegen is
bij deze helling niet aan te bevelen.
De schipper ligt op de bank in de kajuitruimte en slaapt,
maar staat bij de geringste afwijking naast je. Hij slaapt
met de oren gespitst.
De mannen om mij heen turen zonder iets te zeggen over de
golven. Iedereen is onder de indruk van de eenzaamheid op
het water. Af en toe wijst er iemand naar een lichtje in
de verte. Wat kan dat zijn ? Een vroege visser misschien ?
Wij zijn allemaal een beetje huiverig voor vissersboten,
omdat hun koers vaker wisselt dan die van andere schepen.
De P&O ferry passeert. Reusachtige gedaante, met misschien
een enkele slapeloze of dronkaard op het dek.
De maan schittert prachtig op het wateroppervlak en even
wordt het zicht daardoor beter. Gelukkig maar dat het kompas
verlicht is.
Nu begint het te regenen. Het schip wordt een moment opgetild
door een grote golf, ik stuiter omhoog, klamp me vast aan het
wiel, besluit even te gaan zitten om de verkrampte benen
enige rust te geven.
Het is drie uur in de morgen. Er is geen land te zien, er is
geen spoor van de bewoonde wereld met al zijn problemen.
Uitgeput klim ik na de aflossing van de wacht in de piepkleine
kooi van het vooronder.Ik pel alle kledingstukken van het lijf
en stort mijn hoofd vlak naast het kleine raam, dat gelijk is
aan de waterspiegel. Ik word nat van een luik boven mij dat
niet goed dicht is, maar ik kan het bij deze stand van het
schip onmogelijk dichtdoen. Dan maar nat. Ik val in slaap
en herinner mij niets meer. Als ik wakker schrik schrik ik
nogmaals van een golf die recht op mij afkomt en tegen het
boordvenster beukt. Waar ben ik ? Godzijdank binnen. De morgen
is grijs en de horizon niet te zien. Geklots is vredig.
Ik stoot mijn hoofd bij het opstaan, ik val om en tracht mijn
regenbroek te vinden. Die ligt in het wc-tje naast het potje,
waaruit zeewater gutst omdat iemand vergeten heeft de handels
naar beneden te drukken. Terwijl ik me aan de deurknop vast-
grijp vraag ik me af waarom mensen gaan zeezeilen en of para-
chute springen en of bergbeklimmen. Het is de strijd tegen de
elementen die mensen in gang zet. Het is een test in overle-ven,
die ons van de veilige huis en haard verdrijft.
Naar de zee. Dat monster dat schudt en trekt aan het schip
om het te kunnen verzwelgen en waarvoor geen enkele oceaan-
stomer veilig is. Ook het land is niet veilig voor het water
dat achter de pieren loert om toe te kunnen slaan.
Eindelijk weer een spoor van land. Duinenrijen. Een pier.
Dit moet Scheveningen zijn. Dat is het ook. Rechts Den Haag,
met een aantal veel te hoge gebouwen. Links Katwijk en helemaal
rechts, bijna uit beeld, de maasvlakte. Een deining door
het schip van Rijkswaterstaat. Aan de horizon, over de rechter-
schouder, het nieuwste schip van de marine, de Rotterdam,varende
badkuip, van 125 meter, geschikt om mariniers en
landingsvaartuigen uit de buik te persen.
De haven, de zeilen strijken. Het mag rusten, en wij ook.
De fles wordt geopend.
Als ik op de wal sta, schommelt alles en kan ik nauwelijks
nog normaal lopen. Ik voel me ook niet helemaal lekker: walziek, denk ik.

September 1998 of 1999(?)

Geen opmerkingen: