zaterdag 4 april 2015

De Plant



‘Die Droogieter, dat was een boef. Maar je zou het niet zeggen als je hem zag. Keurige heer. Net gekleed, geplooide broek, marineblauw jasje op een effen overhemd. Welbespraakt, voorkomend. Hij kwam binnen in mijn hotel Keizersgracht met naast zich een dametje. Ken je hotel Keizersgracht? Ja, ik heb een hotel. Overgenomen van mijn vader, die is overleden. Het hotel ligt een eindje hiervandaan, vlak bij het Zwarte Bos, dat ken je wel. Nou, bien, ik had een toestand met die Droogieter en dat vreemde dametje. Monica, heette ze, Monica Soleil. Ze droeg een mantelpakje en een hoedje met daarboven op een veer van een uil. Ik schoot ervan in de lach. En ze komt binnen en ze zegt: ‘Wat heb u een leuke rok aan en wat een leuke rooie bloese en wat een hippe rooie schoenen. Waar heb u die gekocht?’  Ze had een piepstem als een pasgeboren katje, daar moest ik zo vreselijk om lachen. En ze zegt ineens: ‘Stop, ik hoor een stem!’ Ik zeg: ‘Ik hoor ook wel eens een stem en die zegt dat ik de loterij heb gewonnen.’  ‘Ik hoor de stem die zegt dat ik hier moet gaan liggen.’ En ze ging liggen, ze was net twee minuten binnen, zoiets verzin je niet. En toen zei Droogieter: ‘Monica, jij stelt je aan, ga onmiddellijk staan, vervelend mens.’ Ik dacht: ik heb wel rare gasten gehad, maar dit slaat alles. Het werd nog gekker want Droogieter zei: ‘Mejuffrouw, ik kom hier afscheid nemen van het leven, hier in dit afgelegen gebied wil ik mijn einde vinden. Ik wil een kamer voor twee maanden, mejuffrouw, is de baas er ook?’ ‘Ik ben de baas,’ zei ik. Hij keek me aan en lachte voorzichtig. Hij knikte en nam de kamersleutel. Zij stapten tegelijk op de deur af, struikelden over elkaar en hun koffers en het was een kluwen benen, armen en woordengekletter. 
De eerste tijd maakte ik me geen zorgen. Ze gedroegen zich min of meer als normale gasten. Wel ging Monica nog een aantal malen voor de hotelkamer van andere gasten liggen omdat de stem dat zei, en stak Droogieter een verhaal af over zijn gruwelijke einde. Dat deed hij een paar keer in de eetkamer en dat nam ik hem niet in dank af. Ik sprak hem daarover aan en zei: ‘Luister mijnheer, je mag misschien doodvallen en kreperen in mijn hotel en dan ik wil ik je best oprapen en begraven in de tuin, maar je gaat het niet vertellen aan mijn klanten.’ Hij keek me aan met dat snorretje op dat witte gezichtje en zei toen iets van: ‘Mevrouw, sterven doen we eens allemaal en ziet u het als een eer dat ik uw hotel heb verkozen tot hospice.’  ‘Mijn bedrijf is geen sterfhuis,’ galmde ik terug en zo gingen we verontwaardigd uit elkaar, maar het moet gezegd, ik heb hem daarna er niet meer over gehoord.
Ik ging gewoon door met mijn werk en met het schillen van de appels, want een van de geheimen van dit hotel is de superieure appeltaart, een oud familierecept. Ik schil de appels met een machientje, ook weer van een voorvader, en daarom word ik het appelmeisje genoemd. Nee, het is een geheim, je krijgt het recept niet. Ik schil die appels laat in de avond, als ik klaar ben, kan ik daar goed op slapen. Maar ik lag al in bed, de wolven huilden in het bos, toen ik gestommel van beneden hoorde. Ik pakte papa’s Winchester, een dubbelloops exemplaar dat naast mijn bed staat. Met twee tellen was ik beneden. Het hotel heeft twee verdiepingen, met mooie eikenhouten trappen en rode vloerkleden,echt mooi, kom eens langs. Ik slaap op de zolder.  Goed, de buitendeur stond open. Een spoor van zand leidde naar de deur van het excentrieke stel. Ik klopte op de deur. Monica Soleil deed open. Haar haar zat door elkaar, ze zag er niet uit. Grote vissenogen, wat een lelijke vrouw. Is alles goed? Ik klonk niet oprecht. ‘Wellicht,’ zei ze. Ook al zo’n typisch antwoord. Wie zegt er nou ‘wellicht?’  Op de trap ontdekte ik bloedsporen. Was de dokter toch bezig heen te gaan?  Ik hoorde niets meer en had er vrede mee. Ik klom naar de zolder. Legde de Win naast me op bed en probeerde te gaan slapen.
De weken na het voorval vertoonden Droogieter en zijn Monica zich niet meer. Ze bleven op hun kamer en ik zette het eten voor de deur. Het werd helemaal opgegeten dus ik concludeerde dat de dokter nog leefde.
Maar het werd nog gekker. De zomer was al over de helft en ik liep met een mandje onder mijn arm door het bos om appeltjes te plukken. Ik zing daar altijd liedjes bij van Queen. Het is heerlijk in de open lucht de Bohemian Rapsody te bleren. Easy come, easy go... Ik strekte mijn arm naar een prachtig rood exemplaar toen daar tussen twee bomen een man naar mijn stond te kijken. Ik pakte direct het padvindersmes van mijn grootvader, waarop drie kruisjes stonden, en omklemde het.
“Goedmorgen,’ zei de man. Hij had een hazenlip, een oog, een bochel en een houten poot. Mijn god, wat een vreselijk exemplaar. ‘Goedmorgen, schrik u nie, ik wil u geen kwaa doen.’ Hij sliste ook nog.
‘Wat wil je van me?’ Ik zette mijn tanden op elkaar en klonk als een ratelslang met hoofdpijn. Ik schrok nog meer toen ik zijn gele puntschoenen zag, hij zou toch geen makelaar zijn, mijn god, het toppunt.
‘U kun me help,’ hij lachte vals, ‘die man bij u in het hotel, Droogieter, hij heef mijn bestool.’
‘Ik ga weg,’ ik stapte achteruit,’ en ik wil u niet meer zien hier, dit is mijn plek. Ik was nu al ver genoeg van hem verwijderd.
‘Ik gee u vijfhonderd duizend u verdien als u doe wat ik u vraa..’

Ik was al weer in het hotel. Had weer hartkloppingen. En de opmerking over die vijfhonderdduizend hoorde ik telkens weer. Ik zou het hotel kunnen verkopen –veel zou ik er niet voor krijgen- en zou voor dat geld een ander hotel kunnen kopen in de stad. Wat zou het heerlijk zijn weer in een stad te kunnen wonen. Goed, daarmee zou een einde komen aan vijfhonderd jaar hotelieren in het Zwarte Bos, maar mijn vadertje zou er mee kunnen leven. Zijn enige, lieve kleine meid gunde hij alles. En wat is een hotel? Een firma die geld moet verdienen.
Ochtend in het bos, je kon de herfst al ruiken. Ik klopte aan bij het nog enig bewoonde huisje van het vroegere gouddelversdorp. Verzakte vensters, nergens verf. Een tandenloos besje doet open. Negrita heet zij. Ik bood wat paddenstoelen aan. Zij kocht er drie. Huh, wat rook ze verschrikkelijk uit haar zwarte bos. Naast het huis zag ik een herenfiets staan. Vast van die gebochelde. Hoewel, fietsen met een houten poot, ik weet niet of dat gaat. Ik boog me voorover naar de stinkende put. ‘Logeert ereen man met een oog, een bochel en een houten poot bij jou?’ Schichtig smakte ze de deur dicht. Ik wist enough, weet je. 
Twee dagen later. Actie. Het werd slecht weer. De paden in het bos werden modderstromen, wat een zootje. De takken zwiepten wild in de wind, maar ik was onderweg naar de vijfhonderdduizend. – wil je het allemaal nog weten, als ik je niet verveel, doe mij dan maar een colaatje.
Waar was ik? Ja, ik kwam doorweekt en met laarzen vol prut aan bij het wrakkige huisje. De bliksem sloeg naast me, eerlijk waar. En onder een luizig afdak stond hij, de man uit het zwarte bos, die zei dat Droogieter, een stervende zwaan, van hem gestolen zou hebben. Wat een leugenaar. ‘Ga naa  kamer van  dokter,’ zei de creep, ‘en neem  plant die op de tafel staa. Bren die plant bij mie. Praa hier met nieman over. Ga snel. ‘ Toen ik terugkwam trof ik in de hal een jankende Monica. ‘Wat doe jij hier?’ brieste ik zo ongevoelig mogelijk.
‘De dokter gaat sterven. Hij zei het me. Hij staat nu op zijn kop in bed en dat is het teken.’  Sinds wanneer gaan de stervenden op hun kop in bed staan, dacht ik. Of is de ratio geweken, een delier, of een dementieve aanval.
We gingen naar boven. Monica sjokte naast me. ‘De dokter zocht een plant in het Zwarte bos, een nieuw medicijn tegen zijn ziekte, zijn laatste hoop. En toen vond ik die plant. Wat waren we blij. Ik heb de bladeren zo bewerkt zoals hij zei, maar kennelijk nog niet goed genoeg. Nomme de patat, wat een drame..’ Ze schudde met haar hoofd en ik was bang dat het van dat kippennekje af zou glijden en de trappen af ging rollen.
We renden de kamer van de dokter binnen. De kamer lag vol met kleren en papieren. Asbakken ook nog, terwijl in mijn hotel niet gerookt mag worden. Monica wees op de dokter die op zijn kop stond, precies zoals zij had gezegd.  En daar, naast het bed, op een tafeltje stond de levensreddende plant. Zo’n plant zie je ook wel eens in de supermarkt, helemaal niks bijzonders. Of toch? Ik zou het ding mee kunnen nemen en de dokter zijn laatste kans ontnemen. Nou en? Het verhaal kon niet waar zijn, nou ja, dat weet je niet, zei een ander stemmetje tegen me. Dat van mijn overleden moeder. Je weet niet meisje. En toen hoorde ik de stem van mijn vader tegen mijn moeder zeggen dat ze zich er niet mee moest bemoeien en dat die dokter toch wel dood zou gaan en dat het verhaal van dat plantje onzin was. En toen kregen die stemmen ruzie, niet normaal.
‘Ik ga dood,’ een zucht.
‘Nee!’ Monica sloeg haar handen voor haar gezicht. ‘Jij hebt toch je plant, hier vreet dan eens, waarom eet je niet?’ Ik keek van Monica naar de plant naar de dokter. Het werd me teveel. Zij rukte een blad van de steel en hield dit bij zijn mond. Hij opende als een hert en kauwde. Dit was mijn moment om de plant mee te nemen. De plant die me onafhankelijk zou maken. Een rotplantje en dat zou hem beter moeten maken?
Maar stel dat het wel zo was, dan zou het mijn schuld kunnen zijn en dan zou die achterlijke Monica me kunnen aanklagen of zoiets. Nee, het was beter de plant even te laten staan. Als hij dan toch gestorven was, dan zou ik alsnog kunnen cashen. Of misschien kon ik wel een stekkie ervan kweken..nog mooier!
En weg was ik weer. Schillen. Ondertussen steeds bozer worden op de man uit het bos. Een plant stelen van een stervende oude man die daarop zijn laatste hoop gevestigd had. Mijn geweten begon op te spelen. Met een kwartier stond ik voor het instortgevaarhuisje en smeet een steen naar binnen. ‘Wa doe jij nou?’ riep Quasimodo. ‘Jij haalt je plant zelf oplichter! Schoft!’ En met de woede kwam ook de wanhoop dat ik behalve zijn ruiten ook mijn eigen ruiten aan het ingooien was. Maar hij gaf het niet zomaar op. Hij rende naar me toe en keek me doordringend aan. Ik werd verliefd op dat ene hazelnootbruine oog en ik vergat de bochel en de houten poot. Liefde maakt blind. Ik besloot de schurk te gehoorzamen als een echt gangsterliefje.
Ik klom in bed, deed mijn avondgebed en hoorde een gil. Monica! Twee seconden later was ik bij haar en zag het raam open staan. De dokter en de plant waren weg. Het gordijn wapperde en het regende bakken uit de lucht. Ik schoot een regenjas aan en in mijn flanellen pyama rende ik naar buiten. Bij de Duivelsberg zag ik een donkere gedaante wegschieten. De dokter. Hij klom omhoog en iedereen weet, jij ook, hoe gevaarlijk die berg is in dit weer. Door erosie van het goudzoeken is de berg kaal en glibberig geworden. Een misstap en je valt en..
‘Stop!’ riep ik. De dokter luisterde niet. Een wolk schoof ook nog eens voor de maan. Ik wist dat hij ging vallen. Het werd lichter en ik beklom de berg, tot halverwege. Daar kwam ik de gebochelde van de Notre Dame tegen. ‘Ook een lekker wandelingetje maken? ‘ sarcastisch was ik nooit, maar ik kon het wel zijn. Er was geen draad meer droog aan zijn lijf. ‘De plant is weg,’ zei de man somber.
‘Dus een mensenleven kan jou niet schelen?’ riep ik en haastte me naar beneden.
‘De plant had miljoenen kunnen redden.’
‘Onzin, bij de Albert Heijn heb je een betere, maar die zal je niet redden.’
Monica stond achter me en ging liggen in de modderstroom.
‘De dokter was niet ongeneeslijk ziek mevrouw,’ hijgde hij. ‘Ik zal me voorstellen, ik ben Oek Muis, ik ben onderzoeker. Ik heb die zeldzame plant ontdekt, we hadden daarmee een geweldig nieuw medicijn kunnen maken. Hij heeft het van me gestolen.’
Ik was helemaal klaar met dit verhaal en nam de hand van Monica. Ik trok haar handhandig mee.
Samen ruimden we zijn spullen op. Zijn papieren, zijn kleren deden we in een zak. Ik wilde voortdurend vragen of de dokter echt ziek was. Ik deed dat niet. Plotseling bleef Monica strak staan, als een pilaar. Haar ogen werden heel groot. Knikkers. Vuur kwam eruit. ‘Mijn bakkerij uit!’ knalde ze. ‘Pardon?’  ‘Nu eruit! Wel brood kopen op de pof, maar nooit betalen he? Hufter! Ik maak je koud.” Ze botste tegen me aan en we vielen achterover op het spiralenbed. Het piepte akelig toen zij mij probeerde te wurgen. We vochten als straatkatten en rolden van het bed over de houten vloer. Monica liet los. De aanval was voorbij.’Sorry,’ prevelde ze. ‘Beetje moeite soms met agressieregulatie, ben ik ook voor behandeld.’ Ik hijgde nog als een pakpaard, maar desondanks ontwaarde ik onder het bed de plant waar het allemaal mee begonnen was. Ik besloot hem direct terug te brengen naar zijn eenogige eigenaar. Ik klopte aan bij het besje. Ze deed open en lachte haar giechel breed. Is die mijnheer er nog? Ze wenkte. De man keek. Ik stak mijn arm met de plant uit. Hij wachtte en pakte een koffer. ‘Die is voor jou,’ zei hij. ‘Het geld,’ het klonk als een samenzwering.
En nu zit ik hier lekker in de stad. Ik ben happy hier. Hotel Keizersgracht verkocht, ik ben a rich woman. Mag ik even afrekenen? Hee, laat het wisselgeld maar zitten. Ik zie aan je gezicht dat je wil weten wat er in de koffer zat. Ja, vijfhonderdduizend, dat klopt.
Vijfhonderdduizend vruchtensnoepjes, zo’n hartje, met daarop:

slim.’

Geen opmerkingen: