zaterdag 24 september 2016

Wat is erger?




‘Ik had al zo’n lange tijd last van mijn knie. Alle dokters ben ik er mee afgeweest. Man, man, wat had ik een pijn. Het begon allemaal tijdens een strandvakantie in Spanje. Ik stond stoer te springen in de branding om indruk te maken op een lekker chickje. Maar toen hoorde ik: ‘krak!’ en ik voelde iets in mijn linkerknie verschuiven. Ik kon niets meer, stond als een ooievaar in de zee, op één poot. Iedereen lachte om mij, ook dat chickje. Ik verrekte van de pijn. Vrienden brachten me naar de EHBO en daar was een dokter, nou zo noemde hij zich, maar ik denk dat hij zijn eerste jaar medicijnen nooit heeft afgerond. Hij verbond mijn knie zo strak, mijn poot werd helemaal blauw man. Dus ik weer terug naar die slager, met mijn vrienden. Hij klopte op mijn billen, zo een was het ook, en zei: ‘Well, just in time’.
Jaren na dit gedoe bleef ik maar last houden. Pijn man, maar op de foto’s zagen de dokters niks, zeiden ze. Goed, een medisch wonder dus, in negatieve zin. Ik was er zo ziek van dat ik bijna elke avond naar de kroeg van tante Nel ging. Daar liet ik me dan helemaal vollopen. Zo jong, vol plannen, ik wilde militair worden, dat was mijn jeugddroom, en dan niks meer kunnen. Het maakte me somber. Nel zag het en ze zei: ‘Ik zal het Arie eens vragen, hij heeft mij ook geholpen met me rug.’ Ik keek haar glazig aan. Ze bedoelde toch niet die half demente, alcoholistische zwerver die ze zo liefdevol had binnengehaald?
Op een herfstavond in de zomer hing ik weer in die kroeg. Stomdronken was ik. Ik had alles door elkaar gezopen: whisky, tequila, bier, wijn. Ik kon amper nog staan, de herberg leek zo groot als het universum en het draaide allemaal om mij. Het was helemaal vol met andere ongelukkigen om mij heen. Een hanekam naast mij ging op een stoel staan en riep zo hard dat de ruiten rinkelden: ‘Seeeekskkks!’ en daarna nam hij weer plaats. Zo’n avond was dat. Om het feest compleet te maken blubberde dikke Arie plots naast me. Ik herkende hem aan de geur van bedorven haring. Aan zijn rotsblokachtige hoofd met de dertien onderkinnen bungelde een meterslange baard met stukjes kaas erin. Hij legde zijn handen, zo groot als mijn schoenen, op tafel en brulde: ‘Ik hoor van Nel, ik ken jou help. Geef mij tien wieskie en ik ga jou help zoetwatersnotneus.’  Ik vroeg hem niets want dat kon ik niet meer. Hij gebaarde Nel. Zij bracht een glas, het was een bierpul vol wieskie. Ongelofelijk, een doorsnee mens zou je na het nuttigen kunnen opereren, hij zou niets merken. Hoe dan ook, hij leegde het glas in ene keer achterover en legde zijn arendsklauw op mijn zere knie. Hij kneep en hij kneep. Het bloed stolde in mijn lijf, zo’n verschrikkulukke pijn deed het. Nu zag ik in mijn tollende heelal ook nog onbekende planeten waarop het wemelde van het leven. Daarna werd mijn been hot, echt zo schroeiend heet dat ik mijn broek uit wilde trekken, maar dat kon ik niet. ‘Terug in de haven,’ zei hij plechtig, greep naar zijn borst en stortte van zijn stoel. Ik kon niks doen, ik was lam. Mensen raakten in paniek. Twee halfdronken oudere mannen doken boven op hem en begonnen met hun mond op zijn buik te reanimeren, want zij dachten dat reanimatie zo werkte. Toen ging mijn licht uit.
De volgende morgen werd ik wakker met een bouwplaats vol spijkers in mijn hoofd. Ik huppelde naar buiten, braakte een keer of twee in de plantenbakken en toen hoorde ik Nel. Ze stond naast me.
‘Loop je weer lekker?’ vroeg ze. Ik zei: ‘Verrek, helemaal geen pijn meer, nou je het zegt.’ 
‘Mooi,’ zei ze, ‘ja, jammer van Arie, is dood gebleven gisteravond.’
‘Ach,’ zei ik,  ‘gecondoleerd.’ 
‘Hij was mijn vriend niet, maar hij heb me wel goed geholpen.’
‘Ja.’  Ik wist niet wat ik moest zeggen.
‘Hij had schatrijk kunnen worden met die gouden handjes van hem. Misschien ken jij dat nu ook wel dat magnettizeren.’  Ik keek naar mijn handen. Geen kans. Bleke spaghettisliertjes.
‘En ik krijg nu nog voor tien whisky van je, dat is honderd gulden. Stop je het vandaag nog effen in m’n bus?’
Ze ging verder met mij: ‘Nou eh, dat is toch niet veel voor een knie waar je verder op kan. Doeg!’  En ze was weg.
Ik huppelde terug over straat als een eenzame astronaut op de maan. Heerlijk was het. Ik begon te rennen. Steeds harder. Raakte verslaafd aan die pijn zoals ik vroeger verslaafd was aan de pijn van de drank. Steeds harder ging ik lopen. Mijn route ging altijd langs die kroeg.  Ik begon wedstrijden te winnen. Het werd mijn doel in het leven. Bekers, prijzen, ik sleepte alles binnen. Mager als een graat werd ik en rende mezelf naar het Olympisch stadion in Berlijn waar ik heel in de verte het sluike haar en snor ontwaarde van de dictator. Hij sprak niet met mij, ik ben een zwarte man.  

Kijk, daar ligt Arie. En daar ligt Nel. Bijna naast elkaar. Arm gestorven. Ik ga deze bloemetjes bij ze leggen, want de een heeft me van de pijn afgeholpen en de ander van mijn zuipen. Ik betaal ook voor het onderhoud en de steen en zo, want wat kan ik anders voor ze doen?
Ik sta stil op het pad. Het is sinds die avond tachtig jaar geleden. Met mijn handen heb ik heel wat mensen beter gemaakt, heb ik nooit met iemand over gesproken. Kankers, ik heb ze verjaagd.
Ik kijk om me heen over de stille begraafplaats. Het is donker aan het worden. Mist glibbert over de stenen. Er is niemand. Ik sta al een half uur hardop in mezelf te praten. Wat is erger, vriend Elckerlijk: een zere knie of een gekneusde ziel?

                     

zaterdag 17 september 2016

Logisch



Vandaag stapten twee lichtbruine mannen in de trein. Ze spraken een Arabisch dialect. Ze hadden vijf loodzware sporttassen bij zich. Ja, ik ben verpest: in mijn fantasie zag ik daar bomgordels in, kalasnidingesen en kogels en handgranaten en veel messen, heel veel enge messen. Ik stapte uit en zag de trein wegrijden. Hij ontplofte niet. De trein kwam ook niet op het nieuws. Ja, ik ben best wel bang voor de psychopaat onder ons. Ik reis genoeg met metro’s en treinen. Maar wat zegt dat? Hij kan besluiten een kettingbotsing met auto’s te gaan veroorzaken. Want de psychopaat is nu eenmaal gek, daarvoor is hij een psychopaat. Zijn wegen en denken zijn donkere kronkelpaden. De veiligheidsdienst denkt veel te logisch. Wij denken allemaal veel te logisch. Opsporen is geen kunde, maar een zaak voor fantasten. Fantasten komen dichterbij dan  mathematisch getrainde speurneuzen. Ik denk dan ook niet dat de heren in de trein iets te verbergen hadden. Veels te normaal om je explosieve materiaal in een boodschappentas te doen. Alhoewel, nu denk ik zelf weer veels te logisch. Help!   


zondag 11 september 2016

Roofvogels tegen drones

Het NOS journaal, het journaal voor 75 plus, bericht dat roofvogels tegen drones mogen worden ingezet. Natuurlijk is dat belachelijk, want er zijn wapens bij defensie waar dat zo mee gedaan kan worden. Er bestaan raketten die op 100 km afstand afgevuurd door je brievenbus kunnen. Dus is het een middeleeuwse uitvinding, alsof je een steen uit een katapult op een raket wil richten. En de vogels mogen ook best sneuvelen in de strijd, zegt een politiewoordvoerder, had ie maar geen vogel moeten worden. Vroegtijdige dementie bij de politie en de journaalredactie en de stokoude kijkers knikkebollen en merken niet eens dat er geen kritisch geluid aan is geplakt, zoals het hoort in de journalistiek. Hoor en wederhoor. Nu lijkt het alsof dit bulletin een politiebericht is. Laat die roofvogels maar los gaan op die sneue verslaggevers die met hun microfoon soms nog voor een rechtbank staan, in het donker meestal, als het hele hof allang naar huis is. En domme politie, laat de vogels vrij en zorg dat je meer op straat bent,in plaats van naar de lucht te turen. OMG, die terroristen lachen zich dood. Dit is misschien een wrange woordspeling.

zondag 4 september 2016

Het Fluisterbootje


Het is lang geleden. Ik had een vriendin, hoe ze heette, ik weet het niet meer. Het was een mooie dag en ik wilde wat doen met haar, noem haar maar Sasja. Nooit waren we het eens. Het was een mooie dag om naar buiten te gaan. Ik wilde natuurlijk roeien in de polder en zij wilde het fluisterbootje met de motor, dus kozen we voor de motor. Ach, motor, het was een motortje zoals die op naaimachines zit. Leuk voor een nieuwe tuinbroek, maar op het woeste water is het prutsen. Nadat ze me nog had vervloekt, voor honderd jaar, omdat ik met haar portier de auto van haar buurman zacht had getoucheerd en de stemming in het koetswerk Antarctische vormen had aangenomen kwamen we aan op de plek des onheils. Het was een locus amoenis, dat moet gezegd, een lieflijke plek aan het water, bij zachtgroen glooiend gras, boterbloemen en een warme horecagelegenheid waar de verdoolde zielen van deze wereld kunnen rusten op grazige weiden. Afgemeerd aan een terras vol vrolijk drinkende mensen lag onze SS Titanic van twee meter lang,  voor ons klaar. Zij, mijn eigen onweersbui, stapte als eerste  aan boord en daardoor helde het schip zodanig dat zij bijna te water raakte. Het terras lachte luidkeels en verlangde naar meer. Ik stapte met een pokergezicht precies in het midden. Nu moest de schuit nog afgemeerd worden. Trossen los.  Ik schoof voorzichtig naar voren, op mijn buik, en duwde met mijn rechterhand tegen de wal. Als mijn Frau Untergang rustig gewacht zou hebben was er niets verontrustends gebeurd, maar zij vond het tijd worden de motor te starten. Mijn gewicht drukte de voorkant van het zeeschip omhoog en de schroef rees op uit de diepten van de prutsloot. De roterende delen raakten het oppervlak en een reusachtige, groene fontein spoot omhoog. Het terras veerde op. Drab bedekte het hoofd van mijn kleine kapitein met wie ik nu een diep medelijden begon te voelen. En terwijl het riet ons als een dwangbuis omarmde en vasthield, flitsten de fototoestellen van het publiek. Plotseling zaten we toch op het ruime sop. (Ik ben eerst overboord gesprongen en heb staande in de modderige biotoop woedend het kroos uit de motordelen gerukt).
‘Ik ga nooit meer met jou varen, klungel,’ bevestigde mijn Juliet nog een keer toen we in haar brik zaten. Ik keek en zag dat een kikkervisje zich aan haar staart had geklampt. lk moest ineens vreselijk lachen.
‘Waarom doe je dat?’ riep ze en ze schakelde in een verkeerde versnelling.            
‘Ik weet het niet, ik kan het niet helpen,’ zei ik, ’ik moet gewoon lachen.’

Even later slipte de auto van de weg, gleden we van de dijk en ploften we met vier wielen tegelijk op het water. We dreven in de auto, een cabriolet, dus zonder dak, na ast een stel gezellig snaterende eenden. ‘En je wilde nooit meer met me varen Sasja!’ riep ik en spreidde mijn armen naar de prachtige, Hollands blauwe lucht met de laaghangende, donzige wolken.    

dinsdag 30 augustus 2016

Poepregen




De Anloup was een recreatiecentrum aan zee, bestuurd door een aantal kerkjes uit de kop van Noord-Holland. 's Zomers werd het centrum gerund door jongeren om vakantiegangers, jong en oud, een luisterend oor te bieden.


Ik weet nog dat wij met een aantal jonge vrijwilligers van het recreatiecentrum naar het uitzuigen van de beerput stonden te kijken. Een beerput was een voorziening uit vroeger dagen toen nog niet iedereen op het riool was aangesloten. Daarin werden alle uitwerpselen opgevangen tot dat de put vol was. Zoiets zie je niet elke dag,  in onze tijden van moderne riolering.
Er kwam een gemeentewagentje over het gras achter het gebouwtje aangereden, met twee medewerkers en één slang. De ene man deed de slang in de put en de ander diende de knop op 'zuigen' te zetten. Zo eenvoudig was het. Waarom hij derhalve op de knop  'blazen' drukte, die ernaast zat, kan ik nog steeds niet begrijpen. Misschien kon hij niet lezen.
Twee seconden na het indrukken was er een zacht suizen van regen van zanderige, korrelige smurrie en werd de zon verduisterd. Daarna zakte de hemelse modder en zat ik helemaal onder. Van top tot teen veranderd in een zandsculptuur, in een paar seconden. En daarna drong het tot me door wat het voor zand was. Shitzand. Het rook nergens naar. Shit van jaren en jaren misschien, wie zou het zeggen. Ik rende naar de enige douche, maar die was al bezet door een andere zandalien. Naast me  stond een ontkleed baggermonster. Ik vind het nog steeds een vreselijke vieze gebeurtenis. Maar vertellen over vies heeft ook wel iets gezelligs. Poep en seks hè? Het verkoopt, zeggen ze. Nee, er zijn geen foto’s van.


zaterdag 27 augustus 2016

Vakantie met Thijs



                                         Vakantie met Thijs. Dat kan niet zonder een trein. De tekening is ook in de  vakantie gemaakt door mij.

vrijdag 26 augustus 2016

Nice to meet you



Hij stapte zoals elke morgen in de Amsterdamse metro naar een halte in de Bijlmermeer en prutste aan het draadje van zijn telefoon. Hij draaide Mozarts klarinetconcert in A groot. Hij droeg een verwassen spijkerbroek, versleten sneakers en een lichtgeel T-shirt met de tekst: ‘Mozart is in my heart.’  Hij had een lang lijf en smalle ledematen. Daarop een ovaal rond hoofd met blauwgrijze ogen en stroblond, vlassig haar dat niet dagelijks werd gekamd. En daarbij was hij verlegen, bijna mensenschuw. Hij keek nooit iemand aan en het viel hem dan ook totaal niet op dat er een mevrouw voor hem stond die hem aansprak. Ze tikte hem op zijn schouder en toen pas zag hij haar. Ze was niet erg groot, maar wel fors in afmeting. Ze had lang blond haar, dat stijf van de haarlak was en op haar niet zo grote, smalle neus stond een donkere zonnebril. Ze droeg een uniform van de Nederlandse politie en haar lippen waren roze gestift. Ze maakte zo’n verpletterende indruk op hem dat hij het liefst tussen de wielen van het metrostel was gesprongen. ‘Excuse me,’ zei de vrouw en hij meende een accent uit een of andere donkere Londense buurt te bespeuren. ‘Is this the train to the Raiksmuseum?’  ‘No, no,’ antwoordde hij in shock, ’this is the train to Bijlmerarena.’
‘Ah Bailmermer,’ sprak de dame, ‘so this is not the right train eeh..?’
‘Sorry, eh..’  hij wilde iets moeilijks zeggen in het Engels maar hij had een hekel aan vreemde talen en een hekel aan praten in het algemeen. De vrouw zakte naast hem op een klapstoel. Hij hoorde het ding kraken. Ze lachte. ‘Big ass, I am a litte piggy.’ Hij begreep het niet. Ze knorde. Ah, hij knikte. ‘So I took the fucking wrong train eeh? Where do you go to today, my love?’  Hij bloosde, zulke directe woorden was hij niet gewend. ‘Eh.. to university for learning voor dokter..’  ‘Ah doctor!’ riep ze uit. ‘I am feeling allright today, feel my heart.’ Ze pakte zijn hand en legde die op de boezem. Borsten als balkonnen, dacht hij. De trein stopte bij halte Spaklerweg. In de verte waren de omtrekken van de voormalige Bijlmerbajes te zien. Ze zwegen allebei. ‘Don’t you recognize me?’ vroeg ze terwijl ze haar bril naar beneden schoof. Ze sprak zacht en keek om haar heen. Hij zag twee prachtige ogen, de mooiste die hij ooit gezien had. Het waren kroonjuwelen, lichtblauwe met een zweem groen. Maar herkennen? Nee, nooit gezien. Hij zocht diep in zijn geheugen, misschien dat mooie meisje uit de tweede klas van de HAVO?  Hij was naar haar huis gereden en toen had ze  water, middels een emmer, over hem geworpen.  Hij kon niks bedenken. Ze lachte toen ze zijn peinzende gezicht zag. Ze lachte luidkeels. ‘You are the only fucking person who doesn’t  know me on this whole fucking planet.’ Hij schaamde zich zeer tot in de punten van zijn tenen. ‘You are a famous person? ‘ vroeg hij bevend alsof hij weer een spreekbeurt voor de klas moest houden. ‘I love you guy, ‘ hikte ze, ‘let’s take een kobje kowie.’  ‘Then we better go back,’ zei hij gedwee als een lam, bekos there is no naice cafe there.’ 
‘Then we go back,’ zei ze beslist. ‘ O men I love you, you know I am married, but I love you really. And you still don’t know me.’  Hij dacht te zien dat de andere mensen meeluisterden en hem meewarig aankeken.  Die jonge dokter leeft al jaren onder een steen, stond er op hun voorhoofd, hoe moet dat ooit een goeie arts worden? Ze stapten uit op BijlmerArena en hij belde zijn werk. ‘Ik voel me niet goed,’ klaagde hij.’ ‘Wat mankeer je?’ vroeg zijn chef op zakelijke toon. ‘Het is al de derde keer in twee weken. Ik stuur je een uitnodiging voor een gesprek.’   Hij geneerde zich vreselijk voor deze leugen, maar de kans om met een leuke vrouw iets te hebben, al was het maar voor de duur van een kop koffie, was te kostbaar om te laten glippen. Op Amstel stapten ze uit. ‘ I live here,’ wees hij naar een gebouw op de hoek van de Weesperzijde. ‘Then we go there,’ zei de vrouw. ‘I like to see where you live.’ Ze draaide zich even om en keek weer spiedend om haar heen. Hij dacht aan haar husband. ‘It’s not what you might think,’ fluisterde ze, ‘my beloved or another jalous man, but I am afraid of the fans.’
‘The fans?’ bibberde hij.
‘They’re crazy,’ ze stond stokstijf, misschien dacht ze een verdachte schaduw te zien. Snel gingen ze het gebouw binnen en ze bekeek het appartement. Het was drie bij vier. Twee katten keken haar nieuwsgierig aan vanonder een niet zo stabiel tafeltje. Ze hadden grote, angstige  ogen. Zij bukte en zei wat zoetgevooisde woorden tegen ze. 
Aan de wanden hingen vergeelde posters van Concertgebouwvoorstellingen. Ze schoof het bruingele gordijntje dat voor het enige raam hing, dicht.
 ‘My name is Stella,’ zei ze. ‘What’s yours?’ 
‘Gerrit.’
‘Kerrit, what a funny name. Come here and let me kiss you.’  Ze kuste hem zacht op zijn mond  en daarna huilde ze. Een stroompje mascara trok een zwart spoor.   
‘Shall I make  coffee?’  hij klonk stuntelig. Emoties waren niet zijn werkterrein binnen de geneeskunde en het lichaam was een corpus, een ding. 
‘Yes,’ ze huilde, ‘you have a stroepweffel?’
‘Stroepweffel?’   
 ‘A biscuit, you add it to your kobje kowie.’
‘O yes, I understand.’
‘All my life I knew I want to live here, in Amsterdam and now I have felt it I am very sure this is my home.’
Toen hij in het keukentje stond wist hij dat hij een moord voor haar zou willen doen. Hemel, hij was zomaar waanzinnig verliefd en dat op zomaar een grijze morgen. Wat een vrouw. Nog zuiverder dan Mozart. Hij vroeg zich af in welke film ze speelde. Vandaar natuurlijk dat ze dat politiekostuum aan had. Stom dat hij niet veel films had gezien. Hij bracht de koffie en de stroepweffels en zij vertelde dat ze zangeres was, heel beroemd, maar dat dat niet zo spannend was als de mensen dachten en dat ze wel wilde zingen, maar niet zo bekend zijn. En dat ze tegenwoordig altijd op haar hoede moest zijn, altijd en overal. Daarom droeg ze als ze naar buiten gaan diverse kostuums, vermommingen, zodat ze zich een beetje vrij kon bewegen. Hij luisterde ademloos, de wereld van glitter en glamour trok aan hem voorbij, een wereld met veel geld- dat leek hem wel leuk- maar verder een dorre woestijn. Hij moest aan Schopenhauer denken, het leven is een zeepbel die uit elkaar spat.
De buitendeur bewoog. ‘There they are!’ riep de vrouw geschrokken. ‘I must leave Kerrit.’ Ze stommelde naar het raam en liet zich via de regenpijp zakken.  ‘No!’ riep hij. ‘ Please, don’t!’ Maar ze was al uit het zicht. De horde fans beukten de deur uit de sponning en renden als een kudde bizons naar binnen. Alles werd omver getrapt, de klassieke platencollectie verpulverd, de posters van beroemde dirigenten van de muren gescheurd.         
Iemand, een fotograaf, gaf hem een harde klap op zijn hoofd en hij bleef op het verrafelde tapijt. Toen hij moeizaam wakker werd was het al lang avond en had hij een verschrikkelijke hoofdpijn. De kamer was een slagveld en de katten waren overspannen naar hem aan het loeren. Door het open raam waaide een stevige wind naar binnen, maar toch hing daar nog haar lucht. De frisse bries op een zomeravond na een onweer vermengd met de damp van vochtig gras in de ochtend. Zoiets. Een lucht die deed verlangen naar meer, naar zinderende erotiek op een wiebelige houten boot. Of op het strand bij ondergaande zon met het zand tussen de billen. Zoiets. Maar een gevaarlijk verslavende lucht. Hij moest die lucht weer vinden en de volgend ochtend ging hij op pad. Alle parfumeriezaken werden door hem bezocht. Eindelijk was de beer in hem opgestaan. Hij leefde ergens voor, maar nergens vond hij het veelbelovende geurtje. Natuurlijk was hij diep teleurgesteld, maar hij was ook een grijze realist. Iemand die met een dof schouderophalen altijd weer verder sjokt, zoals wij allen.
Alweer een jaar later zocht hij in de goedkoopste winkel op ons grondgebied naar een goedkope Mozartposter. Met zijn elleboog raakte hij een flesje. Het viel. Een verkoopster, een kind van nog geen zestien, keek hem verbaasd aan. Toen hij beschaamd wilde weglopen, kwam een geur op zijn neuscellen. De frisse bries op een zomeravond na een onweer vermengd met de damp van vochtig gras in de ochtend. Zoiets. In het flesje zat haar geurtje. Het goedkoopste flesje dat er was. Snel stak hij de andere flesjes in zijn zak en rekende met een strak gezicht alleen het kapotte flesje af.
Bij de bushalte, in Amsterdam-Noord, bij de Meeuwenlaan, ontdekte hij even later haar portret. Ze maakte reclame voor haar nieuwe show.
‘Wie ben jij?’ vroeg hij hardop. ‘Of ben je iemand anders?’  ‘Ben je echt bij mij geweest?’  Hij sprak gepassioneerd, met luide stem en grote gebaren. Mensen naast hem keken niet op. Ze waren wel wat gewend in hun gekke Amsterdam. Zelfs toen hij zijn lippen stevig op de poster plantte, zoende en likte, grinnikten ze alleen maar, achter zijn rug. Ze filmden zijn actie. ‘Het komt door je lucht,’ riep hij, ‘ik kan daardoor niet zonder je, ik ben verslaafd.’
‘Mijnheer doet u even rustig.’ Het was een echte politieagente. Ze trok hem los van de poster. Ze had een vierkant gezicht en kort stekelig haar. Ze keek hem indringend aan en zei: ‘Doet u even rustig, dit kan zo niet langer.’ Hij kwam bij zijn positieven. “Heeft u hulp nodig?’ vroeg ze. ‘Wacht maar, ik breng u even naar huis.’  Ze gingen zijn huis binnen. Er stond vrijwel niks meer in, behalve zijn bed. Het tapijt was versleten, de gordijnen vergeeld, het raam gebroken. Het stonk er. ‘U leeft hier?’ vroeg de agente geschrokken. ‘Ik ga weer, als er iets is, belt u dan gerust.’  Ze vertrok en hij ging direct de stad in. Daar zwierf hij uren doelloos rond. Toen het nacht was geworden nam hij de pont naar noord, nam een snuif uit het parfumflesje, werd high en rende   naar de bewuste bushalte. Hij moest en zou die poster hebben.  Met een steen ramde hij op het glas. Hebben zou hij haar.  Hij merkte niet dat achter hem een stadsbus stopte. Een blinde vrouw scharrelde langs hem, met een blindenstok tikte ze op zijn schoenen. ‘What the fuck are you doing?’ siste ze. ‘Get in the bus!’  Hij herkende haar direct en deed wat ze commandeerde. Hij stapte in. ‘Get down on the floor,’ ze was streng. Hij lag aan haar voeten. ‘Where do we go to?’
 ‘To the airport en then Rick will bring you home.’  Ze reden langs de RAI, maar hij zag het niet. De bus remde en de lichten werden gedoofd. Ze kusten op de vloer met volledige overgave, mond op mond, het was zijn eerste keer, hij voelde zijn huid gloeien alsof hij onder een zonnehemel lag. Zij hees zich steunend weer op haar stoel en daar reden ze weer.
‘Here we say goodbye,’ zei ze na een stil half uur. ‘Remember, I will always love you and I will be back, I don’t know where, don’t know when honey, but I know it’ll be a sunny day. Bye bye love.’ Hij hoorde haar langs hem hijgen en de bus verlaten. Weer een half uur later stond hij voor zijn eigen deur. ‘Dank,’ wilde hij nog tegen de chauffeur zeggen, maar het gezicht van de man was afgedekt en hij zei niets. Hij wenkte niet eens.
Toen hij binnenstapte en het licht aandeed viel zijn mond zo wijd open als hij nog nooit was opengezakt. Het appartement was prachtig geverfd, voorzien van hippe, mooie meubels, een nieuw tapijt en voor de poezen waren er nieuwe mandjes en krabpalen. Het raam was gerepareerd en er hing een rolgordijn. Toen hij het naar voorzichtig naar beneden deed zag hij daarop haar gezicht dat naar hem knipoogde. Hij schatte het formaat op anderhalf bij anderhalf. Er waren leuke lampen gemonteerd en hij had een nieuw, tweepersoonsbed met daarop een groot rood kussen, in de vorm van een hart. Daarnaast lag een envelop met een kaartje. Het was geparfumeerd met de bekende lucht. ‘Love you forever, my lovely stroepweffel,’ stond erop. Hij gleed achterover. Vanuit de badkamer hoorde hij een geluid. Iemand draaide de kraan open.  



Nice to meet you



Hij stapte zoals elke morgen in de Amsterdamse metro naar een halte in de Bijlmermeer en prutste aan het draadje van zijn telefoon. Hij draaide Mozarts klarinetconcert in A groot. Hij droeg een verwassen spijkerbroek, versleten sneakers en een lichtgeel T-shirt met de tekst: ‘Mozart is in my heart.’  Hij had een lang lijf en smalle ledematen. Daarop een ovaal rond hoofd met blauwgrijze ogen en stroblond, vlassig haar dat niet dagelijks werd gekamd. En daarbij was hij verlegen, bijna mensenschuw. Hij keek nooit iemand aan en het viel hem dan ook totaal niet op dat er een mevrouw voor hem stond die hem aansprak. Ze tikte hem op zijn schouder en toen pas zag hij haar. Ze was niet erg groot, maar wel fors in afmeting. Ze had lang blond haar, dat stijf van de haarlak was en op haar niet zo grote, smalle neus stond een donkere zonnebril. Ze droeg een uniform van de Nederlandse politie en haar lippen waren roze gestift. Ze maakte zo’n verpletterende indruk op hem dat hij het liefst tussen de wielen van het metrostel was gesprongen. ‘Excuse me,’ zei de vrouw en hij meende een accent uit een of andere donkere Londense buurt te bespeuren. ‘Is this the train to the Raiksmuseum?’  ‘No, no,’ antwoordde hij in shock, ’this is the train to Bijlmerarena.’
‘Ah Bailmermer,’ sprak de dame, ‘so this is not the right train eeh..?’
‘Sorry, eh..’  hij wilde iets moeilijks zeggen in het Engels maar hij had een hekel aan vreemde talen en een hekel aan praten in het algemeen. De vrouw zakte naast hem op een klapstoel. Hij hoorde het ding kraken. Ze lachte. ‘Big ass, I am a litte piggy.’ Hij begreep het niet. Ze knorde. Ah, hij knikte. ‘So I took the fucking wrong train eeh? Where do you go to today, my love?’  Hij bloosde, zulke directe woorden was hij niet gewend. ‘Eh.. to university for learning voor dokter..’  ‘Ah doctor!’ riep ze uit. ‘I am feeling allright today, feel my heart.’ Ze pakte zijn hand en legde die op de boezem. Borsten als balkonnen, dacht hij. De trein stopte bij halte Spaklerweg. In de verte waren de omtrekken van de voormalige Bijlmerbajes te zien. Ze zwegen allebei. ‘Don’t you recognize me?’ vroeg ze terwijl ze haar bril naar beneden schoof. Ze sprak zacht en keek om haar heen. Hij zag twee prachtige ogen, de mooiste die hij ooit gezien had. Het waren kroonjuwelen, lichtblauwe met een zweem groen. Maar herkennen? Nee, nooit gezien. Hij zocht diep in zijn geheugen, misschien dat mooie meisje uit de tweede klas van de HAVO?  Hij was naar haar huis gereden en toen had ze  water, middels een emmer, over hem geworpen.  Hij kon niks bedenken. Ze lachte toen ze zijn peinzende gezicht zag. Ze lachte luidkeels. ‘You are the only fucking person who doesn’t  know me on this whole fucking planet.’ Hij schaamde zich zeer tot in de punten van zijn tenen. ‘You are a famous person? ‘ vroeg hij bevend alsof hij weer een spreekbeurt voor de klas moest houden. ‘I love you guy, ‘ hikte ze, ‘let’s take een kobje kowie.’  ‘Then we better go back,’ zei hij gedwee als een lam, bekos there is no naice cafe there.’ 
‘Then we go back,’ zei ze beslist. ‘ O men I love you, you know I am married, but I love you really. And you still don’t know me.’  Hij dacht te zien dat de andere mensen meeluisterden en hem meewarig aankeken.  Die jonge dokter leeft al jaren onder een steen, stond er op hun voorhoofd, hoe moet dat ooit een goeie arts worden? Ze stapten uit op BijlmerArena en hij belde zijn werk. ‘Ik voel me niet goed,’ klaagde hij.’ ‘Wat mankeer je?’ vroeg zijn chef op zakelijke toon. ‘Het is al de derde keer in twee weken. Ik stuur je een uitnodiging voor een gesprek.’   Hij geneerde zich vreselijk voor deze leugen, maar de kans om met een leuke vrouw iets te hebben, al was het maar voor de duur van een kop koffie, was te kostbaar om te laten glippen. Op Amstel stapten ze uit. ‘ I live here,’ wees hij naar een gebouw op de hoek van de Weesperzijde. ‘Then we go there,’ zei de vrouw. ‘I like to see where you live.’ Ze draaide zich even om en keek weer spiedend om haar heen. Hij dacht aan haar husband. ‘It’s not what you might think,’ fluisterde ze, ‘my beloved or another jalous man, but I am afraid of the fans.’
‘The fans?’ bibberde hij.
‘They’re crazy,’ ze stond stokstijf, misschien dacht ze een verdachte schaduw te zien. Snel gingen ze het gebouw binnen en ze bekeek het appartement. Het was drie bij vier. Twee katten keken haar nieuwsgierig aan vanonder een niet zo stabiel tafeltje. Ze hadden grote, angstige  ogen. Zij bukte en zei wat zoetgevooisde woorden tegen ze. 
Aan de wanden hingen vergeelde posters van Rolling Stones concerten. Ze schoof het bruingele gordijntje dat voor het enige raam hing, dicht.
 ‘My name is Stella,’ zei ze. ‘What’s yours?’ 
‘Gerrit.’
‘Kerrit, what a funny name. Come here and let me kiss you.’  Ze kuste hem zacht op zijn mond  en daarna huilde ze. Een stroompje mascara trok een zwart spoor.   
‘Shall I make  coffee?’  hij klonk stuntelig. Emoties waren niet zijn werkterrein binnen de geneeskunde en het lichaam was een corpus, een ding. 
‘Yes,’ ze huilde, ‘you have a stroepweffel?’
‘Stroepweffel?’   
 ‘A biscuit, you add it to your kobje kowie.’
‘O yes, I understand.’
‘All my life I knew I want to live here, in Amsterdam and now I have felt it I am very sure this is my home.’
Toen hij in het keukentje stond wist hij dat hij een moord voor haar zou willen doen. Hemel, hij was zomaar waanzinnig verliefd en dat op zomaar een grijze morgen. Wat een vrouw. Nog zuiverder dan Mozart. Hij vroeg zich af in welke film ze speelde. Vandaar natuurlijk dat ze dat politiekostuum aan had. Stom dat hij niet veel films had gezien. Hij bracht de koffie en de stroepweffels en zij vertelde dat ze zangeres was, heel beroemd, maar dat dat niet zo spannend was als de mensen dachten en dat ze wel wilde zingen, maar niet zo bekend zijn. En dat ze tegenwoordig altijd op haar hoede moest zijn, altijd en overal. Daarom droeg ze als ze naar buiten gaan diverse kostuums, vermommingen, zodat ze zich een beetje vrij kon bewegen. Hij luisterde ademloos, de wereld van glitter en glamour trok aan hem voorbij, een wereld met veel geld- dat leek hem wel leuk- maar verder een dorre woestijn. Hij moest aan Schopenhauer denken, het leven is een zeepbel die uit elkaar spat.
De buitendeur bewoog. ‘There they are!’ riep de vrouw geschrokken. ‘I must leave Kerrit.’ Ze stommelde naar het raam en liet zich via de regenpijp zakken.  ‘No!’ riep hij. ‘ Please, don’t!’ Maar ze was al uit het zicht. De horde fans beukten de deur uit de sponning en renden als een kudde bizons naar binnen. Alles werd omver getrapt, de klassieke platencollectie verpulverd, de posters van de muren gescheurd.            




Iemand, een fotograaf gaf hem een harde klap op zijn hoofd en hij bleef op het verrafelde tapijt. Toen hij moeizaam wakker werd was het al lang avond en had hij een verschrikkelijke hoofdpijn. De kamer was een slagveld en de katten waren overspannen naar hem aan het loeren. Door het open raam waaide een stevige wind naar binnen, maar toch hing daar nog haar lucht. De frisse bries op een zomeravond na een onweer vermengd met de damp van vochtig gras in de ochtend. Zoiets. Een lucht die deed verlangen naar meer, naar zinderende erotiek op een wiebelige houten boot. Of op het strand bij ondergaande zon met het zand tussen de billen. Zoiets. Maar een gevaarlijk verslavende lucht. Hij moest die lucht weer vinden en de volgend ochtend ging hij op pad. Alle parfumeriezaken werden door hem bezocht. Eindelijk was de beer in hem opgestaan. Hij leefde ergens voor, maar nergens vond hij het veelbelovende geurtje. Natuurlijk was hij diep teleurgesteld, maar hij was ook een grijze realist. Iemand die met een dof schouderophalen altijd weer verder sjokt, zoals wij allen.
Alweer een jaar later zocht hij in de goedkoopste winkel op ons grondgebied naar een goedkope Stonesposter. Met zijn elleboog raakte hij een flesje. Het viel. Een verkoopster, een kind van nog geen zestien, keek hem verbaasd aan. Toen hij beschaamd wilde weglopen, kwam een geur op zijn neuscellen. De frisse bries op een zomeravond na een onweer vermengd met de damp van vochtig gras in de ochtend. Zoiets. In het flesje zat haar geurtje. Het goedkoopste flesje dat er was. Snel stak hij de andere flesjes in zijn zak en rekende met een strak gezicht alleen het kapotte flesje af.
Bij de bushalte, in Amsterdam-Noord, bij de Meeuwenlaan, ontdekte hij even later haar portret. Ze maakte reclame voor haar nieuwe show.
‘Wie ben jij?’ vroeg hij hardop. ‘Of ben je iemand anders?’  ‘Ben je echt bij mij geweest?’  Hij sprak gepassioneerd, met luide stem en grote gebaren. Mensen naast hem keken niet op. Ze waren wel wat gewend in hun gekke Amsterdam. Zelfs toen hij zijn lippen stevig op de poster plantte, zoende en likte, grinnikten ze alleen maar, achter zijn rug. Ze filmden zijn actie. ‘Het komt door je lucht,’ riep hij, ‘ik kan daardoor niet zonder je, ik ben verslaafd.’
‘Mijnheer doet u even rustig.’ Het was een echte politieagente. Ze trok hem los van de poster. Ze had een vierkant gezicht en kort stekelig haar. Ze keek hem indringend aan en zei: ‘Doet u even rustig, dit kan zo niet langer.’ Hij kwam bij zijn positieven. “Heeft u hulp nodig?’ vroeg ze. ‘Wacht maar, ik breng u even naar huis.’  Ze gingen zijn huis binnen. Er stond vrijwel niks meer in, behalve zijn bed. Het tapijt was versleten, de gordijnen vergeeld, het raam gebroken. Het stonk er. ‘U leeft hier?’ vroeg de agente geschrokken. ‘Ik ga weer, als er iets is, belt u dan gerust.’  Ze vertrok en hij ging direct de stad in. Daar zwierf hij uren doelloos rond. Toen het nacht was geworden nam hij de pont naar noord, nam een snuif uit het parfumflesje, werd high en rende   naar de bewuste bushalte. Hij moest en zou die poster hebben.  Met een steen ramde hij op het glas. Hebben zou hij haar.  Hij merkte niet dat achter hem een stadsbus stopte. Een blinde vrouw scharrelde langs hem, met een blindenstok tikte ze op zijn schoenen. ‘What the fuck are you doing?’ siste ze. ‘Get in the bus!’  Hij herkende haar direct en deed wat ze commandeerde. Hij stapte in. ‘Get down on the floor,’ ze was streng. Hij lag aan haar voeten. ‘Where do we go to?’
 ‘To the airport en then Rick will bring you home.’  Ze reden langs de RAI, maar hij zag het niet. De bus remde en de lichten werden gedoofd. Ze kusten op de vloer met volledige overgave, mond op mond, het was zijn eerste keer, hij voelde zijn huid gloeien alsof hij onder een zonnehemel lag. Zij hees zich steunend weer op haar stoel en daar reden ze weer.
‘Here we say goodbye,’ zei ze na een stil half uur. ‘Remember, I will always love you and I will be back, I don’t know where, don’t know when honey, but I know it’ll be a sunny day. Bye bye love.’ Hij hoorde haar langs hem hijgen en de bus verlaten. Weer een half uur later stond hij voor zijn eigen deur. ‘Dank,’ wilde hij nog tegen de chauffeur zeggen, maar het gezicht van de man was afgedekt en hij zei niets. Hij wenkte niet eens.
Toen hij binnenstapte en het licht aandeed viel zijn mond zo wijd open als hij nog nooit was opengezakt. Het appartement was prachtig geverfd, voorzien van hippe, mooie meubels, een nieuw tapijt en voor de poezen waren er nieuwe mandjes en krabpalen. Het raam was gerepareerd en er hing een rolgordijn. Toen hij het naar voorzichtig naar beneden deed zag hij daarop haar gezicht dat naar hem knipoogde. Hij schatte het formaat op anderhalf bij anderhalf. Er waren leuke lampen gemonteerd en hij had een nieuw, tweepersoonsbed met daarop een groot rood kussen, in de vorm van een hart. Daarnaast lag een envelop met een kaartje. Het was geparfumeerd met de bekende lucht. ‘Love you forever, my lovely stroepweffel,’ stond erop. Hij gleed achterover. Vanuit de badkamer hoorde hij een geluid. Iemand draaide de kraan open.  



donderdag 4 augustus 2016

De pannenkoeken



Deze week reed ik, vlakbij zee en duinen, langs een verlaten terrein in het noorden van onze provincie. St.Maartenszee. Er groeiden distels en hoog gras en niets herinnerde aan het recreatiecentrum dat er decennia lang stond en waar ik een paar weken vrijwilliger was. Ik moest denken aan een gebeurtenis op een zomerse avond. 


Steijn heette hij, geloof ik. Een blond jongetje van een jaar of zeven. Hij kwam bij ons in het recreatiekamp, waar ik vrijwilliger was, een dagje spelen met zijn vriendjes.  Daar was alle ruimte voor: naast een groot houten gebouw, een groot grasveld met een volleybalveld, en allerlei jongeren om hem te vermaken terwijl zijn ouders aan het strand lagen. Uiteindelijk werd dit kinderfeest afgesloten met een pannenkoekenevenement. Des avonds zaten er zeker 15 uitgehongerde wolfjes aan de lange tafel, geschminkt en al. Er waren elfjes bij en clowns en pipo’s, maar Steijn was helemaal wit, als een spook.
Ondertussen ging het in de keuken zoals ik gevreesd had: niemand van ons had ooit een pannenkoek gebakken, dus, ja, eh, hoeveel melk gaat er in zo’n ding? Er was verwarring en discussie. Iemand wilde zijn moeder gaan bellen, maar dat had hij bij het koken van de bietjes al eerder gedaan. De keuken was volkomen verdwenen onder de rode sappen, het leek of er iemand vermoord was. Ik besloot me er niet verder mee te bemoeien en toen er maar niets op tafel wilde komen, rook ik een zekere brandlucht. Er volgde een diepe vloek. Ik wist dat mijn ergste vermoedens uit gingen komen. Net voordat de carnavaleske jeugd de revolutie tegen het restaurant zou gaan uitvoeren, kwamen de zongebruinde koeken naar binnen. Ze waren lekker krokant, om het zo maar eens uit te drukken. Gelukkig waren er geen ouders om ons een proces aan te doen. Tegen mijn verwachtingen in at de kinderschaar als een bak piranha’s van de knapperige, tandenbrekende stapel. Ze huppelden daarna vrolijk over het grasveld, maakten koprollen, handstanden en leken geen ingewandenprobleem te hebben. Voor de poort kwamen de ontspannen ouders aanrijden. Een voor een verdwenen de mannetjes en vrouwtjes in de voertuigen. Maar Steijns ouder kwam nog niet. Hij moest wachten en wilde nog even met het paard Boris gaan fluisteren. Die stond aan de andere kant van het hek. Een groot, nerveus, zwart paard was het dat, soms vervaarlijk snoof uit beide neusgaten. Ik draaide me om, hoorde Steijn praten tegen het dier, het dier snuiven en toen was er die smak. Een doffe klap alsof iemand een hamer in de grond sloeg. Daar lag Steijntje. Van het hek gevallen. Hij trappelde met zijn beentjes en hij schreeuwde het uit. Ik probeerde hem te troosten. Er kwamen snel andere vrijwilligers te hulp. Zijn onderarmpje stond raar, er zat een verdachte hoek van 20 of 30 graden in. “Ik ben bang dat we naar een dokter moeten,’zei ik sip, ‘zijn arm dat is niet goed, dat is niet goed.’ Even later zat ik in de auto van Steijns vader, die niet veel zei. We gleden door het groene, vlakke land, langs de nieuwe windmolens van de nieuwe tijd, draaiend aan het kaarsrechte kanaal. Steijn snikte hartverscheurend, de rit duurde ongeveer 20 minuten. Ik voelde me bezwaard en schuldig, ik had beter op moeten letten. Het was allemaal heel snel gegaan.
De dokter, een man met een smal gezicht en diepliggende donkere ogen, keek niet gelukkig toen hij na het onderzoeken terugkwam. ‘Steijn moet even slapen,’ zei hij, ‘ we kunnen het alleen onder verdoving goed zetten.’
De dag liep helemaal verkeerd, allemaal mijn schuld. En nu ook nog de narcose. De vader tilde het magere kereltje op en ik zag de lange tranenstrepen die door de witte schminklaag waren gezakt. Ik zwaaide nog een keer naar hem en hoorde hem tegen de nuchtere zuster zeggen: ‘En de pannenkoek was ook niet lekker!’
Ze verdwenen door de klapdeuren en onder mijn voeten ging de grond open.


dinsdag 5 juli 2016

Rocky




Ze zegt, met haar mooie zachte ‘g’, ze moest naar een feestje. Ze is een jonge vrouw, ze werkt hard op een school, dus ze had er zin in. Ze zwiept met haar staart en ze lacht breed. Ze lacht altijd wel breed als ik met haar spreek. ‘Ok’, zegt ze, ‘ik zou naar dat feestje, een familiefeest, mijn moeder werd 60. Een leuke moeder heb ik, wel heel punctueel en een lichte controlfreak. Dus ik zou naar haar feest. Ik was alleen in mijn studentenhuis, de anderen waren al op jacht in de stad. Dus snel gedekte kleren aan, niet te veel seks, daar houdt mijn moeder niet van. Een stickje over mijn lippen, lichtroze en mijn blonde haar borstelen. En dan nog snel naar de wc, want ik moet nog een half uur in de auto. Ik huppel door de gang, een lange, smalle gang waarin het soms kan tochten. Hup, het toilet in en plassen.’ Ze stopte even en frummelde aan haar haar. ‘Maar weet je’, zegt ze, ‘er hangt een schilderij in de gang, een portret waarop mijn opa staat. Ik was gek op hem en ik heb hem zelf in die gang opgehangen. En ik sta in de wc, ik ben half aangekleed en plots hoor ik een zachte bonk, alsof er iemand op de deur klopt. Maar ik weet het al snel beter: het is het schilderij van opa. Door de tocht is het van de haak gevallen en tegen de deur aangekomen. Ik duw voorzichtig tegen die deur, maar wat ik ook probeer: de deur is geblokkeerd. Het kunstwerk is vastgeklemd tussen de deur en de muur. En houdt me gevangen. Er is wel een kleine kier waar ik mijn vinger doorheen kan steken, maar die is niet groot genoeg om een stevige duw te kunnen geven. Ik zocht naar mijn telefoon,’ zegt ze. ‘Maar je raadt het al: in mijn jaszak, in de jas aan de kapstok. Ik ging op de bril zitten om na te denken, maar kon niks bedenken. Geen gsm, geen mensen in huis, wat een toestand. Ik zou misschien wel het hele weekend op de pot moeten zitten. Mijn moeder hoorde ik al klagen en plagen: ‘Echt iets voor Marjan, o ja, echt iets voor Marjan en natuurlijk precies op mijn feestje.’ Misschien zou ze wel de politie gaan bellen, o god, ze zakte bijna door de pot van schaamte. Maar plotseling hoorde ze een zacht geluid. Miauwen. Ze herkende het direct: Rocky, haar eigen forse Noorse boskat. Een joekel van een beest. Maar zo lief. Ze kirde tegen hem. ‘Rocky,’  smierde ze, ‘ Rocky, kom je me helpen?’ Ze stak een wijsvinger door de spleet onder de deur en voelde dat zijn warme neus haar besnuffelde. Hij kroop onder het schilderij, dat wist ze bijna zeker. Ze hoorde hem een lekker plekje zoeken. Ineens kreeg ze een idee, het was een beetje vals, maar het gaf haar hoop. ‘Rocky,’ riep ze, ‘Rocky, ...blikkie!’  Rocky reageerde direct vol enthousiasme. Vlees! Altijd die brokjes. Vlees, echt vlees! Het lukte hem nooit een muis te vangen. Hij richtte zich op en maakte een vreugdesprong. Het schilderij dat boven hem zat, gleed zachtjes opzij. Zijn baas klapte van blijdschap in haar handen. ‘Rocky, mijn held!’ juichte ze terwijl ze de deur weer op een ruimere kier wist te krijgen. Met een zucht duwde ze haar slanke lijf door het gat. Ze pakte haar vriend die wegrende naar de keuken. Hij eiste zijn honorarium. Ze viste een blikje onder het aanrecht vandaan en schepte een schoteltje vol. Teveel wist ze. Ze hing het schilderij terug, trok haar jas aan en gaf Rocky nog een aai. Hij was klaar met schrokken en keek haar verlangend aan. ‘Morgen,’ zei ze. ‘Morgen krijg je meer’. Ze stapte in haar autootje en het eerste wat ze zag op het feest was haar liefhebbende moeder die op haar uurwerk tikte.
Zij lachte. ‘ Opa wilde niet dat ik ging,’ smilede ze mysterieus.
‘Opa?’ haar moeder snerpte. ‘Die is al jaren dood. Wat bezielt jou toch de laatste tijd, ben je verliefd?’
‘Ja,’ zei ze dromerig, hij heet Rocky.’
‘Rocky,’  haar moeder keek met de begrijpelijke ik- begrijp- hier- helemaal- niets- van – blik. Een dodelijke blik. ‘Weer zo’n lege sportschoolspierbundel zeker, net als de voorgangers.’
‘Ja, lachte ze, hij is heel sterk. Heel sterk, maar heerlijk zacht en hij houdt van vlees !’
‘Jij bent toch vegetarisch?’
‘Ja.’  En ze lachte weer zo breed als ze altijd deed. 


                                                        

zondag 24 april 2016

Amsterdam een smalle straat in de morgen



In de morgen, negen uur: Ik ging een steeg in en nog een steeg in en nog een steeg in en zag een seniore achter een rood verlicht raam staan. Ze werd gelijk enthousiast en zwaaide wild met haar gerimpelde armen. Een lief gezicht met moeilijke trekken en diepe sporen van een gecompliceerd leven. Ze woont waarschijnlijk in Almere of Purmerend en helpt vrijwillig bij een kinderboerderij. Maar op dinsdag en vrijdag gaat zij naar haar werk, want ze werkt in een winkel, zegt ze. ‘Een leuke winkel in dameskleding.’ Ook bij de belastingdienst kennen ze haar van de winkel in dameskleding. Het is niet gelogen. Inderdaad een winkel in dameskleding. In de winkel trekt grootmoeder elke dag haar werkkleding aan. Schaarse, zwarte stukjes en hoge zwarte laarzen. Soms een zweepje erbij dat ze kocht in een shop voor paardenaccessoires. Om half negen haalt ze de sleutel bij het kamerbureau en slentert onopvallend naar haar vaste kamer naast de slagerij. Dat doet ze al 40 jaar. George, haar man, weet er niks van. Hij is beperkt van intellect en hij heeft weleens wat gedacht, maar hij dacht, ach, zolang ze niet vreemd gaat.  Hij houdt van haar. Zo bedacht ik haar achtergrond, een eigen invulling. Daar staat ze dan. Met troebele staarogen, een hamerteen, geverfd haar, een kunstknie, gehoorvoorziening, plastic hartkleppen, rimpelvullers, implantaatkiezen, en versleten tussenwervels. En daarom heeft het ook wel iets tragisch, dat doorwerken tot op hoge leeftijd. Ze doet wat de overheid wil en ze wordt er blij van. Het plezier waarmee ze me uitnodigt in haar dubbelleven, zul je bij een ambtenare van die gezegende leeftijd niet snel zien. Ik zwaai terug. Ze lijkt me een aardige vrouw. 

woensdag 20 april 2016

Miniworld Rotterdam

We bezoeken Miniworld Rotterdam. In een onooglijk gebouw zit een piepklein Rotterdam verstopt in miniatuurformaat. Een Rotterdam met treinen, havens, kranen. Je vliegt over de stad als een meeuw in de wind. Kleine Thijs is niet meer weg te slepen bij de allereerste treinbaan die hij ziet. Alleen kijkt hij schichtig als het licht langzaam dooft boven de skyline en het nachtleven begint. In de Kuip wordt gejuicht
bij alweer een doelpunt van Johan Cruijff, de voormalige Ajacied. Het is van bovenaf een vredige wereld, met kleine grapjes, zoals bijvoorbeeld Superman boven een havendok. De mensen gaan in hun auto's  naar hun hightech kantoor, maar ook wel naar de dames achter rode ramen of ze drinken zich lam in cafeetjes. Maar meestal werken de kabouter Rotterdammers, 24 uur per dag, omdat de kabouter Amsterdammers het uit moeten geven.
Het is prachtig en we worden weer kind, het glanst in onze ogen. Thijs is op de terugweg, uiteraard met de trein, misselijk en  hij geeft tweemaal over op het stof van de stoelen. We zochten haastig naar zakjes, maar die hadden we niet in onze tas. Opa schoot weg naar het toilet om papier te halen, terwijl oma troostende woorden sprak. 
Maar het lag niet aan Rotterdam hoor, het is een prachtige stad. Vooral in het klein.

februari 2016 

maandag 18 april 2016

Sleepbootfilm De Holland

IJmuiden: Sleepbootfilm

Mijn vader sleept me mee naar het kleine café aan de haven. Het bestaat echt. IJmuiden. Bonkige, oudroestige mannen met gouden oorbellen zuipen er hectoliters bier en verslinden er kisten haring. Ook ’s avonds laat en ’s morgens en daarna gulpen ze weer bier. Ik heb het zelf gezien. Mijn vader liet me de inspiratiebron van Vader Abraham zien. Daar zijn de mensen gelijk en tevree. En inderdaad de mensen zijn daar erg gelijk. En tevree. Het zijn kerels die boeren en winden laten en door de film heen toeteren als de boeien naast de pier. En niemand die dat een probleem vindt. Ik kom voor een film in dat café. Een film over sleepboten. Het is een fascinerende film in zwart-wit, in het Duits, zonder ondertiteling, maar niemand die dat een probleem vindt. Welnee, auf das Meer iedereen gleich. Pis je over de reling, flikker je in het zoute nat, maakt de zee dan niet uit of je Duitser of Hollander bent. De zee verzwelgt je zoals jij je haring altijd binnenslokt. Bij de staart. De film is een grote lofzang op de helden van de kabels en de lieren en de stoom uit hun schoorsteen. Zij roken hun sjekkie in het nog warme bed van hun maat, ze roken hun sjekkie bij de kok, het belangrijkste personage na God, ze roken hun sjekkie bij het broodje jam en ze roken hun sjekkie in het holst van de nacht als er een boortoren achter de kont van hun ijzeren doodskist hangt te slingeren. Ze zijn trots op hun no cure-no pay en hun sjekkie. Ze lachen en ze glunderen, deze sjorrende tabaksfabrieken. Op het dek heerst een ijzeren discipline, hard als het staal van hun lijnen, maar niet dat zij daar onder lijden. Integendeel, het leven is als schuim in een storm en soms verdwijnt er wel eens een Arie met het afgaand getijde. Pech? Nee, erger is het als tijdens de tombola, na de pauze, blijkt dat je nummer steeds maar niet uit die verdomde hoed komt. Heb je een duit neergelegd dan is het wel de bedoeling dat je er iets voor terug krijgt. Een molen voor je werphengel, een visstoeltje, een zakmes, het maakt niet uit, maar je hebt er recht op. Je loert nog eens naar je buurman. Hij heeft godgloeiende al drie gewonnen dobbers onder zijn stoel liggen.
Een klein mannetje met bolle makrelenogen en een scheve pet zegt me dat hij dagelijks nog 7 haringen naar binnen laat glijden. Het kleine café aan de haven, ik heb geconsteerd: het bestaat echt. Deze is wel een mannenversie. Dat is het manco aan het liedje. Want vrouwen gaan zo’n café niet binnen. De zee en alle sentimenten zijn voor mannen die thuis heeeel ziek zijn, als ze een griepje hebben.

Sjoerd, in de haven van IJmuiden

25-2-2016