vrijdag 6 juni 2008

De liefde, oktober 2007

Ik kende haar nog maar net. We waren op een mooie dag in de herfst naar ARTIS geweest en daar had ze uitgebreid over haar leven gepraat. Over haar werk en dat ze een 1 april grap had uitgehaald in het ziekenhuis. Ze was verpleegkundige. Wist niet dat die lol uithaalden op de afdeling. Ze vertelde het, terwijl we naar een gestoorde zeeleeuw keken die alleen nog maar rondjes zwom. We zagen een witte wolf en een stel apen met oogproblemen. Een moeder aap met mogelijk een blind jong. De moeder zwaaide met haar handje langs de oogjes van de spruit. We vonden dat allemaal fascinerend. We besloten nog maar wat samen te gaan eten. Dichtbij was een pizzeria. Ik had de pizza net binnen gehapt, toen ze voorzichtig vroeg of ik nog eens wilde afspreken? Dat wilde ik wel, ik wilde het eigenlijk ook vragen, ze was me voor. We besloten naar Scheveningen te gaan. Ook in Scheveningen gingen we beessies kijken. In het zee aquarium zagen we leuke dingen: roggen die recht op in het water gaan staan en die je kunt aaien.
Daarna gingen we naar het strand. Het was een koude dag. Voor ons lag de pier, de kleine pier, waardoor ik al een aantal keer naar buiten was gevaren.
We besloten er op te klimmen, via de basaltblokken. Eenmaal boven wandelden
we naar het einde , waar een torentje staat en vissers zeggen vis te vangen.
Ze deed de capuchon op haar hoofd en ze zag er geestig en schattig uit, zo met dat beslagen brilletje en dat mutsje, ik kreeg het gevoel dat het goed ging aflopen. Maar de angst voor een afwijzing ging wel door me heen.
Ondanks de kou hadden we het heel gezellig. En toen kwamen we weer bij die blokken. Ik ging eerst naar beneden. Zij stond boven en ze zegt dat ik met wijd open armen stond, maar ik zeg dat ze gewoon sprong en ik haar opving.
Hoe dan ook: ze sprong en ik ving haar op in mijn armen. Daarna zijn we terug
gehobbeld door het mulle zand en nu zeggen we tegen elkaar: als we later groot zijn gaan we trouwen en dan vraag ik jou op de pier van Schevingen om je hand.

Liefste, ik herinner me jou, met capuchon,
in de kou in Scheveningen, toen je van de blokken sprong
je had een jas met een chip in je mouw,
zodat we je altijd terug kunnen vinden
ik sloeg een arm om je heen,maar we kusten niet,
nog niet, voor zover ik me herinner, in het mulle zand,
liefste, ik herinner me jou, als een meisje met een beslagen brilletje
ineens hield ik van je, maar ik zei het nog niet. En jij ook niet.
En toen ik je ving, het was goed,
het was goed.

juni 2008